De IND betrekt de strafbare feiten die de vreemdeling in het buitenland heeft gepleegd ook bij de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De IND beoordeelt welke gevolgen naar Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, als die strafbare feiten in Nederland zouden zijn gepleegd en/of bestraft. De bewijslast voor het onderbouwen van de gepleegde misdrijven in het buitenland ligt in de eerste plaats bij de vreemdeling. Afhankelijk van de bewijsmiddelen die de vreemdeling overlegt, beoordeelt de IND dit als volgt:
Als de vreemdeling vonnis of vergelijkbare stukken overlegt, vraagt de IND een strafmaatvergelijking op bij het OM. Op basis van deze strafmaatvergelijking betrekt de IND de in het buitenland gepleegde strafbare feiten bij de openbare orde toets.
Als de vreemdeling een schuldbekentenis en een transactieaanbod overlegt, is het mogelijk voor de IND om een verkorte strafmaatvergelijking op te vragen bij het OM. Op basis van deze strafmaatvergelijking betrekt de IND de in het buitenland gepleegde strafbare feiten bij de openbare orde toets.
Als er geen stukken zijn overgelegd, kan de IND geen strafmaatvergelijking bij het OM aanvragen. Als het voor de IND echter voldoende duidelijk is dat het gaat om een misdrijf naar Nederlands recht en waarbij de strafmaat vergelijkbaar is met de strafmaat die in Nederland zou zijn opgelegd wanneer het feit in Nederland zou zijn gepleegd, dan kan de IND deze veroordeling zonder strafmaatvergelijking door het OM bij de beoordeling betrekken.