De IND trekt de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus van een vreemdeling in als:
de vreemdeling is opgehouden vluchteling te zijn of niet meer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming (conform artikel 11 en 16, Kwalificatieverordening);
de vreemdeling uitgesloten is of had moeten zijn van de erkenning als vluchteling of subsidiaire bescherming (conform artikel 12 en 17, Kwalificatieverordening);
de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of valse documenten heeft gebruikt of feiten heeft achtergehouden, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus;
er redelijke gronden zijn de vluchteling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid;
de vluchteling definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap van de lidstaat waar de vreemdeling zich op dat moment bevindt;
er ernstige redenen bestaan dat de subsidiair beschermde een gevaar vormt voor de nationale veiligheid;
de subsidiair beschermde een ernstig misdrijf heeft gepleegd voorafgaand aan zijn of haar aankomst in Nederland of voor een ernstig misdrijf is veroordeeld na zijn of haar aankomst;
Imperatief
Al deze gronden zijn imperatief voor de vluchtelingstatus en de subsidiairebeschermingsstatus. Dit betekent dat het intrekken van de vergunning asiel dwingend wordt voorgeschreven als wordt voldaan aan minimaal één van de gronden. De IND voert voor deze intrekkingsgronden geen evenredigheidstoets uit. Er bestaat geen discretionaire bevoegdheid om van deze bepaling af te wijken.