Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
De IND onderzoekt het gevaar voor de openbare orde in gevallen waarin 1F aspecten spelen aan de hand van het specifieke beoordelingskader van artikel 1F Vluchtelingenverdrag (paragraaf C4/3.6.9 Vc).
De IND beoordeelt of er sprake is van concrete aanwijzingen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid (paragraaf C4/3.6.8 Vc).
De IND kan de asielaanvraag van de vreemdeling kennelijk ongegrond verklaren als de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. Ook kan de IND de asielaanvraag van de vreemdeling kennelijk ongegrond verklaren als de vreemdeling onder dwang is uitgezet uit Nederland om ernstige redenen van openbare orde. Dit volgt uit artikel 30b, eerste lid, Vw, en de artikelen 39, vierde lid en 42, eerste lid, aanhef en onder f, Procedureverordening.
De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).
Volgens de Procedureverordening kan het begrip ‘openbare orde’ onder meer (dus niet beperkt tot) een veroordeling wegens een ernstig misdrijf bestrijken. De toepassing van het begrip openbare orde wordt, in lijn met de Kwalificatieverordening en de Procedureverordening, hieronder verder uitgewerkt in paragraaf C4/3.6.2 tot en met C4/3.6.6 Vc.
De IND onderzoekt per verleningsgrond of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde:
de IND beoordeelt of er sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf als de vreemdeling in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw (paragraaf C4/3.6.3 Vc);
de IND beoordeelt of er sprake is van een ernstig misdrijf als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt een reëel risico te lopen als bedoeld in artikel 29a, Vw (paragraaf C4/3.6.4 Vc);
de IND beoordeelt ten aanzien van de aanspraken op artikel 29b (meereizend gezinslid), artikel 29c en artikel 29d (nareizend gezinslid), Vw niet of er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf (paragraaf C4/3.6.5 Vc);
als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 Vw jo artikel 29 of artikel 29a Vw en de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde, beoordeelt de IND of de aanvraag kennelijk ongegrond kan worden verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw.