Vreemdelingencirculaire 2000 (C) Actueel

Inhoud
C1 Asielprocedure
8 Rechtsmiddelen
8.6 Mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties
C2 Specifieke procedures
3 Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening (EU) 2024/1351)
3.3 Criteria bepaling verantwoordelijkheid van het behandelen van verzoek om internationale bescherming
3.3.2 Niet-begeleide minderjarigen (artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening)
3.3.3 Gezinsleden (artikel 26 tot en met 28 Asiel- en migratiebeheerverordening)
3.3.4 Diploma’s of andere kwalificaties (artikel 30 Asiel- en migratiebeheerverordening)
3.3.5 Afhankelijke personen (artikel 34 Asiel- en migratiebeheerverordening)
3.3.6 Discretionaire clausules (artikel 35 Asiel- en migratiebeheerverordening)
3.4 De procedure
3.4.1 Algemeen
3.4.3 Afzien van persoonlijk onderhoud
3.4.4 Verstrekken nadere informatie
3.6 Rechtsmiddelen
5 Volgende aanvragen
5.4 Lastminuteaanvragen
5.4.1 De procedure na uitzetting
6 Asielaanvragen van EU-onderdanen
7 Hervestiging
7.3 Aanvraag verblijfsvergunning asiel
7.4 Intrekking verblijfsvergunning asiel
7.5 Vrijwillige terugkeer land van herkomst
C3 Beoordeling van de asielaanvraag
3 Internationale bescherming
3.1 Algemeen
3.1.1 Beoordeling feiten en omstandigheden
3.1.2 Daden van vervolging
3.1.3 Actoren van vervolging en ernstige schade
3.1.4 Toepassing van artikel 5 Kwalificatieverordening (ter plaatse ontstane behoefte aan internationale bescherming)
3.1.5 Misbruik van recht
3.1.6 Aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging
3.2 Verlening verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid (vluchtelingenstatus)
3.2.1 Algemeen
3.2.2 De uitsluitingsgronden van het Vluchtelingenverdrag
3.2.2.1 Artikel 1D Vluchtelingenverdrag
3.2.2.2 Artikel 1E van het Vluchtelingenverdrag (artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening)
3.2.2.3 Artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (artikel 12, tweede tot en met vijfde lid, Kwalificatieverordening)
3.2.3 Groepsvervolging
3.2.4 Risicoprofielen
3.2.5 Uitgangspunten beoordeling gronden van vervolging in de zin van artikel 10 Kwalificatieverordening
3.2.5.1 Godsdienst (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening)
3.2.5.2 Sociale groep (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening)
3.2.5.3 Politieke overtuiging (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening)
3.2.6 Discriminatie (in de zin van artikel 9 Kwalificatieverordening)
3.2.7 Vervolging wegens dienstweigering of desertie (in de zin van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening)
3.2.8 Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als Verdragsvluchteling
3.2.9 Commune delicten
3.3 Verlening van de subsidiairebeschermingsstatus op grond van artikel 18 Kwalificatieverordening en verlening verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw
3.3.1 Ernstige schade als bedoeld in artikel 15 Kwalificatieverordening
3.3.2 Artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening
3.3.2.1 Systematische blootstelling
3.3.2.2 Medische omstandigheden
3.3.2.3 Terugkeerbeletsel
3.3.3 Artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening
3.3.3.1 Algemeen
3.3.3.2 Internationaal of binnenlands gewapend conflict en willekeurig geweld
3.3.3.3 Gradaties van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict
3.4 Actoren van bescherming en beschermingsalternatief
3.4.1 Actoren van bescherming
3.4.1.1 Bescherming door autoriteiten
3.4.1.2 Bescherming door stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties
3.4.1.3 Bescherming doeltreffend en niet-tijdelijk van aard (artikel 7, tweede lid, Kwalificatieverordening)
3.4.1.4 Bewijslast
3.4.2 Binnenlands beschermingsalternatief
4 Beoordelen van de asielaanvraag
4.2 Uitgangspunten beoordeling asielverzoek
4.2.1 Medewerkingsverplichting
4.2.2 Het verzamelen van informatie
4.2.2.1 Algemeen
4.2.2.2 Bewijsmaterialen
4.2.2.3 Deskundigenberichten over de situatie in het land van herkomst
4.2.3 Vaststelling van het asielmotief
4.3 Beoordeling van de geloofwaardigheid
4.3.1 Het onderzoek naar bewijsmateriaal
4.3.2 Geen of onvoldoende onderbouwing asielmotief met bewijsmaterialen
4.3.2.1 Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening
4.3.2.2 Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening
4.3.2.3 Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening
4.3.2.4 Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening
4.3.2.5 Eindconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling
4.5 Beoordeling van de zwaarwegendheid
C4 Afdoeningsgronden
2 Niet-ontvankelijk
2.4 Een internationaal strafgerecht heeft gezorgd voor veilige herplaatsing van de vreemdeling of neemt ondubbelzinnig maatregelen in die zin (artikel 38, eerste lid, aanhef en onder d, Procedureverordening)
2.5 Aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel na ontvangst van een terugkeerbesluit (artikel 38, eerste lid, aanhef en onder e, Procedureverordening)
3 Gegrond, ongegrond en kennelijk ongegrond
3.3 Opzettelijke misleiding (artikel 42, eerste lid, onder c, Procedureverordening)
3.4 Verwijdering (uitzetting of overdracht) vertragen, verhinderen of voorkomen (artikel 42, eerste lid, onder d, Procedureverordening)
3.5 Veilig land van herkomst (artikel 42, eerste lid, onder e, Procedureverordening)
3.6 Openbare orde of nationale veiligheid (artikel 42, eerste lid, onder f, Procedureverordening)
3.6.1 Algemeen
3.6.2 Algemene uitgangspunten
3.6.2.1 Individuele beoordeling
3.6.2.2 Verjaringstermijnen
3.6.2.3 In het buitenland gepleegde strafbare feiten
3.6.2.4 Jeugdstrafrecht en minderjarige vreemdelingen
3.6.3 Openbare orde en artikel 29, eerste lid, Vw (vluchtelingenstatus)
3.6.3.1 Bijzonder ernstig misdrijf
3.6.3.2 Gevaar voor de gemeenschap
3.6.3.3 Evenredigheidstoets
3.6.3.4 Ambtshalve toets
3.6.3.5 Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod
3.6.4 Openbare orde en artikel 29a, eerste lid, Vw (subsidiairebeschermingsstatus)
3.6.4.1 Ernstig misdrijf
3.6.4.2 Gevaar voor de gemeenschap
3.6.4.3 Evenredigheidstoets
3.6.4.4 Ambtshalve toets
3.6.4.5 Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod
3.6.5 Openbare orde en artikel 29b, eerste lid, Vw (meereizende gezinsleden)
3.6.5.1 Evenredigheidstoets
3.6.5.2 Ambtshalve toets
3.6.5.3 Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod
3.6.6 Openbare orde en artikel 29c of 29d Vw (nareizende gezinsleden)
3.6.6.1 Evenredigheidstoets
3.6.6.2 Ambtshalve toets
3.6.6.3 Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod
3.6.7 Afwijzing van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond op grond van openbare orde
3.6.8 Afwijzing van een asielaanvraag, dan wel meereis of nareis op grond van nationale veiligheid
3.6.9 Afwijzing van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag (artikel 12 en artikel 17 Kwalificatieverordening)
3.6.9.1 Artikel 1F, aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag
3.6.9.2 Artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag
3.6.9.2.1 Politieke misdrijven
3.6.9.2.2 Niet-politieke misdrijven
3.6.9.2.3 Beoordeling ernstige misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag
3.6.9.2.4 Absolute politieke misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag
3.6.9.2.5 Factoren voor het wel of niet toepassen van de uitsluitingsgrond
3.6.9.3 Artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag
3.6.9.4 Bewijslast en verantwoordelijkheid
3.6.9.4.1 ‘Knowing participation’
3.6.9.4.2 ‘Personal participation’
3.6.9.5 Persoonlijke vrijwaren van verantwoordelijkheid
3.6.9.6 Duurzaamheid en proportionaliteit
3.6.9.7 Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag
3.6.10 Onder dwang uitgezet wegens openbare veiligheid of openbare orde
3.7 Volgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard (artikel 42, eerste lid, aanhef en onder g, Procedureverordening)
3.8 Zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk gemeld – onrechtmatig binnengekomen (artikel 42, eerste lid, aanhef en onder h, Procedureverordening)
3.9 Zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk gemeld – rechtmatig binnengekomen (artikel 42, eerste lid, aanhef en onder i, Procedureverordening)
3.10 Nationaliteit waarvan inwilligingspercentage lager is dan 20%
4 Expliciete en impliciete intrekkingen
4.3 Impliciete intrekking
4.4 Intrekking en grensprocedure of vreemdelingenbewaring
C5 Gezinshereniging
1 Artikel 29c, Vw of artikel 29d, Vw, afgeleide verblijfsvergunning, asiel nareizende gezinsleden
1.1 Algemeen
1.1.1 Wettelijk kader
1.1.2 Bewijsmaterialen
1.1.3 Nader onderzoek
1.1.4 De referent is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling
1.1.5 Ambtshalve toets artikel 8 EVRM
1.2 Aanvullende voorwaarden bij artikel 29d Vw
2 Artikel 29b, Vw, afgeleide verblijfsvergunning asiel, meereizende gezinsleden
2.1 Algemeen
2.1.1 Wettelijk kader
2.1.2 Bewijsmaterialen
2.1.3 Nader onderzoek
2.3 Feitelijke gezinsband
2.3.3 De meerderjarige kinderen
2.3.4 De ouder(s) of andere verantwoordelijke van een minderjarige
C6 Intrekkingen en verlengingen
1 De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel
1.1 Grondslag
1.3 Meewerkverplichting
1.4 Schriftelijke kennisgeving in de intrekkingsprocedure
1.5 Zienswijze
1.6 Uitstel voor het indienen van de zienswijze
1.7 Het intrekkingsgehoor
1.8 Reactietermijn intrekkingsgehoor
1.9 Afsluiting verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 66, zesde lid, Procedureverordening en artikel 32, zesde lid, Vw
2 Overgangsrecht
2.3 Overige (oude) vergunningen op grond van internationale bescherming
3 De procedure bij verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel van vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning asiel is verleend
3.1 Indiening aanvraag om verlenging van de verblijfstitel
3.2 Duur verlenging verblijfstitel
4 Algemeen
4.1 Intrekkingsgronden volgend uit de Kwalificatieverordening (artikel 14 en 19 Kwalificatieverordening)
4.2 Meerdere intrekkingsgronden
5 Intrekken vluchtelingstatus
5.3 Onjuiste gegevens (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening)
5.4 Gevaar voor de nationale veiligheid (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening)
5.5 Gevaar voor de openbare orde (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening)
6 Intrekken subsidiairebeschermingsstatus
6.3 Onjuiste gegevens (artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening)
7 Intrekken afgeleide asielvergunning van mee- of nareizende gezinsleden
7.1 Intrekking verblijfsvergunning asiel meereizend gezinslid (art. 29b Vw)
7.2 Intrekking verblijfsvergunning asiel nareizend gezinslid (art. 29c en 29d Vw)
8 Overige onderdelen van de toets
8.1 De ex nunc beoordeling
8.2 Ambtshalve toets
8.3 Beoordeling actuele vrees bij terugkeer (terugkeerbeletsel)
8.4 Het nemen van een terugkeerbesluit
8.5 Het opleggen van een maatregel
C7 Moratoria
3 Vertrekmoratorium
C8 Tijdelijke bescherming
2 Tijdelijke bescherming
C9 Landgebonden beleid
1 Landgebonden asielbeleid algemeen
1.2 Veilige landen van herkomst
2 Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan
2.1 Besluitmoratorium
2.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
2.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
2.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2.3 Vc
2.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C2/2.4 Vc
2.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
2.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
2.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
2.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
2.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
2.5 Bescherming
2.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
2.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
2.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
2.7 Vertrekmoratorium
5 Het asielbeleid ten aanzien van Azerbeidzjan
5.1 Besluitmoratorium
5.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
5.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
5.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
5.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
5.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
5.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
5.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
5.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
5.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
5.5 Bescherming
5.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
5.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
5.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
5.7 Vertrekmoratorium
6 Het asielbeleid ten aanzien van Belarus
6.1 Besluitmoratorium
6.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
6.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
6.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
6.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
6.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
6.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
6.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
6.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
6.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
6.5 Bescherming
6.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
6.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
6.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
6.7 Vertrekmoratorium
9 Het asielbeleid ten aanzien van China
9.1 Besluitmoratorium
9.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
9.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
9.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
9.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
9.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
9.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
9.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
9.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
9.4.1.3 Vreemdelingen die illegaal China zijn uitgereisd
9.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
9.5 Bescherming
9.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
9.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
9.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
9.7 Vertrekmoratorium
9.8 Bijzonderheden
10 Het asielbeleid ten aanzien van Colombia
10.1 Besluitmoratorium
10.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
10.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
10.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
10.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
10.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
10.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
10.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
10.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
10.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
10.5 Bescherming
10.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
10.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
10.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
10.7 Vertrekmoratorium
11 Het asielbeleid ten aanzien van Congo DRC (Democratische Republiek Congo)
11.1 Besluitmoratorium
11.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
11.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
11.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
11.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
11.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
11.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
11.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
11.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
11.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
11.5 Bescherming
11.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
11.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
11.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
11.7 Vertrekmoratorium
12 Het asielbeleid ten aanzien van Egypte
12.1 Besluitmoratorium
12.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
12.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
12.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
12.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
12.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
12.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
12.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
12.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
12.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
12.5 Bescherming
12.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
12.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
12.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
12.7 Vertrekmoratorium
13 Het asielbeleid ten aanzien van Eritrea
13.1 Besluitmoratorium
13.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
13.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
13.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
13.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
13.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
13.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
13.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
13.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
13.4.1.3 Illegale uitreis
13.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
13.5 Bescherming
13.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
13.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
13.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
13.7 Vertrekmoratorium
13.8 Bijzonderheden
14 Het asielbeleid ten aanzien van Ethiopië
14.1 Besluitmoratorium
14.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
14.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
14.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
14.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
14.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
14.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
14.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
14.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
14.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
14.5 Bescherming
