De Raad van de EU kan op grond van richtlijn 2001/55 besluiten een nader omschreven groep vreemdelingen voor een bepaalde periode tijdelijke bescherming te verlenen. De IND biedt een vreemdeling die in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, in Nederland de mogelijkheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in te dienen. De vreemdeling van wie de opvang op grond van de meeromvattende asielbeschikking is beëindigd, hoeft geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in te dienen, als de vreemdeling zich op het moment waarop tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55 wordt ingesteld nog in Nederland bevindt.

De vreemdeling, die meent in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, meldt zich op een daartoe aangewezen plaats om tijdelijke bescherming te krijgen. De IND moet beoordelen of de vreemdeling valt onder Richtlijn 2001/55, de specifieke groep vreemdelingen zoals omschreven in een besluit van de Raad van de Europese Unie als bedoeld in artikel 5, derde lid van richtlijn 2001/55 of een op grond van artikel 3.1a Vb, eerste lid aanhef en onder e Vb aangewezen groep vreemdelingen in combinatie met artikel 3.9a VV. De IND moet tevens de voor die beoordeling noodzakelijke gegevens registreren. De IND verlengt overeenkomstig artikel 43a Vw de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor de duur van de tijdelijke bescherming.

De IND is bevoegd een beslissing te nemen op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voordat de termijn voor de tijdelijke bescherming is beëindigd.

De vreemdeling heeft het recht op opvang zolang de tijdelijke bescherming van kracht is.

De IND weigert tijdelijke bescherming indien:

  1. de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden om voor tijdelijke bescherming in aanmerking te komen;

  2. aangenomen kan worden dat de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde;

  3. er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in artikel 1F (zie paragraaf C4/3.6.9 Vc); of

  4. er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid (paragraaf B1/4.4 Vc)

Bij de vraag of er redelijke gronden zijn om een gevaar voor de openbare orde aan te nemen, wordt er aangesloten bij de criteria om vluchtelingschap te onthouden. Er moet derhalve sprake zijn van een onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordeling wegens een bijzonder ernstig misdrijf. Hierbij wordt aangesloten bij hetgeen in paragraaf C4/3.6.3 Vc is neergelegd, inclusief de daarin opgenomen evenredigheidstoets.

De IND beëindigt of trekt de tijdelijke bescherming in als de vreemdeling niet (langer) aan de voorwaarden voldoet voor tijdelijke bescherming danwel één van de overige weigeringsgronden zich voordoet.