Onder misleiden wordt verstaan: de vreemdeling probeert in een gunstiger positie te komen door bewust informatie te verstrekken die aantoonbaar onjuist is of informatie achter te houden. Hij probeert als het ware de autoriteiten op het verkeerde been te zetten, om op die manier in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling moet in de gelegenheid zijn gesteld een geldige reden aan te voeren om de misleiding niet aan hem tegen te werpen.

Van misleiden is in ieder geval sprake indien:

  1. de vreemdeling valse of onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of reisroute of andere elementen die relevant zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag;

  2. de vreemdeling valse of vervalste identiteits-, reis- of nationaliteitsdocumenten heeft overgelegd en stelt dat deze echt zijn;

  3. er duidelijke gronden zijn dat de vreemdeling relevante informatie of documenten heeft achtergehouden dan wel zich te slechter trouw heeft ontdaan van deze documenten, zoals bijvoorbeeld een identiteitsdocument, reisdocumenten met uitreisstempels of inreisvisum;

  4. een andere identiteit of nationaliteit uit de systemen naar voren komt dan opgegeven bij de IND;

  5. er aanwijzingen zijn dat sprake is van vingermutilatie; of

  6. een taalanalyse uitwijst dat de vreemdeling niet uit te herleiden is tot de spraakgemeenschap uit de gestelde herkomstplaats.

Bij ‘identiteitsdocumenten’ moet het gaan om documenten die specifiek te herleiden zijn tot de betreffende vreemdeling, hetzij door middel van een pasfoto, hetzij door middel van biometrische gegevens.

De vreemdeling moet in de gelegenheid zijn gesteld een geldige reden aan te voeren om de misleiding niet aan hem tegen te werpen.

Ad c. ‘Te slechter trouw’ betekent dat de vreemdeling bewust en opzettelijk informatie heeft achtergehouden of vernietigd, met als doel daardoor in een gunstiger positie te komen.

‘Duidelijke gronden’ betekent dat de IND dit bedrog niet hoeft aan te tonen of bewijzen, maar dat er sprake moet zijn van een ‘aannemelijkheid’ dat de vreemdeling te slechter trouw heeft gehandeld. Die aannemelijkheid kan zien op twee onderdelen:

  1. er zijn aanwijzingen dat de vreemdeling een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of zich daarvan ontdaan; en

  2. er zijn duidelijke gronden dat de vreemdeling dat te slechter trouw heeft gedaan.

Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van dwang, dan is er geen sprake van te slechter trouw handelen.

De IND verklaart niet zonder meer een aanvraag kennelijk ongegrond wanneer identiteits- en/of nationaliteitsdocumenten (toerekenbaar) ontbreken. Er moet sprake zijn van een zekere mate van bewust en opzettelijk handelen.

In de volgende gevallen is wel sprake van het toerekenbaar ontbreken van documenten, maar niet zonder meer van ‘misleiden’ door documenten achter te houden, dan wel staat niet zonder meer vast dat dit te slechter trouw gebeurde:

  1. als de vreemdeling documenten in Nederland of in enig ander land waar hij veilig was verliest, zonder dat daarbij sprake is van een zekere opzettelijkheid; of

  2. als de vreemdeling verklaart dat de documenten zijn afgegeven aan de reisagent, zonder dat daarbij sprake is van een zekere opzettelijkheid.

De verklaringen van de vreemdeling omtrent het verlies dan wel de omstandigheden waaronder hij de documenten heeft afgegeven dienen geloofwaardig te zijn.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).