14.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
14.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
14.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
14.7 Vertrekmoratorium
15 Het asielbeleid ten aanzien van Guinee
15.1 Besluitmoratorium
15.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
15.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
15.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
15.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
15.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
15.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
15.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
15.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
15.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
15.5 Bescherming
15.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
15.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
15.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
15.7 Vertrekmoratorium
16 Het asielbeleid ten aanzien van Irak
16.1 Besluitmoratorium
16.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
16.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
16.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
16.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
16.3.2.1 Toelichting alleenstaande vrouwen
16.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
16.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
16.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
16.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
16.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
16.5 Bescherming
16.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
16.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
16.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
16.7 Vertrekmoratorium
16.8 Bijzonderheden
17 Het asielbeleid ten aanzien van Iran
17.1 Besluitmoratorium
17.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
17.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
17.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
17.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
17.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
17.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
17.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
17.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
17.5 Bescherming
17.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
17.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
17.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
17.7 Vertrekmoratorium
18 Het asielbeleid ten aanzien van Ivoorkust
18.1 Besluitmoratorium
18.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
18.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
18.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
18.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
18.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
18.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
18.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
18.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
18.5 Bescherming
18.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
18.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
18.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
18.7 Vertrekmoratorium
19 Het asielbeleid ten aanzien van Jemen
19.1 Besluitmoratorium
19.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
19.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
19.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
19.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
19.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
19.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
19.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
19.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
19.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
19.5 Bescherming
19.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
19.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
19.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
19.7 Vertrekmoratorium
20 Het asielbeleid ten aanzien van Kameroen
20.1 Besluitmoratorium
20.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
20.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
20.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
20.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
20.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
20.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
20.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
20.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
20.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
20.5 Bescherming
20.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
20.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
20.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
20.7 Vertrekmoratorium
21 Het asielbeleid ten aanzien van Libanon
21.1 Besluitmoratorium
21.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
21.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
21.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
21.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
21.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
21.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
21.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
21.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
21.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
21.5 Bescherming
21.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
21.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
21.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
21.7 Vertrekmoratorium
21.8 Bijzonderheden
22 Het asielbeleid ten aanzien van Libië
22.1 Besluitmoratorium
22.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
22.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
22.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
22.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
22.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
22.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
22.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
22.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
22.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
22.5 Bescherming
22.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
22.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
22.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
22.7 Vertrekmoratorium
23 Het asielbeleid ten aanzien van Mali
23.1 Besluitmoratorium
23.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
23.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
23.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
23.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
23.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
23.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
23.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
23.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
23.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
23.5 Bescherming
23.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
23.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
23.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
23.7 Vertrekmoratorium
24 Het asielbeleid ten aanzien van Nepal
24.1 Besluitmoratorium
24.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
24.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
24.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
24.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
24.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
24.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
24.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
24.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
24.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
24.5 Bescherming
24.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
24.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
24.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
24.7 Vertrekmoratorium
25 Het asielbeleid ten aanzien van Nigeria
25.1 Besluitmoratorium
25.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
25.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
25.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
25.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
25.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
25.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
25.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
25.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
25.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
25.5 Bescherming
25.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
25.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
25.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
25.7 Vertrekmoratorium
26 Het asielbeleid ten aanzien van Oekraïne
26.1 Besluitmoratorium
26.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
26.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
26.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
26.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
26.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
26.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
26.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
26.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
26.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
26.5 Bescherming
26.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
26.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
26.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
26.7 Vertrekmoratorium
27 Het asielbeleid ten aanzien van Pakistan
27.1 Besluitmoratorium
27.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
27.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
27.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
27.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
27.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
27.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
27.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
27.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
27.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
27.5 Bescherming
27.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
27.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
27.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
27.7 Vertrekmoratorium
28 Het asielbeleid ten aanzien van de Palestijnse gebieden
28.1 Besluitmoratorium
28.2 De (staatloze) Palestijn uit de Palestijnse Gebieden die kort voor indiening van de asielaanvraag in Nederland daadwerkelijk bescherming of bijstand heeft genoten van de UNRWA
28.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
28.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
28.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
28.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
28.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
28.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
28.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
28.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
28.5 Bescherming
28.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
28.5.2 (Binnenlands) beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
28.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
28.7 Vertrekmoratorium
29 Het asielbeleid ten aanzien van de Russische Federatie
29.1 Besluitmoratorium
29.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
29.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
29.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
29.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
29.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
29.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
29.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
29.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
29.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
29.5 Bescherming
29.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
29.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
29.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
29.7 Vertrekmoratorium
30 Het asielbeleid ten aanzien van Somalië
30.1 Besluitmoratorium
30.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
30.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
30.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
30.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
30.3.2.1 Toelichting personen die werken bij, of door Al-Shabaab geassocieerd worden met, de overheid, ATMIS/AUSSOM of andere internationale actoren
30.3.2.2 Toelichting alleenstaande vrouwen
30.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
30.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
30.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
30.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
30.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
30.5 Bescherming
30.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
30.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
30.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
30.7 Vertrekmoratorium
32 Het asielbeleid ten aanzien van Sudan
32.1 Besluitmoratorium
32.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
32.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
32.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
32.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
32.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
32.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
32.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
32.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
32.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
32.5 Bescherming
32.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
32.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
32.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
32.7 Vertrekmoratorium
33 Het asielbeleid ten aanzien van Syrië
33.1 Besluitmoratorium
33.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
33.3 De (staatloze) Palestijn uit Syrië die kort voor indiening van de asielaanvraag in Nederland daadwerkelijk bescherming of bijstand heeft genoten van de UNRWA
33.4 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
33.4.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
33.4.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
33.5 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
33.5.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
33.5.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
33.5.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
33.5.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
33.6 Bescherming
33.6.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
33.6.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
33.7 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
33.8 Vertrekmoratorium
34 Het asielbeleid ten aanzien van Turkije
34.1 Besluitmoratorium
34.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
34.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
34.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
34.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
34.3.3 Vervolging vanwege dienstweigering of desertie
34.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
34.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
34.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
34.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
34.5 Bescherming
34.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
34.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
34.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
34.7 Vertrekmoratorium
35 Het asielbeleid ten aanzien van Uganda
35.1 Besluitmoratorium
35.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
35.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
35.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
35.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
35.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
35.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
35.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
35.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
35.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
35.5 Bescherming
35.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
35.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
35.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
35.7 Vertrekmoratorium
36 Het asielbeleid ten aanzien van Venezuela
36.1 Besluitmoratorium
36.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
36.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
36.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
36.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
36.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
36.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
36.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
36.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
36.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
36.5 Bescherming
36.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
36.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
36.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
36.7 Vertrekmoratorium
37 Het asielbeleid ten aanzien van Gambia
37.1 Besluitmoratorium
37.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
37.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
37.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
37.3.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
37.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
37.4.1 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
37.4.1.1 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
37.4.1.2 Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
37.4.2 Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
37.5 Bescherming
37.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
37.5.2 Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
37.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
37.7 Vertrekmoratorium

