Bij de beoordeling of sprake is van het vertragen, verhinderen of het voorkomen van een beslissing tot de verwijdering of uitzetting of overdracht van de vreemdeling betrekt de IND het moment waarop de vreemdeling zijn asielwens kenbaar maakt. Situaties waarbij dit van toepassing kan zijn, zijn bijvoorbeeld:

  1. een vreemdeling die eerst na een langere periode van illegaal verblijf hier in Nederland een asielaanvraag indient op het moment dat hij wordt geconfronteerd met handelingen die gericht zijn op de verwijdering of uitzetting, bijvoorbeeld een voorgenomen inbewaringstelling; of

  2. het (zeer) kort voor een geplande verwijdering of uitzetting indienen van een asielaanvraag, zeker indien de onderbouwing van de asielaanvraag afwezig of evident ontoereikend is.

Bij de beoordeling of sprake is van een aanvraag die louter is ingediend teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, worden alle omstandigheden van het geval betrokken, waaronder met name:

  1. de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;

  2. de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;

  3. of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;

  4. de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b van de Wet;

  5. de onderbouwing van de aanvraag.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).