Als de vreemdeling een of meer specifieke aspecten van zijn asielmotief niet of onvoldoende heeft onderbouwd met documenten of ander bewijsmateriaal, dan kan de IND de feiten en omstandigheden die aan het asielmotief ten grondslag zijn gelegd (alsnog) als geloofwaardig aanmerken zonder aanvullend bewijsmateriaal met betrekking tot deze specifieke aspecten te verlangen, als de vreemdeling voldoet aan de volgende vier – cumulatief geformuleerde – voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening:

  1. de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening);

  2. alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening);

  3. de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening); en

  4. vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, onder andere rekening houdend met het moment waarop de vreemdeling om internationale bescherming heeft verzocht (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening).

Als de IND de vreemdeling heeft verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te overleggen waarover de vreemdeling beschikt of waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij het kan verkrijgen en de vreemdeling heeft zonder verschoonbare redenen niet aan dit verzoek voldaan, dan kan de IND de aldus niet onderbouwde verklaringen als ongeloofwaardig beschouwen.