Artikel 8.6

Mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties

Een verzoek om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties zijn, evenals de uiteindelijke zienswijze, niet juridisch bindend. Aan een dergelijk verzoek wordt in beginsel voldaan, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om niet te voldoen aan een dergelijk verzoek, bijvoorbeeld vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Verzoeken om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties die door de Nederlandse staat worden gehonoreerd, doen geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder h Vw ontstaan.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 Terugkeerrichtlijn ontvangt de gemachtigde van de vreemdeling van de IND bericht dat het opgelegde terugkeerbesluit gedurende het verzoek van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties voorlopig niet zal worden uitgevoerd en dat de vreemdeling dus gedurende het verzoek niet zal worden uitgezet.

Als het verzoek om opschorting van de uitzetting van de vreemdeling wordt gehonoreerd door de Nederlandse Staat, vindt ten aanzien van de eventuele vreemdelingenbewaring een belangenafweging plaats inzake het voortduren van de bewaring. Bij deze afweging van belangen kan onder meer worden betrokken:

  1. of de voorlopige maatregel in duur is beperkt;

  2. of de Nederlandse Staat aanleiding ziet om de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties te verzoeken om terug te komen op het verzoek;

  3. redenen van openbare orde of nationale veiligheid.

Als het mensenrechtenverdragsorgaan van de Verenigde Naties als eindoordeel geeft dat de uitzetting van de vreemdeling in strijd is met de bepalingen van het Verdrag waar het orgaan op toeziet, verleent de IND in beginsel een verblijfsvergunning. De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning aan de vreemdeling:

  1. als sprake is van gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag;

  2. als redenen van openbare orde of de nationale veiligheid zich daartegen verzetten;

  3. andere dringende redenen aanwezig zijn die zich verzetten tegen verlening van een verblijfsvergunning.

Artikel 3.3.2

Niet-begeleide minderjarigen (artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Als de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige is, biedt enkel artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening de IND de mogelijkheid om tot overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat over te gaan. De IND maakt, als wordt voldaan aan de relevante criteria zoals opgenomen in artikelen 23 en 25 Asiel- en migratiebeheerverordening, gebruik van deze mogelijkheid. Dit is in lijn met overweging 53 van de preambule van de Asiel- en migratiebeheerverordening, ter ontmoediging van niet-toegestane verplaatsingen van niet-begeleide minderjarigen.

Als een niet-begeleide minderjarige een gezinslid of een broer of zus in een andere lidstaat heeft, en die zich daar wettig ophoudt, geldt die lidstaat als de verantwoordelijke lidstaat.

Als sprake is van een familielid in een andere lidstaat, en die zich daar wettig ophoudt, dan wordt op basis van individueel onderzoek beoordeeld of dit familielid voor de niet-begeleide minderjarige kan zorgen.

Het is in beide gevallen blijkens het tweede en derde lid van artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening aan de niet-begeleide minderjarige om aan te tonen dat overdracht niet in zijn belang is.

In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (1) opgenomen welke directe en indirecte bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen voor toepassing van artikel 25 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Op grond van artikel 7, vierde lid, Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is geen formeel bewijsmiddel, zoals originele bewijsstukken en DNA-onderzoek, vereist, als de indirecte bewijzen coherent, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen bepalen.

Onder ‘wettig ophouden’ in een andere lidstaat in de zin van artikel 25 van de de Asiel- en migratiebeheerverordening verstaat de IND: (procedureel) rechtmatig verblijf op grond van een ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning, op grond van een verleende verblijfsvergunning in een andere lidstaat, op basis van een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in een andere lidstaat, of als burger van een lidstaat.

Bij onvoldoende aanwijzingen over de verblijfplaats van gezins- of familieleden van de niet-begeleide minderjarige wijst de IND de minderjarige op hulp die hij kan inroepen bij het traceren van gezins- of familieleden.

Bij ontstentenis van gezinsleden, broers of zussen of familieleden, is de lidstaat waar het verzoek van de niet-begeleide minderjarige voor het eerst is geregistreerd de verantwoordelijke lidstaat, indien dat in het belang van het kind is. De IND zal dit beoordelen en de conclusie(s) duidelijk vermelden in het overdrachtsbesluit.

Als in een voorkomend geval de conclusie is, dat overdracht aan een andere lidstaat niet in het belang van de niet-begeleide minderjarige is, dan neemt de IND zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling.

Wanneer de IND een verzoek ontvangt tot overname van de aanvraag van een niet-begeleide minderjarige met familieleden in Nederland, voert de Raad voor de Kinderbescherming het individueel onderzoek, genoemd in artikel 25, derde lid van de Verordening, uit waarin wordt vastgesteld of het familielid in Nederland voor de minderjarige vreemdeling kan zorgen.

Artikel 3.3.3

Gezinsleden (artikel 26 tot en met 28 Asiel- en migratiebeheerverordening)

In de artikelen 26 tot en met 28 Asiel- en migratiebeheerverordening staan regels opgenomen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van een vreemdeling, als deze vreemdeling gezinsleden heeft in een andere lidstaat.

Wie als gezinslid wordt aangemerkt staat opgenomen in artikel 2, aanhef en onder 8, Asiel- en migratiebeheerverordening.

In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (2) en (3) opgenomen welke directe en indirecte bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen voor toepassing van artikel 26 tot en met 28 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voor het begrip ‘wettig in een lidstaat verblijven’ als bedoeld in artikel 26 wordt door de IND aangesloten bij de letterlijke tekst van het eerste en tweede lid van artikel 26 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voor het vaststellen van de familieband geldt het volgende. Op grond van artikel 7, vierde lid, Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is voor de toepassing van artikel 25, 26, 27, 28 of 34 van de Asiel- en migratiebeheerverordening geen formeel bewijsmiddel, zoals originele bewijsstukken en DNA-onderzoek, vereist, als de indirecte bewijzen coherent, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen bepalen.

Artikel 3.3.4

Diploma’s of andere kwalificaties (artikel 30 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Onder een diploma of kwalificatie zoals bedoeld in artikel 30 Asiel- en migratiebeheerverordening wordt het volgende verstaan:

Een getuigschrift, diploma of schooldiploma ten bewijze dat een opleiding met goed gevolg is afgerond als bedoeld in de artikelen 2.58, tweede lid, onder a en b, en derde lid, en 2.80, tweede lid, onder a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, 7.4.6 en 7.4.11, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en 7.11, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, behaald na een studieperiode van ten minste één schooljaar of studiejaar in Nederland dat ten minste gelijkwaardig is aan niveau 2 van de International Standard Classification of Education met uitzondering van onlinecursussen of andere vormen van afstandsleren.

Niveau 2 van de International Standard Classification of Education komt overeen met lager secundair onderwijs, bijvoorbeeld VMBO.

In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (6) opgenomen, met welke directe en indirecte bewijzen diploma’s of andere kwalificaties onderbouwd kunnen worden.

Artikel 3.3.5

Afhankelijke personen (artikel 34 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Als sprake is van afhankelijkheid zoals omschreven in artikel 34 Asiel- en migratiebeheerverordening, zorgt de IND er normaliter voor dat de vreemdeling kan blijven bij of worden herenigd met de in dit artikel omschreven groep van personen, onder de nadrukkelijke voorwaarde dat de familiebanden al bestonden voordat de vreemdeling aankwam op het grondgebied van de lidstaten. De vreemdeling moet deze afhankelijkheid aantonen, zo veel als mogelijk met objectieve elementen, zoals medische attesten.

Daarbij is in ieder geval vereist dat de vreemdeling of het familielid het vermogen heeft de daadwerkelijke zorg te kunnen en willen verlenen en dat de betrokken personen schriftelijk hebben verklaard dat zij bij elkaar willen blijven of met elkaar herenigd willen worden. De IND betrekt daarbij ook de vraag of deze zorg uitsluitend door de vreemdeling of het familielid kan worden geleverd, of dat deze zorg ook door anderen, zoals professionele zorginstellingen of andere zorg van overheidswege, kan worden geleverd. De persoon in kwestie moet een zodanig unieke positie innemen als zorgverlener dat hij of zij niet of zeer moeilijk door anderen is te vervangen.

Onder ‘wettig verblijven’ in de zin van artikel 34, eerste lid, Asiel- en migratiebeheerverordening verstaat de IND: het kind, broer of zus, of de ouder van de vreemdeling is in het bezit van een geldige verblijfsvergunning of heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit verkregen. Voor ‘wettig verblijven in een andere lidstaat’ in de zin van artikel 34, eerste en tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening hanteert de IND gelijke criteria.

De gezondheidstoestand van de vreemdeling kan hem gedurende een significante tijdsspanne beletten om naar de verantwoordelijke lidstaat te reizen. Op grond van artikel 34, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening kan de lidstaat waar de vreemdeling zich ophoudt hierdoor de verantwoordelijke lidstaat worden. Als significante tijdspanne houdt de IND tenminste een periode van zes maanden aan.

Artikel 3.3.6

Discretionaire clausules (artikel 35 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Een lidstaat kan besluiten een verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is de lidstaat er niet toe verplicht. Dit is de discretionaire bevoegdheid die staat in artikel 35, eerste lid, Asiel- en migratiebeheerverordening. De IND maakt in de regel geen gebruik van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar het oordeel van de IND vanwege proceseconomische redenen aangewezen is.

De IND kan op grond van artikel 35, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening altijd een andere lidstaat vragen een vreemdeling over te nemen, zolang de IND nog geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op de aanvraag. Doel hiervan is om gezins- of familierelaties te herstellen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van betekenisvolle banden op basis van familie-, sociale of culturele overwegingen, ook wanneer de andere lidstaat niet verantwoordelijk is. De betrokken personen moeten hiermee schriftelijk instemmen.

De IND kan ook een verzoek van een andere lidstaat om de aanvraag over te nemen accepteren, terwijl ze daartoe niet verplicht is. De IND maakt van deze mogelijkheid terughoudend gebruik.

Uit artikel 43, eerste lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening volgt dat de keuze om al dan niet gebruik te maken van deze discretionaire bevoegdheid, geen onderdeel uitmaakt van een rechtsmiddel gericht tegen het overdrachtsbesluit.

Artikel 3.4.1

Algemeen

In de screeningsfase verzamelt de screeningsautoriteit (KMar of IND) informatie op basis waarvan de triage (zie verder paragraaf C1/3 Vc) uitgevoerd gaat worden. Hieruit kan volgen dat (mogelijk) een andere lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van het verzoek om internationale bescherming (zie artikel 8, vijfde lid, Screeningsverordening en zie verder paragraaf ‘Screening’ Vc). Dit kan blijken uit het raadplegen van Eurodac en VIS. Het kan ook blijken uit documenten van de vreemdeling en uit verklaringen.

Bij de beoordeling of een andere lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van het verzoek om internationale bescherming onderzoekt de IND of er sprake is van indicaties dat de procedure van de Asiel- en migratiebeheerverordening doorlopen moet worden.

Als tijdens het onderzoek wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van een vreemdeling, dan neemt IND zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling.

Artikel 3.4.3

Afzien van persoonlijk onderhoud

In artikel 22, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening staan situaties opgenomen, waaronder afgezien kan worden van een persoonlijk onderhoud.

Onder de situatie van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, Asiel- en migratiebeheerverordening dat een vreemdeling is ondergedoken wordt mede verstaan de situatie als de verzoeker met onbekende bestemming is vertrokken.

Als de vreemdeling als bedoeld in artikel 22, tweede lid, aanhef en onder b, Asiel- en migratiebeheerverordening, zonder voorafgaande kennisgeving en zonder verschoonbare reden, niet verschijnt voor het persoonlijk onderhoud, dan neemt de IND aan dat de vreemdeling geen bezwaren heeft tegen de overdracht naar het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

De vreemdeling die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen terwijl hij nog valt onder het bereik van de Asiel- en migratiebeheerverordening dient daarvoor gebruik te maken van het model M35-O. De vreemdeling geeft op het model M35-O aan op grond van welke nieuwe relevante elementen hij een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, onderbouwt dit en voegt bewijsmiddelen als bijlage bij.

Op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, Asiel- en migratiebeheerverordening zal er bij een volgende aanvraag geen persoonlijk onderhoud plaatsvinden. De vreemdeling heeft immers bij zijn eerste aanvraag al de relevante informatie als bedoeld in artikel 19 Asiel- en migratiebeheerverordening ontvangen, er is inmiddels al een claimakkoord tot stand is gekomen met de verantwoordelijke lidstaat, en de vreemdeling kan middels de ingevulde M35-O en de eventueel overgelegde bewijsstukken de benodigde informatie verstrekken.

