De vreemdeling moet zijn asielrelaas aannemelijk maken. De stelplicht en bewijslast liggen bij de vreemdeling. Dat betekent dat van de vreemdeling wordt verwacht dat hij alle relevante elementen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Kwalificatieverordening, die onder andere betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en de asielmotieven zo snel mogelijk naar voren brengt, te weten:
alle relevante documentatie die in het bezit is van de vreemdeling; en
de eigen verklaringen (van de vreemdeling), zoals afgelegd tijdens gehoren en/of schriftelijk ingebracht.
De vreemdeling heeft op grond van artikel 4, eerste lid, Kwalificatieverordening de verplichting volledige medewerking te verlenen aan de IND en andere bevoegde autoriteiten. Het is daarbij aan de vreemdeling om, voor zover redelijk, alle relevante feiten en omstandigheden en de daarmee samenhangende bewijsstukken zo snel mogelijk naar voren te brengen.
De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld zijn relaas met zijn verklaringen aannemelijk te maken. De IND moet vervolgens de door de vreemdeling verstrekte verzamelde feiten en omstandigheden beoordelen. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid houdt de IND rekening met de individuele situatie en omstandigheden van de verzoeker, zoals bijvoorbeeld achtergrond en geslacht van de vreemdeling (het referentiekader).