Op grond van artikel 5 Kwalificatieverordening kan de IND een verblijfsvergunning asiel verlenen aan de vreemdeling, die aannemelijk gemaakt heeft een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade te hebben vanwege:

  1. gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden nadat de verzoeker het land van herkomst heeft verlaten; of

  2. activiteiten die de verzoeker na het verlaten van zijn of haar land van herkomst heeft verricht, met name wanneer wordt vastgesteld dat de betrokken activiteiten de uitdrukking en de voortzetting vormen van overtuigingen, opvattingen of strekkingen die de betrokkene in het land van herkomst aanhing.

De behoefte aan internationale bescherming wordt aangeduid als ter plaatse ontstaan.

De IND beoordeelt op basis van algemeen beschikbare informatie, door de vreemdeling afgelegde verklaringen en eventueel ondersteunend bewijs of de vreemdeling problemen staan te wachten bij terugkeer en of die problemen zo ernstig zijn dat deze moeten worden beschouwd als daden van vervolging dan wel aanleiding geven om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Wat betreft de vraag of van de vreemdeling terughoudendheid mag worden verwacht, wordt verwezen naar hetgeen hieronder wordt beschreven ten aanzien van politieke overtuiging, godsdienst en seksuele gerichtheid en genderaspecten.

Ook indien de activiteiten van de vreemdeling, die de vreemdeling heeft ondernomen na zijn vertrek uit het land van herkomst, niet volgen op activiteiten die de vreemdeling al in het land van herkomst heeft ondernomen vóór zijn vertrek kan de vreemdeling een ter plaatse ontstane behoefte hebben aan bescherming (zie ook artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening). Hiervan kan sprake zijn, als de vreemdeling voldoet aan de volgende voorwaarden:

  1. de autoriteiten in het land van herkomst zijn bekend met, of de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten in het land van herkomst op de hoogte zullen raken van, de activiteiten van de vreemdeling; en

  2. de activiteiten leveren een gegronde vrees voor vervolging op dan wel een reëel risico op ernstige schade.