Artikel 3.4.4

Verstrekken nadere informatie

De IND kan de vreemdeling op grond van artikel 17, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening bij een overname situatie een aanvullende termijn bieden voor het verstrekken van aanvullende informatie. Dit kan alleen wanneer de vreemdeling niet in staat is deze informatie tijdens het persoonlijk onderhoud te verstrekken en wanneer het gaat om informatie die noodzakelijk is voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. De termijn die door de IND wordt geboden is afhankelijk van de resterende termijn voor het indienen van het overnameverzoek en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling.

Artikel 3.6

Rechtsmiddelen

Op grond van artikel 69, tweede lid, aanhef en onder a, eerste lid, Vw bedraagt de beroepstermijn één week.

De IND schort op grond van artikel 43, derde lid van de Asiel- en Migratiebeheerverordening en artikel 69, zevende lid, Vw de uitvoering van het overdrachtsbesluit op als de vreemdeling gelijktijdig met een (tijdig ingesteld) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening indient.

Op grond van artikel 69, zevende lid, Vw in combinatie met artikel 82, tweede lid, aanhef en onder b, Vw wordt de uitvoering van een overdrachtsbesluit niet opgeschort, als de vreemdeling geen verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend of wanneer het verzoek niet gelijktijdig met het beroep is ingediend.

Artikel 5.4.1

De procedure na uitzetting

Na de uitzetting van de vreemdeling behandelt de IND de volgende aanvraag binnen de termijn van twee maanden zoals neergelegd in artikel 35, eerste lid Procedureverordening. De beschikking kan worden bekendgemaakt door middel van verzending aan gemachtigde.

Artikel 6

Asielaanvragen van EU-onderdanen

Uitgangspunt is dat een lidstaat van de Europese Unie voldoende bescherming biedt aan de eigen burgers.

De IND verklaart een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel van een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie niet-ontvankelijk op grond van Protocol (Nr. 24) inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie, bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, tenzij een van de volgende omstandigheden van toepassing is:

  1. indien de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maatregelen neemt met gebruikmaking van de bepalingen van artikel 15 EVRM, waarbij op zijn grondgebied wordt afgeweken van zijn verplichtingen uit hoofde van dat Verdrag; of

  2. indien de in artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde procedure op gang is gebracht en totdat de Raad, of in voorkomend geval de Europese Raad hieromtrent een besluit heeft genomen ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is; of

  3. indien de Raad overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie een besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is of indien de Europese Raad overeenkomstig artikel 7, lid 2, van dat Verdrag een besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is; of

  4. indien een lidstaat hiertoe eenzijdig besluit in verband met de aanvraag van een onderdaan van een andere lidstaat; in dat geval wordt de Raad onverwijld op de hoogte gesteld; de aanvraag wordt behandeld op basis van het vermoeden dat zij duidelijk ongegrond is zonder op enigerlei wijze, in welk geval dan ook, van invloed te zijn op de beslissingsbevoegdheid van de lidstaat.

Ad b en c

Het enkele feit dat een procedure zoals bedoeld in artikel 7 VEU is gestart, betekent niet dat de aanvraag om die reden inhoudelijk moet worden behandeld en dat deze niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard. In dat geval dient te worden beoordeeld of de asielmotieven van de vreemdeling in direct verband staan met de achtergronden bij de artikel 7-procedure.

Ad d

De d-grond zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen worden toegepast en slechts in het geval de Minister hiertoe besloten heeft.

De IND toetst gelet op het bepaalde in artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit niet ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Wet wanneer een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie een asielaanvraag indient.

Artikel 7.3

Aanvraag verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling, en indien van toepassing, diens gelijktijdig voor hervestiging geaccepteerde familieleden, melden zich na aankomst in Nederland bij de IND voor de formele indiening van de aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling zal daarbij in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29 of artikel 29a Vw. De familieleden, indien zij zelf niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 of artikel 29a Vw, zullen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29b Vw. Hiermee is de toelatingsprocedure in het kader van de Hervestigingsverordening geëindigd.

Artikel 7.4

Intrekking verblijfsvergunning asiel

De intrekkingsgronden van artikel 14 en 19 Kwalificatieverordening zijn ook van toepassing op een vreemdeling die in het kader van hervestiging een verblijfsvergunning asiel voor Nederland heeft ontvangen. Gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid en 16, derde lid van de Kwalificatieverordening trekt de IND in de verblijfsvergunning asiel niet in of wijst de aanvraag om verlenging van de verblijfstitel niet af van een hervestigde vreemdeling, als de verleningsgrond is komen te vervallen vanwege een wijziging in de algemene situatie in het land van. Gelet op de omstandigheid dat vreemdeling naar Nederland zijn gehaald in het kader van hervestiging wordt in de regel aangenomen dat er dwingende redenen zijn om aan te nemen dat hij niet kan terugkeren naar het land van herkomst of het land waar hij zijn gewone verblijfplaats had.

Artikel 7.5

Vrijwillige terugkeer land van herkomst

Als de hervestigde vreemdeling vrijwillig is teruggekeerd naar het land van herkomst, beoordeelt de IND de gevolgen voor de verblijfsvergunning asiel van een hervestigde vreemdeling vanwege deze vrijwillige terugkeer aan de hand van paragraaf C3/3.5 Vc.

Artikel 3.1.1

Beoordeling feiten en omstandigheden

De IND beoordeelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel met inachtneming van artikel 4 Kwalificatieverordening en artikel 34 Procedureverordening.

Artikel 3.1.2

Daden van vervolging

Artikel 9 Kwalificatieverordening beschrijft wat wordt verstaan onder daden van vervolging.

Artikel 3.1.3

Actoren van vervolging en ernstige schade

Artikel 6 Kwalificatieverordening beschrijft wat wordt verstaan onder actoren van vervolging of ernstige schade.

Artikel 3.1.4

Toepassing van artikel 5 Kwalificatieverordening (ter plaatse ontstane behoefte aan internationale bescherming)

Op grond van artikel 5 Kwalificatieverordening kan de IND een verblijfsvergunning asiel verlenen aan de vreemdeling, die aannemelijk gemaakt heeft een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade te hebben vanwege:

  1. gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden nadat de verzoeker het land van herkomst heeft verlaten; of

  2. activiteiten die de verzoeker na het verlaten van zijn of haar land van herkomst heeft verricht, met name wanneer wordt vastgesteld dat de betrokken activiteiten de uitdrukking en de voortzetting vormen van overtuigingen, opvattingen of strekkingen die de betrokkene in het land van herkomst aanhing.

De behoefte aan internationale bescherming wordt aangeduid als ter plaatse ontstaan.

De IND beoordeelt op basis van algemeen beschikbare informatie, door de vreemdeling afgelegde verklaringen en eventueel ondersteunend bewijs of de vreemdeling problemen staan te wachten bij terugkeer en of die problemen zo ernstig zijn dat deze moeten worden beschouwd als daden van vervolging dan wel aanleiding geven om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Wat betreft de vraag of van de vreemdeling terughoudendheid mag worden verwacht, wordt verwezen naar hetgeen hieronder wordt beschreven ten aanzien van politieke overtuiging, godsdienst en seksuele gerichtheid en genderaspecten.

Ook indien de activiteiten van de vreemdeling, die de vreemdeling heeft ondernomen na zijn vertrek uit het land van herkomst, niet volgen op activiteiten die de vreemdeling al in het land van herkomst heeft ondernomen vóór zijn vertrek kan de vreemdeling een ter plaatse ontstane behoefte hebben aan bescherming (zie ook artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening). Hiervan kan sprake zijn, als de vreemdeling voldoet aan de volgende voorwaarden:

  1. de autoriteiten in het land van herkomst zijn bekend met, of de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten in het land van herkomst op de hoogte zullen raken van, de activiteiten van de vreemdeling; en

  2. de activiteiten leveren een gegronde vrees voor vervolging op dan wel een reëel risico op ernstige schade.

Artikel 3.1.5

Misbruik van recht

De vreemdeling die geacht wordt een gegronde vrees te hebben voor vervolging of een reëel risico te lopen op ernstige schade, kan een verblijfsvergunning asiel onthouden worden als de vreemdeling de omstandigheden waarop het risico van vervolging of ernstige schade berust, zelf veroorzaakt heeft nadat hij het land van herkomst heeft verlaten met als enig of voornaamste doel de voorwaarden te creëren om in aanmerking te komen voor internationale bescherming (zie artikel 5, tweede lid, Kwalificatieverordening).

De IND moet motiveren uit welke feiten en omstandigheden volgt dat is voldaan aan de objectieve en subjectieve vereisten, waardoor aannemelijk is dat de vreemdeling voor zichzelf kunstmatig de voorwaarden heeft geschapen, alleen met als enig of voornaamste doel om zo in aanmerking te kunnen komen voor internationale bescherming. De enkele omstandigheid dat de gebeurtenissen na het verlaten van het land van herkomst plaatsvinden, is op zichzelf nog geen reden om artikel 5, tweede lid, Kwalificatieverordening toe te passen.

De toepassing van artikel 5, tweede lid, Kwalificatieverordening en het daarmee onthouden van een verblijfsvergunning asiel kan geen afbreuk doen aan het beginsel van non-refoulement zoals vastgelegd in artikel 3 EVRM en de artikelen 4 en 19, tweede lid, EU Handvest.

Artikel 3.1.6

Aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging

De IND neemt geen aanvraag in behandeling voor een verblijfsvergunning asiel van een vreemdeling, die zich voor bescherming meldt bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of een derde land. De vreemdeling wordt door de medewerker van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging doorverwezen naar de autoriteiten van het derde land, waar de vreemdeling zich bevindt of naar de UNHCR of UNDP.

Artikel 3.2.1

Algemeen

Artikel 3 onder 5, Kwalificatieverordening regelt wat wordt verstaan onder een ‘vluchteling’.

Artikel 13 Kwalificatieverordening in combinatie met artikel 24 Kwalificatieverordening bepaalt dat een verblijfstitel moet worden verleend zolang een vreemdeling de vluchtelingenstatus heeft. Artikel 14, tweede lid, Kwalificatieverordening regelt dat de IND, in bepaalde situaties, kan beslissen geen vluchtelingstatus te verlenen. De verlening van een verblijfsvergunning asiel is geregeld in artikel 29 Vw.

Artikel 3.2.2

De uitsluitingsgronden van het Vluchtelingenverdrag

Een vreemdeling wordt uitgesloten van erkenning als vluchteling op grond van artikel 12 Kwalificatieverordening in de volgende gevallen:

  1. als artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is (artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening);

  2. als artikel 1E van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is (artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening); of

  3. als artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is (12, tweede tot en met vijfde lid, Kwalificatieverordening).

De IND verleent aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel, als één van deze uitsluitingsgronden zich voordoet.

Artikel 3.2.2.1

Artikel 1D Vluchtelingenverdrag

De IND verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw, als hij onder de reikwijdte van artikel 1D Vluchtelingenverdrag valt. Wel toetst de IND door aan artikel 29a, eerste lid, Vw.

Artikel 1D Vluchtelingenverdrag is in de huidige praktijk van toepassing op de (staatloze) Palestijnse vluchteling die onder het mandaat van de UNRWA valt. Het mandaat van de UNRWA is van toepassing op vijf gebieden: Libanon, Jordanië, Syrië, de Westelijke Jordaanoever (de Westbank) en de Gazastrook.

