Als sprake is van afhankelijkheid zoals omschreven in artikel 34 Asiel- en migratiebeheerverordening, zorgt de IND er normaliter voor dat de vreemdeling kan blijven bij of worden herenigd met de in dit artikel omschreven groep van personen, onder de nadrukkelijke voorwaarde dat de familiebanden al bestonden voordat de vreemdeling aankwam op het grondgebied van de lidstaten. De vreemdeling moet deze afhankelijkheid aantonen, zo veel als mogelijk met objectieve elementen, zoals medische attesten.
Daarbij is in ieder geval vereist dat de vreemdeling of het familielid het vermogen heeft de daadwerkelijke zorg te kunnen en willen verlenen en dat de betrokken personen schriftelijk hebben verklaard dat zij bij elkaar willen blijven of met elkaar herenigd willen worden. De IND betrekt daarbij ook de vraag of deze zorg uitsluitend door de vreemdeling of het familielid kan worden geleverd, of dat deze zorg ook door anderen, zoals professionele zorginstellingen of andere zorg van overheidswege, kan worden geleverd. De persoon in kwestie moet een zodanig unieke positie innemen als zorgverlener dat hij of zij niet of zeer moeilijk door anderen is te vervangen.
Onder ‘wettig verblijven’ in de zin van artikel 34, eerste lid, Asiel- en migratiebeheerverordening verstaat de IND: het kind, broer of zus, of de ouder van de vreemdeling is in het bezit van een geldige verblijfsvergunning of heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit verkregen. Voor ‘wettig verblijven in een andere lidstaat’ in de zin van artikel 34, eerste en tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening hanteert de IND gelijke criteria.
De gezondheidstoestand van de vreemdeling kan hem gedurende een significante tijdsspanne beletten om naar de verantwoordelijke lidstaat te reizen. Op grond van artikel 34, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening kan de lidstaat waar de vreemdeling zich ophoudt hierdoor de verantwoordelijke lidstaat worden. Als significante tijdspanne houdt de IND tenminste een periode van zes maanden aan.