Een lidstaat kan besluiten een verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is de lidstaat er niet toe verplicht. Dit is de discretionaire bevoegdheid die staat in artikel 35, eerste lid, Asiel- en migratiebeheerverordening. De IND maakt in de regel geen gebruik van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar het oordeel van de IND vanwege proceseconomische redenen aangewezen is.

De IND kan op grond van artikel 35, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening altijd een andere lidstaat vragen een vreemdeling over te nemen, zolang de IND nog geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op de aanvraag. Doel hiervan is om gezins- of familierelaties te herstellen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van betekenisvolle banden op basis van familie-, sociale of culturele overwegingen, ook wanneer de andere lidstaat niet verantwoordelijk is. De betrokken personen moeten hiermee schriftelijk instemmen.

De IND kan ook een verzoek van een andere lidstaat om de aanvraag over te nemen accepteren, terwijl ze daartoe niet verplicht is. De IND maakt van deze mogelijkheid terughoudend gebruik.

Uit artikel 43, eerste lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening volgt dat de keuze om al dan niet gebruik te maken van deze discretionaire bevoegdheid, geen onderdeel uitmaakt van een rechtsmiddel gericht tegen het overdrachtsbesluit.