Om in aanmerking te komen voor hulp van UNRWA moet een persoon:

  1. voldoen aan de definitie van een Palestijnse vluchteling onder het mandaat van UNRWA; en

  2. in één van deze vijf gebieden aanwezig zijn.

Voor de vreemdeling die niet onder het mandaat van UNRWA valt, is het reguliere asielbeleid van toepassing.

In twee opeenvolgende stappen beoordeelt de IND of een Palestijnse vluchteling, afkomstig uit één van de vijf UNRWA-mandaatgebieden, wordt uitgesloten van vluchtelingschap. Deze stappen zijn:

  1. de Palestijnse vluchteling heeft direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van de asielaanvraag daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp ingeroepen (of genoten); en

  2. de hulp is opgehouden door redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van de vreemdeling.

Ad 1

Artikel 1D moet zodanig strikt worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op personen die enkel voor bescherming of bijstand van de UNRWA in aanmerking kwamen of komen, maar die niet hebben ingeroepen.

Ook is het van belang te beoordelen of de vreemdeling daadwerkelijk kort voor het indienen van de asielaanvraag de bescherming of bijstand van de UNRWA heeft ingeroepen of genoten. Enkel deze vreemdelingen vallen namelijk onder de reikwijdte van artikel 1D.

De beoordeling of en in hoeverre de vreemdeling bijstand heeft genoten van de UNRWA, is een individuele beoordeling, waarbij relevant is waaruit de bescherming of bijstand van de UNRWA in het individuele geval van de vreemdeling bestond.

Voor het aannemen van eerder genoten (of ingeroepen) bescherming of bijstand, is een registratie bij UNRWA geen vereiste. Het is echter wel een sterke indicatie dat de vreemdeling onder de reikwijdte van dat artikel valt.

Ad 2

Van belang is of de vreemdeling het mandaatgebied vrijwillig of gedwongen heeft verlaten, maar ook of de omstandigheden inmiddels zijn veranderd.

Er zijn twee situaties denkbaar waarin de bescherming of bijstand beschouwd wordt als opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling:

  1. UNRWA kan niet aan het mandaat voldoen: indien er sprake is van de opheffing van het orgaan dat de bescherming of de bijstand verleent, dan wel sprake is van een situatie waarin het betreffende orgaan in de onmogelijkheid verkeert zijn opdracht te volbrengen; en

  2. de vreemdeling is genoodzaakt het mandaatgebied te verlaten: indien er sprake is van omstandigheden buiten de wil van de betrokken persoon, die hem ertoe dwingen het gebied waarin het UNRWA werkzaam is, te verlaten.

De beoordeling betreft een ex-nunc onderzoek. Er kan dus niet volstaan worden met een beoordeling van de situatie bij vertrek uit het land van gebruikelijk verblijf.

Ad a

De beoordeling of UNRWA aan het mandaat kan voldoen, is in beginsel een individuele. De bescherming of bijstand moet met name worden geacht te zijn opgehouden wanneer de UNRWA niet in staat is een specifieke verzoeker waardige levensomstandigheden en een minimum aan veiligheid te waarborgen, rekening houdend met eventuele kwetsbaarheden. Daarbij moet worden gedacht aan levensomstandigheden die de vreemdeling niet garanderen dat, overeenkomstig de opdracht van de UNRWA, wordt voldaan aan basisbehoeften op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en levensonderhoud.

Daarnaast is de situatie denkbaar dat de UNRWA aan geen enkele (staatloze) Palestijnse menswaardige levensomstandigheden of minimale veiligheid kan garanderen. Dit is aan de orde als in het betreffende werkgebied elke staatloze Palestijn terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte.

Het is in beginsel aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij de door hem ontvangen bescherming of bijstand die hij eerder heeft ontvangen, niet opnieuw kan inroepen.

Ad b

Het gaat hier primair om de vraag of de vreemdeling het gebied vrijwillig heeft verlaten. Als de vreemdeling niet buiten zijn wil gedwongen is geweest het gebied te verlaten, is niet aannemelijk dat de bescherming of bijstand is opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling.

Van gedwongen vertrek kan onder andere sprake zijn als de vreemdeling:

  1. op basis van individuele omstandigheden heeft te vrezen voor vervolging;

  2. vreest voor ernstige schade, bijvoorbeeld vanwege een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening.

Ook als er na vertrek uit het land van herkomst omstandigheden zijn ontstaan waardoor de vreemdeling zich niet naar het mandaatgebied kan begeven, kan aangenomen worden dat de bescherming of bijstand is opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling. In het geval van vrijwillig vertrek is het aan de vreemdeling om dat aannemelijk te maken.

Als sprake is van onvrijwillig vertrek maar nadien zijn de levensomstandigheden in het betreffende mandaatgebied verbeterd, dan kan dat ook bij de beoordeling worden betrokken. Dat kan (alsnog) leiden tot uitsluiting op grond van artikel 1D van het Verdrag. De bewijslast ligt bij de IND.

Feitelijke toegankelijkheid

In het kader van de toepassing van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag hoeft de IND, bij de beoordeling van de asielaanvraag, niet te beoordelen of de vreemdeling toegang kan krijgen tot het UNRWA-gebied waar hij eerder heeft verbleven.

Bij de vraag of de vreemdeling bescherming of bijstand van UNRWA kan krijgen in een ander mandaatgebied dan het mandaatgebied waar hij zijn werkelijke verblijfplaats had, speelt de feitelijke toegankelijkheid wel een rol. Als de vreemdeling niet wordt toegelaten tot het andere mandaatgebied, kan hem niet tegengeworpen worden dat hij daar de bescherming of bijstand van UNRWA kan inroepen.

Verblijfsvergunning asiel

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw als de vreemdeling:

  1. kort voor het indienen van de asielaanvraag daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp heeft ingeroepen (of genoten); en

  2. de hulp is opgehouden door redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van de vreemdeling, zoals hierboven vermeld.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel, als de vreemdeling:

  1. beschikt over een nationaliteit; en

  2. de bescherming van de eigen autoriteiten in kan roepen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel als de (staatloze) Palestijnse vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in de uitsluitingsgrond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

Artikel 3.2.2.2

Artikel 1E van het Vluchtelingenverdrag (artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening)

Dit artikel heeft betrekking op vreemdelingen die anders in aanmerking zouden komen voor de vluchtelingenstatus en die zijn opgevangen in een land waar hun de meeste rechten zijn toegekend die onderdanen gewoonlijk genieten, maar waar zij geen formeel staatsburgerschap hebben.

Artikel 3.2.2.3

Artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (artikel 12, tweede tot en met vijfde lid, Kwalificatieverordening)

Artikel 12, tweede lid, Kwalificatieverordening regelt, dat een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de erkenning als vluchteling, als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Dit komt overeen met de tekst van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Daarom wordt in de Vc nog steeds gesproken over artikel 1F Vluchtelingenverdrag (of kortweg 1F).

De IND verleent in dat geval de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel (zie paragraaf C4/3.6.2 Vc).

Artikel 3.2.3

Groepsvervolging

Er is sprake van groepsvervolging, als in een land van herkomst een groep vreemdelingen systematisch wordt blootgesteld aan vervolging wegens een van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening.

De minister kan een groep aanwijzen waarvoor sprake is van groepsvervolging. Situaties waarin sprake is van groepsvervolging worden opgenomen in het landgebonden beleid.

Ook voor de vreemdeling die zich beroept op groepsvervolging geldt het individualiseringsvereiste. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat hij behoort tot de groep vreemdelingen voor wie groepsvervolging wordt aangenomen.

Artikel 3.2.4

Risicoprofielen

Zoals in paragraaf C3/2.4 Vc is opgenomen kan de minister in verband met de situatie in een land risicoprofielen aanwijzen.

Artikel 3.2.5

Uitgangspunten beoordeling gronden van vervolging in de zin van artikel 10 Kwalificatieverordening

De IND beoordeelt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel met inachtneming van artikel 10 Kwalificatieverordening. De gronden voor vervolging worden hieronder nader uitgewerkt.

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw, als sprake is van daden van vervolging als bedoeld in artikel 9 Kwalificatieverordening.

In de paragrafen hieronder worden de volgende gronden uit artikel 10 Kwalificatieverordening nader uitgewerkt:

  1. ras;

  2. godsdienst;

  3. nationaliteit;

  4. sociale groep;

  5. politieke overtuiging.

Voor de beoordeling van de gronden ras, dat met name de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep omvat, en nationaliteit wordt geen apart kader uitgewerkt. De beoordeling volgt de algemene systematiek.

Artikel 3.2.5.1

Godsdienst (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening)

Het begrip ‘godsdienst’ omvat een breed scala aan overtuigingen, met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische (geloofs)overtuigingen. De omstandigheid dat de vreemdeling zijn godsdienst in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uitoefenen als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw.

Niet elke aantasting van het recht op godsdienstvrijheid zal dan ook een daad van vervolging in de zin van artikel 10 Kwalificatieverordening vormen. Bij de beoordeling of een aantasting van het recht op godsdienstvrijheid een daad van vervolging vormt, moet de IND, gelet op de persoonlijke situatie van de vreemdeling tegen de achtergrond van hetgeen uit algemene informatie bekend is, onderzoeken of deze om redenen van de uitoefening van die vrijheid in zijn land van herkomst een werkelijk gevaar loopt om te worden vervolgd.

De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in ieder geval mee dat:

  1. de vreemdeling, die een geloofsovertuiging aanhangt, de uitingen van zijn geloofsovertuiging in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn geloofsovertuiging verborgen heeft gehouden; en

  2. van de vreemdeling niet wordt verwacht dat hij afziet van godsdienstige handelingen, die voor hem persoonlijk bijzonder belangrijk zijn om zijn godsdienstige identiteit te bewaren, om vervolging te voorkomen.

De IND beoordeelt of de maatregelen en sancties die tegen de vreemdeling zullen worden genomen als hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst bepaalde – voor zijn godsdienstige identiteit bijzondere belangrijke – handelingen verricht voldoende zwaarwegend zijn om te spreken van vervolging.

Ook als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer zich gedwongen voelt om zijn geloofsovertuiging terughoudend uit te oefenen vanwege de risico’s die hij anders loopt, kan sprake zijn van vervolging in de zin van artikel 10 Kwalificatieverordening.

Artikel 3.2.5.2

Sociale groep (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening)

Bij de beoordeling van de gronden in de zin van artikel 10 Kwalificatieverordening wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van een sociale groep. Een groep wordt geacht een sociale groep te vormen als leden van een groep in ieder geval aan twee cumulatieve voorwaarden voldoen.

Ten eerste moeten de leden van een sociale groep aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoen:

  1. een aangeboren kenmerk vertonen;

  2. een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden; of

  3. een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat niet mag worden geëist dat zij dit opgeven.

Ten tweede moet de sociale groep in het land van herkomst een eigen identiteit hebben, omdat zij – in haar directe omgeving – als afwijkend wordt beschouwd.

Het individualiseringsvereiste als opgenomen in paragraaf C3/2.3 Vc is van toepassing. Daarnaast is ook paragraaf C3/4 Vc (beoordelen van de asielaanvraag) van toepassing.

Artikel 3.2.5.2.1

Vrouwen

Vrouwen in het algemeen, als ook een beperkte groep vrouwen, die een bepaald gemeenschappelijk kenmerk delen, kunnen, afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst of in een bepaald gebied in dat land, aangemerkt worden als sociale groep.

De volgende elementen kunnen met name van belang zijn voor de beoordeling of bij vrouwen sprake is van een sociale groep:

  1. culturele, religieuze of traditionele normen (zoals genitale verminking, gedwongen sterilisatie of gedwongen abortus);

  2. onttrekking van vrouwen aan of weigering van een gedwongen huwelijk of het verbreken van een huwelijk; of

  3. het bestaan van huiselijk, seksueel en/of eergerelateerd geweld.

Daarbij zal worden beoordeeld of de groep waar de vrouw toe behoort in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.

De minister kan in de context van specifiek landenbeleid vaststellen of (een groep) vrouwen behoort/behoren tot een sociale groep. Als hiervan sprake is, wordt dat ook opgenomen in het landenbeleid van hoofdstuk C9 Vc.

Voor zover (een specifieke groep) vrouwen behoren tot een sociale groep, dan kan onder andere gendergerelateerd geweld tegen deze vrouwen leiden tot de conclusie dat sprake is van erkenning als vluchteling als bedoeld in artikel 13 Kwalificatieverordening, als dat geweld kan worden aangemerkt als daad van vervolging zoals bedoeld in artikel 9 Kwalificatieverordening. Op de vraag of een vrouw als lid van een sociale groep in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw is het individualiseringsvereiste zoals beschreven in paragraaf C3/2.3 Vc onverkort van toepassing. Op individuele basis zal beoordeeld moeten worden of zij daadwerkelijk te vrezen heeft voor daden van vervolging vanwege het behoren tot een sociale groep.

Vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen

Vrouwen, die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen (verder: vereenzelviging) kunnen al naar gelang de omstandigheden in het land van herkomst behoren tot een ‘sociale groep’. Daarbij is van belang dat het gestelde in paragraaf C3/3.2.5.2 Vc ook van toepassing is op de vraag of een vrouw die een beroep doet op vereenzelviging behoort tot een sociale groep.

Het behoren tot deze sociale groep kan een grond zijn om aan te nemen dat er sprake is van erkenning als vluchteling als bedoeld in artikel 13 Kwalificatieverordening. Het is aan de vrouw die een beroep doet op vereenzelviging om aannemelijk te maken dat hier in haar persoonlijke situatie sprake van is.

De IND toetst aan de hand van een ‘drietrapsbeoordeling’ of een vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging door het behoren tot een sociale groep vanwege vereenzelviging:

  1. vaststellen van de vereenzelviging in het individuele geval;

  2. vaststellen of de groep waartoe de vrouw stelt te behoren, in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd; en

  3. vaststellen of er sprake is van gegronde vrees voor daden van vervolging als gevolg hiervan.

Ad 1.

De IND moet eerst vaststellen of de vrouw in haar individuele geval aannemelijk heeft gemaakt dat de vereenzelviging is te herleiden naar de fundamentele waarde, die de vrouw hecht aan de gelijkheid tussen vrouwen en mannen.

Bij de vraag of sprake is van vereenzelviging valt te denken aan het maken van zelfstandige en onafhankelijke keuzes die bepalend zijn voor haar identiteit op gebied van onderwijs en beroepsloopbaan, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze.

Bij de beoordeling of sprake is van vereenzelviging betrekt de IND in ieder geval:

  1. of de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat de vereenzelviging fundamenteel is voor de identiteit of morele integriteit van de vrouw;

  2. aannemelijk is gemaakt dat deze vereenzelviging dermate fundamenteel is, dat van haar niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft;

  3. de wijze waarop de vrouw hier in haar dagelijkse leven invulling aan geeft en in het verleden heeft gegeven; en

  4. de wijze waarop de vrouw hier invulling aan wenst te geven bij terugkeer naar land van herkomst.

Daarbij geldt dat als de vrouw nog weinig tot geen invulling aan de vereenzelviging geeft of heeft gegeven van de vrouw verwacht mag worden dat zij kan uitleggen waarom dit het geval is en waarom de vereenzelviging desondanks fundamenteel is voor haar identiteit.

Voor de vrouw die een beroep doet op vereenzelviging geldt dat de gestelde vereenzelviging niet uit politieke of religieuze motieven hoeft voort te komen. Voor zover hier in de praktijk wel sprake van is, wordt verwezen naar paragrafen C3/3.2.5.1 en C3/3.2.5.3 Vc.

Als de IND heeft geoordeeld dat van een geloofwaardige vereenzelviging sprake is, wordt overgegaan tot de volgende stap in de beoordeling.

Ad 2.

Vervolgens beoordeelt de IND of de vrouw als gevolg van de vereenzelviging kan behoren tot een sociale groep. Om als sociale groep aangemerkt te worden, moet de vrouw aannemelijk maken dat zij behoort tot een groep die als gevolg van de vereenzelviging een eigen identiteit heeft, omdat zij als afwijkend wordt beschouwd in de directe omgeving in het land van herkomst.

Dit met name als gevolg van de sociale, morele of juridische normen die in het land van herkomst gelden.

De IND beoordeelt de aannemelijkheid van de verklaringen van de vrouw over waarom de groep als afwijkend wordt beschouwd, in samenhang met de beschikbare landeninformatie.

Ad 3.

Vervolgens beoordeelt de IND of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging vanwege het (toegedicht) behoren tot een sociale groep vanwege vereenzelviging. De IND beoordeelt de vrees voor vervolging aan de hand van door de vrouw verstrekte verklaringen en bewijsmiddelen over wat zij bij terugkeer naar het land van herkomst stelt te vrezen te hebben.

Dat een reden om vanwege vereenzelviging te worden vervolgd kan worden vermeden door zich terughoudend op te stellen, wordt in dit verband niet aan de vrouw tegengeworpen. Van de vrouw mag namelijk niet worden verlangd dat zij een vereenzelviging die fundamenteel is, opgeeft.

Genitale verminking

De IND verleent een vrouw, die zich beroept op een vrees voor genitale verminking, een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:

  1. er is een gegronde vrees op genitale verminking;

  2. artikel 7 Kwalificatieverordening is niet van toepassing; en

  3. artikel 8 Kwalificatieverordening is niet van toepassing.

De IND beoordeelt op basis van de individuele verklaringen van de vreemdeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw vanwege een gegronde vrees op genitale verminking bij vrouwen.

De IND weegt daarbij de algemene informatie over genitale verminking bij vrouwen in het land van herkomst mee. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken.

Voor zover de ouder van een meisje dat of vrouw die te vrezen heeft voor genitale verminking, stelt in aanmerking te komen voor bescherming op grond van een (toegedichte) overtuiging, kan beoordeeld worden of de ouder zelfstandig in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van een religieuze overtuiging, het behoren tot een sociale groep en/of een politieke overtuiging.

De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 eerste lid, Vw, vanwege een beroep op een vrees voor genitale verminking (van een familielid) aan de ouder die de genitale verminking zelf uitvoert of de uitvoering ervan mogelijk maakt.

Artikel 3.2.5.2.2

Seksuele gerichtheid

De IND kan een vreemdeling aanmerken als lid van een sociale groep als hij behoort tot de groep die als gemeenschappelijk kenmerk (toegedichte) seksuele gerichtheid heeft.

Seksuele gerichtheid gaat in elk geval over iemands seksuele en/of emotionele en/of intieme aantrekking tot een ander persoon. Daarbij zal de IND beoordelen of deze groep in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in de directe omgeving als afwijkend van de heteroseksuele norm wordt beschouwd.

De IND onderzoekt de seksuele gerichtheid van de vreemdeling en zijn uiting daarvan aan de hand van het beoordelingskader van de paragrafen C3/4.3 en C3/4.4 Vc. De omstandigheid dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland vormt op zichzelf onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Niet elke aantasting van het recht op het uiten van de seksuele gerichtheid vormt een daad van vervolging in de zin het Vluchtelingenverdrag. Voor de beoordeling of een aantasting van dit recht een daad van vervolging vormt, moet de IND onderzoeken of de vreemdeling in zijn land van herkomst gegronde vrees heeft om vervolgd te worden.

De IND verleent met inachtneming van artikel 9 Kwalificatieverordening een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan een vreemdeling op grond van zijn seksuele gerichtheid, in ieder geval als sprake is van ten minste een van de volgende situaties:

  1. de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn (toegedichte) seksuele gerichtheid dreigt te worden blootgesteld aan daden van geweld, die zo ernstig zijn dat deze daden van geweld een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen;

  2. in het land van herkomst gelden strafbepalingen op grond van de seksuele gerichtheid, deze strafrechtelijke bepalingen worden in de praktijk door de autoriteiten daadwerkelijk ten uitvoer gelegd en er is sprake van een zeker gewicht van de strafbepaling; of

  3. de autoriteiten van het land van herkomst voeren op grond van de (toegedichte) seksuele gerichtheid maatregelen uit die discriminerend zijn of op een discriminerende wijze worden uitgevoerd. Deze maatregelen zijn op zichzelf of in samenstel (cumulatief) voldoende ernstig.

Bij de beoordeling of sprake is van strafbepalingen en/of discriminerende maatregelen die zien op de seksuele gerichtheid betrekt de IND in ieder geval:

  1. de schaal waarop strafrechtelijke vervolging vanwege de seksuele gerichtheid voorkomt;

  2. de toepassing van opgelegde (gevangenis)straffen;

  3. het (voorafgaande) politie- en strafvorderlijk onderzoek; en

  4. de gevolgen van de strafbaarstelling voor de maatschappelijke positie van deze groep.

Als de seksuele gerichtheid of seksuele handelingen strafbaar is/zijn in het land van herkomst wordt niet van de vreemdeling verwacht dat hij bescherming inroept of in kan roepen conform artikel 7 Kwalificatieverordening.

Bij de beoordeling van de individuele situatie van de vreemdeling geldt het uitgangspunt dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn seksuele gerichtheid verborgen heeft gehouden. De IND onderzoekt op welke wijze de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in Nederland uit en hoe de vreemdeling voornemens is deze in zijn land van herkomst te uiten. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat deze uiting leidt tot een daad van vervolging.

De IND verlangt van de vreemdeling geen terughoudendheid bij de invulling van zijn seksuele gerichtheid en hanteert om die reden, bij de beoordeling van het risico op vervolging, steeds een zekere ‘ondergrens’. De ondergrens houdt in het feitelijk uiten van de eigen geaardheid en relaties aangaan op een manier die niet wezenlijk anders is dan van heteroseksuelen in het betreffende land van herkomst is geaccepteerd. De IND verwacht in die uiting geen terughoudendheid. In die gevallen gaat de IND er in beginsel bij de beoordeling van het risico op vervolging van uit dat de directe omgeving, zoals hierboven benoemd, op de hoogte is of kan geraken van de seksuele gerichtheid. De IND beoordeelt vervolgens of de uiting conform de ondergrens tot vervolging zou leiden.

Als de vreemdeling aangeeft zijn seksuele gerichtheid te willen uiten op een wijze die verder gaat dan deze ‘ondergrens’ toetst de IND de geloofwaardigheid van deze uiting en toetst de IND de wijze waarop de vreemdeling voornemens is in zijn land van herkomst zijn seksuele gerichtheid te uiten. In de situatie dat de seksuele gerichtheid wel geloofwaardig wordt geacht maar de verdergaande wijze waarop de vreemdeling deze wil uiten niet, gaat de IND na of het invulling geven aan de seksuele gerichtheid conform de ‘ondergrens’ tot vervolging zou leiden. In die situatie kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een asielvergunning, ook als een deel van de verklaring (het uiten van de gerichtheid op een wijze die verder gaat dan de ‘ondergrens’) als niet aannemelijk wordt beschouwd.

De IND betrekt bij de beoordeling of in het land van herkomst sprake is van discriminatoire behandeling vanwege de seksuele gerichtheid, afgezet tegen de aldaar geldende normen en gebruiken. Indien in het land van herkomst sprake is van strafbaarstelling van seksuele gerichtheid of seksuele handelingen beoordeelt de IND hoe daar in de praktijk mee wordt omgegaan en zet dit af tegen de persoonlijke situatie van de vreemdeling.

Als de vreemdeling zich beroept op zowel zijn seksuele gerichtheid als zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, is paragraaf C3/3.2.5.2.3 Vc ook van toepassing.

Artikel 3.2.5.2.3

Genderidentiteit en genderexpressie

De IND kan een vreemdeling als lid van een sociale groep aanmerken als hij behoort tot de groep die als gemeenschappelijk kenmerk heeft dat de diepgevoelde, persoonlijke beleving van zijn gender en/of zijn lichaam niet of niet eenduidig overeenkomt met het geslacht dat hij bij de geboorte (toegewezen) heeft gekregen, of dit aan hem wordt toegedicht. Het kan hierbij ook gaan om genderexpressie. Genderexpressie ziet op de manier waarop de vreemdeling zijn gender presenteert door middel van fysieke verschijning – inclusief maar niet beperkt tot kleding, kapsels, accessoires, cosmetica – en manieren, spraak, gedragspatronen, namen en persoonlijke referenties. Dit hoeft niet overeen te komen met de genderidentiteit. Daarbij zal de IND beoordelen of deze groep in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in de directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.

Indien de vreemdeling zich enkel beroept op genderexpressie, wat los staat van de genderidentiteit, beoordeelt de IND of de vormen van expressie dermate fundamenteel zijn voor de identiteit waardoor niet mag worden verwacht dat de vreemdeling zich aanpast naar de in het land van herkomst geldende normen en gebruiken zoals bedoeld in C3/3.2.5.2 Vc.

De IND onderzoekt de genderidentiteit en/of de genderexpressie van de vreemdeling aan de hand van het beoordelingskader van paragrafen C3/4.3 en C3/4.4 Vc. De omstandigheid dat de vreemdeling zijn genderidentiteit en/of genderexpressie in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland vormt op zichzelf onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Niet elke aantasting van het recht op het uiten van de genderidentiteit en/of de genderexpressie vormt een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Voor de beoordeling of een aantasting van dit recht een daad van vervolging vormt, onderzoekt de IND of de vreemdeling in zijn land van herkomst gegronde vrees heeft om vervolgd te worden. Artikel 9 Kwalificatieverordening beschrijft wat verstaan wordt onder daden van vervolging. Deze moeten zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten van de mens of een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen.

De IND merkt discriminatie door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De IND hanteert voor de beoordeling of sprake is van discriminatie die dermate ernstig is dat sprake is van vervolging, het beoordelingskader van paragraaf C3/3.2.6 Vc.

De IND verleent, met inachtneming van artikel 9 Kwalificatieverordening, een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan een vreemdeling op grond van zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, als in ieder geval sprake is van ten minste een van de volgende situaties:

  1. de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat deze vanwege zijn (toegedichte) genderidentiteit en/of genderexpressie dreigt te worden blootgesteld aan daden van geweld en/of discriminatie, die zo ernstig zijn dat deze daden een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen;

  2. in het land van herkomst gelden strafbepalingen in het kader van genderidentiteit en/of genderexpressie, deze strafrechtelijke bepalingen worden in de praktijk door de autoriteiten daadwerkelijk ten uitvoer gelegd, en er is sprake van een zeker gewicht van de strafbepaling; of

  3. de autoriteiten van of andere actoren in het land van herkomst voeren op grond van (toegedichte) genderidentiteit en/of genderexpressie maatregelen uit die discriminerend zijn of op een discrimineerde wijze worden uitgevoerd. Deze maatregelen zijn op zichzelf of in samenstel (cumulatief) voldoende ernstig.

Ad a

Als er sprake is van op de vreemdeling gerichte daden van geweld en/of discriminatie vanwege de genderidentiteit en/of genderexpressie in het land van herkomst moeten de daden, op zichzelf of in samenhang met andere daden dusdanig ernstig zijn dat er sprake is van een daad van vervolging en moet er geen bescherming mogelijk zijn hiertegen van de autoriteiten of internationale organisaties, zoals bedoeld in paragraaf C3/3.4 Vc.

Ad a en b

In het voorkomende geval dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer naar het land van herkomst wordt gedetineerd om een reden anders dan zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, moet hij aannemelijk maken in detentie een reëel risico te lopen om te worden blootgesteld aan ernstig (seksueel) geweld vanwege zijn genderidentiteit en/of genderexpressie waartegen de (detentie)autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden. Daarbij betrekt de IND of de situatie zich zal voordoen dat de vreemdeling gedetineerd wordt met personen van een geslacht dat niet overeenkomt met zijn genderidentiteit. Indien sprake is van een commuun delict dient daarbij wel beoordeeld te worden of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Hiervoor is het beoordelingskader zoals bedoeld in paragraaf C4/3.6 Vc van toepassing.

Ad b en c.

De IND onderzoekt of de vreemdeling bij terugkeer onder dreiging (van geweld) door een actor wordt gedwongen een bepaalde vorm van arbeid (zoals sekswerk) te verrichten en dit verband houdt met zijn genderidentiteit en/of genderexpressie waardoor hem een discriminatoire of onevenredige bestraffing vanwege deze vorm van arbeid te wachten staat. In de situatie dat er sprake is van (een vorm van) discriminatie is het beoordelingskader, zoals bedoeld in paragraaf C3/3.2.6 Vc, van toepassing.

Ad c.

Het enkele feit dat er geen mogelijkheden bestaan om het geslacht aan te laten passen in officiële documenten (wettelijke erkenning), of dat hieraan de voorwaarde wordt gesteld dat er een geslachtsverandering heeft plaatsgevonden, is op zichzelf onvoldoende om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Dat laat onverlet dat de gevolgen van het niet kunnen aanpassen van het geslacht voor de vreemdeling kunnen leiden tot maatregelen die, op zichzelf staand of in samenstel, dermate ernstig zijn dat deze behandeling de lat van vervolging haalt.

Bij de beoordeling of sprake is van strafbepalingen en/of discriminerende maatregelen die zien op de genderidentiteit of genderexpressie betrekt de IND in ieder geval:

  1. de schaal waarop strafrechtelijke vervolging vanwege de genderidentiteit en/of genderexpressie voorkomt;

  2. de toepassing van de opgelegde (gevangenis)straffen;

  3. het (voorafgaande) politie- en strafvorderlijk onderzoek; en

  4. de gevolgen van de strafbaarstelling en de strafbepalingen voor de maatschappelijke positie van genderdiversen.

Als genderexpressie of het uiten van de genderidentiteit, anders dan de geldende normen in het land van herkomst, strafbaar is (of hier andere strafbepalingen voor gelden), wordt niet van de vreemdeling verwacht dat hij bescherming inroept of in kan roepen conform artikel 7 Kwalificatieverordening.

De IND betrekt bij de beoordeling of in het land van herkomst sprake is van discriminatoire behandeling vanwege de genderidentiteit en/of genderexpressie. Als in het land van herkomst sprake is van strafbaarstelling van de genderexpressie of het uiten van de genderidentiteit anders dan de vreemdeling bij de geboorte heeft gekregen, beoordeelt de IND hoe daar in de praktijk mee wordt omgegaan en zet dit af tegen de persoonlijke situatie van de vreemdeling.

Als de vreemdeling aannemelijk maakt geheel of gedeeltelijk uitgesloten te worden van toegang tot de gezondheidszorg in het land van herkomst op basis van zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, onderzoekt de IND of dit leidt tot ernstige consequenties. Dit beoordeelt de IND in samenhang met de vraag of sprake is van een discriminatoire behandeling of maatregel die in samenstel met andere maatregelen voldoende ernstig is dat sprake is van vervolging. Het enkele feit dat er geen genderbevestigende zorg beschikbaar is, is op zichzelf geen reden om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen.

Bij de beoordeling van de individuele situatie van de vreemdeling geldt het uitgangspunt dat de vreemdeling zijn genderidentiteit in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn genderidentiteit verborgen heeft gehouden. De IND onderzoekt op welke wijze de vreemdeling zijn genderidentiteit in Nederland uit en hoe de vreemdeling voornemens is deze in zijn land van herkomst te uiten. Het kan hier ook gaan om de genderexpressie. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat deze uiting leidt tot een daad van vervolging. In die gevallen gaat de IND er in beginsel bij de beoordeling van het risico op vervolging van uit dat de directe omgeving zoals hierboven benoemd op de hoogte is of kan geraken van de genderidentiteit en/of genderexpressie.

Als de vreemdeling zich beroept op zowel zijn genderidentiteit en genderexpressie als zijn seksuele gerichtheid, is paragraaf C3/3.2.5.2.2 Vc over seksuele gerichtheid ook van toepassing.

Artikel 3.2.5.3

Politieke overtuiging (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening)

Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening bepaalt wat moet worden verstaan onder de vervolgingsgrond ‘politieke overtuiging’.

De eerste vraag die de IND moet beantwoorden als een vreemdeling zijn politieke overtuiging als asielmotief naar voren brengt, is of er daadwerkelijk sprake is van een politieke overtuiging. Een politieke overtuiging kan bestaan uit een opvatting, gedachte of mening, gericht tegen de autoriteiten van het land van herkomst. Het hoeft hier niet te gaan om een diepgewortelde politieke overtuiging.

De sterkte van de overtuiging speelt geen rol bij de vraag of er sprake is van een politieke overtuiging, maar is nog wel relevant in de beoordeling of de vreemdeling een risico loopt bij terugkeer.

De IND beoordeelt of de sterkte van de politieke overtuiging en de eventueel door de vreemdeling verrichte activiteiten om die overtuiging uit te dragen ertoe heeft geleid dat de vreemdeling de negatieve belangstelling van de autoriteiten van het land van herkomst heeft gewekt of kan wekken en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Deze beoordeling vindt plaats op basis van de individuele verklaringen van de vreemdeling in combinatie met de beschikbare algemene informatie over de situatie in het land van herkomst.

Verder betrekt de IND bij de beoordeling van de vrees welke door de gestelde politieke overtuiging gemotiveerde en aannemelijk bevonden activiteiten de vreemdeling bij terugkeer zou willen verrichten of hoe de vreemdeling anderszins zijn opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn.

De omstandigheid dat de vreemdeling in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze uiting kan geven aan zijn politieke overtuiging als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw.

De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning in ieder geval mee:

  1. de sterkte van de politieke overtuiging van de vreemdeling;

  2. de wijze waarop hij uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging, ongeacht of die activiteiten in zijn land van herkomst, in Nederland of elders hebben plaatsgevonden, en of aannemelijk is dat de vreemdeling ook na terugkeer uiting gaat of blijft geven aan zijn politieke overtuiging; en

  3. of de vreemdeling eerder problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten al dan niet vanwege zijn politieke overtuiging;

De IND beoordeelt, ook als er geen sprake is van een politieke overtuiging, of de door de vreemdeling in zijn land van herkomst, Nederland of elders verrichte politieke activiteiten of uitingen bij de autoriteiten bekend zijn geraakt of zullen geraken en daarmee vanwege een toegedichte politieke overtuiging voldoende aanleiding vormen om gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer aan te nemen.

Artikel 3.2.6

Discriminatie (in de zin van artikel 9 Kwalificatieverordening)

De IND merkt discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging in de zin van artikel 9 Kwalificatieverordening, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.

Discriminatie van de vreemdeling in het land van herkomst kan leiden tot uitsluiting van medische zorg. De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 eerste lid, Vw, op grond van uitsluiting van medische zorg, aan de vreemdeling die voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  1. de vreemdeling zal bij terugkeer naar het land van herkomst geheel of gedeeltelijke uitsluiting van medische zorg ondervinden;

  2. de vreemdeling zal als gevolg van de uitsluiting van de medische zorg ernstige medische consequenties ondervinden; en

  3. de uitsluiting van medische zorg vindt plaats op basis van één van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening.

De IND beoordeelt de vraag of sprake is van ernstige medische consequenties aan de hand van de criteria in hoofdstuk B8 Vc. De IND betrekt bij de vraag of sprake is van uitsluiting van medische zorg op basis van één van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening:

  1. de omstandigheid dat de vreemdeling geen toegang heeft tot de medische zorg om andere redenen dan uitsluiting vanwege discriminatie; of

  2. de beschikbaarheid van de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst.

Artikel 3.2.7

Vervolging wegens dienstweigering of desertie (in de zin van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening)

Als de vreemdeling stelt te vrezen te hebben voor vervolging wegens dienstweigering of desertie toetst de IND eerst of de vreemdeling dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd omdat hij vreesde anders te moeten deelnemen aan oorlogsmisdrijven (zie artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening). Pas als daarvan geen sprake is, toetst de IND of dienstweigering of desertie leidt tot onevenredige of discriminatoire bestraffing dan wel of deze voortkomt uit onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienst of andere diepgewortelde overtuiging. Het feit dat die vreemdeling weigert zijn militaire dienst te vervullen of is gedeserteerd en in verband hiermee bestraft wordt met een gevangenisstraf of ontslag uit het leger, is voor de IND op zichzelf onvoldoende om als daad van vervolging aan te merken.

De IND verleent, onder toepassing van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening en overeenkomstig vorenstaande, een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan de vreemdeling die zich beroept op dienstweigering of desertie, als de vreemdeling voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden:

  1. De vreemdeling heeft, overeenkomstig artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening aannemelijk gemaakt te vrezen voor vervolging of bestraffing wegens dienstweigering tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst het plegen van strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsclausule van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (artikel 12, tweede tot en met vijfde lid, Kwalificatieverordening) vallen. De IND betrekt bij de beoordeling van de aannemelijkheid alle omstandigheden van het geval, met name de situatie in het land van herkomst op het betreffende moment en de persoonlijke situatie van de vreemdeling. De IND hanteert hierbij de volgende drie cumulatieve voorwaarden:

    1. De vreemdeling dient aannemelijk te maken dat sprake is van een gewapend conflict waarbij oorlogsmisdrijven worden begaan dan wel de kans zeer groot is dat dergelijke misdrijven worden begaan. De vreemdeling onderbouwt dit met concrete informatie over de gepleegde oorlogsmisdrijven. Is deze informatie er niet, dan neemt de IND in beginsel aan dat de kans groot is dat oorlogsmisdrijven worden gepleegd als de internationale gemeenschap een gewapend conflict heeft veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag of als strijdig met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Ditzelfde geldt als door de bevoegde internationale rechtsprekende instanties (International Criminal Court, VN-tribunalen) uitspraken zijn gedaan over schendingen van fundamentele normen begaan tijdens het conflict. De vreemdeling heeft een zwaardere bewijslast om aannemelijk te maken dat er oorlogsmisdrijven worden gepleegd tijdens het gewapend conflict als het land van herkomst de betreffende militaire acties uitvoert krachtens een mandaat van de VN dan wel op basis van internationale consensus. Dan vindt de IND in beginsel niet aannemelijk dat het land van herkomst oorlogsmisdrijven pleegt dan wel dat de kans daarop groot is. De vreemdeling heeft ook een zwaardere bewijslast om aannemelijk te maken dat er oorlogsmisdrijven worden gepleegd tijdens het gewapend conflict als de autoriteiten in het land van herkomst oorlogsmisdrijven, gepleegd door eigen legeronderdelen, niet aanvaardbaar vinden en deze actief (strafrechtelijk) vervolgen.

    2. De vreemdeling moet behoren tot het militaire personeel, met inbegrip van het logistieke of ondersteunende personeel. Hij dient aannemelijk te maken dat hij een functie en taken had of deze zou moeten vervullen, waardoor hij direct deelneemt aan deze oorlogsmisdrijven dan wel onontbeerlijke ondersteuning zou (moeten) bieden aan de voorbereiding of uitvoering van deze oorlogsmisdrijven. De IND betrekt de schaal waarop oorlogsmisdrijven worden begaan bij de vraag of het aannemelijk is dat de vreemdeling zich daaraan schuldig zal maken als een vreemdeling is opgeroepen voor het verrichten van militaire dienst, maar nog niet weet wat zijn taken zullen zijn. Daarnaast beoordeelt de IND in dit licht wat de persoonlijke betrokkenheid van de vreemdeling bij het begaan van oorlogsmisdrijven zal zijn.

    3. De vreemdeling dient aannemelijk te maken dat dienstweigering (of desertie) in zijn situatie het enige middel is om deelname aan oorlogsmisdrijven te voorkomen. De vreemdeling kan bescherming op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening niet inroepen, als hij een ander middel daartoe heeft. Als de vreemdeling binnen het leger de mogelijkheid heeft om op grond van gewetensbezwaren vrijgesteld te worden, en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, kan hij dus geen beroep doen op bescherming op grond van deze bepaling. Hierbij betrekt de IND ook of de vreemdeling vrijwillig in dienst is getreden en of hij zijn dienst heeft verlengd. Hierbij houdt de IND rekening met de situatie, zoals deze op het moment van vrijwillige dienstneming of verlenging van de dienstneming bestond. De IND betrekt dus in hoeverre het de vreemdeling toen al duidelijk was of had moeten zijn dat sprake was van een gewapend conflict, waarbij oorlogsmisdrijven werden gepleegd en hij door die vrijwillige dienstneming daar deel aan zou gaan nemen.

  2. De vreemdeling heeft een gegronde vrees voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing, tenuitvoerlegging van de straf, of een andere discriminatoire behandeling vanwege zijn dienstweigering of desertie op basis van een van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening. Voor deze categorie geldt dat het gewone beleid van toepassing is, zoals hierboven in deze paragraaf uiteengezet is. De IND beoordeelt in zo’n geval de ernst van de behandeling, waarvoor de vreemdeling te vrezen heeft op grond van de dienstweigering of desertie (zie artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b en c, Kwalificatieverordening).

  3. De vreemdeling heeft ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging, die geleid hebben tot zijn dienstweigering of desertie, terwijl er voor de vreemdeling geen mogelijkheid bestond om ter vervanging van zijn militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen. Er is bovendien een reële kans dat het niet vervullen van de militaire dienstplicht leidt tot oplegging van een onevenredige zware (straf)maatregel of tot oplegging van een samenstel van verschillende maatregelen, die in samenhang kunnen worden aangemerkt als een onevenredige bestraffing. Dit geldt ook als de vreemdeling gegronde vrees heeft in een conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie.

Artikel 3.2.8

Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als Verdragsvluchteling

De IND toetst alle aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel individueel en op basis van het toepasselijke asielbeleid, ook als de vreemdeling eerder door de UNHCR op individuele gronden is erkend als Verdragsvluchteling.

De IND geeft de vreemdeling gelegenheid om informatie inzake de UNHCR erkenning gedurende de procedure in te brengen en betrekt deze informatie kenbaar bij de besluitvorming.

Artikel 3.2.9

Commune delicten

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, of artikel 29a, eerste lid, Vw, indien alle volgende voorwaarden van toepassing zijn:

  1. de vreemdeling vreest bestraffing in zijn land van herkomst vanwege een commuun delict;

  2. de vrees voor bestraffing vanwege een commuun delict vormt de enige grondslag van de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel.

Een commuun delict is een delict dat niet kan worden herleid tot één van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening, en zonder dat daarbij sprake is van een onevenredige of discriminatoire maatregel vanwege een van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening.

Het commune delict dient wel betrokken te worden bij de inhoudelijke beoordeling en de vraag of sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Zie hiervoor paragraaf C4/3.6 Vc.

Artikel 3.3.1

Ernstige schade als bedoeld in artikel 15 Kwalificatieverordening

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw als bij de verwijdering van de vreemdeling uit Nederland sprake is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 Kwalificatieverordening.

Het reëel risico op ernstige schade kan aanwezig zijn op het moment van het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst, maar kan ook ontstaan na vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst (zie artikel 5 Kwalificatieverordening en paragraaf C3/3.1.4 Vc).

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw, als artikel 17 Kwalificatieverordening van toepassing is.

In artikel 15 Kwalificatieverordening staat opgenomen, waar ernstige schade uit kan bestaan, namelijk:

  1. doodstraf of executie;

  2. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

  3. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Bij de beoordeling is het van belang dat eerst gekeken wordt naar alle relevante elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en de algemene situatie in het land van herkomst, voordat wordt vastgesteld of het risico onder artikel 15, aanhef en onder a, b of c Kwalificatieverordening valt.

Voor het vaststellen van een reëel risico op ernstige schade op grond van artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening is een volledig individuele beoordeling vereist. Landeninformatie kan aanleiding geven om ten aanzien van een groep systematische blootstelling aan te nemen dan wel om groepen aan te merken als een risicoprofiel zoals in paragraaf C3/2.4 Vc is opgenomen.

Voor wat betreft het individualiseringsvereiste bij artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening wordt verwezen naar paragraaf C3/3.3.3 Vc.

In paragraaf C3/3.3.2 Vc staat ernstige schade beschreven als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening. Daaronder staan beschreven de onderwerpen:

  1. systematische blootstelling (paragraaf C3/3.3.2.1 Vc);

  2. medische omstandigheden (paragraaf C3/3.3.2.2 Vc); en

  3. terugkeerbeletsel (paragraaf C3/3.3.2.3 Vc).

In paragraaf C3/3.3.3 Vc staat ernstige schade beschreven als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening.

Artikel 3.3.2.1

Systematische blootstelling

Als de vreemdeling behoort tot een groep die systematisch blootgesteld wordt aan een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het aannemelijk maken van het behoren tot de groep. Bij systematische blootstelling moet sprake zijn van gericht geweld tegen de betreffende groep.

De minister beoordeelt op grond van de situatie in een land van herkomst of sprake is van systematische blootstelling aan ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening. In het landgebonden beleid kan worden opgenomen of er in een bepaald land ten aanzien van een groep sprake is van systematische blootstelling.

Artikel 3.3.2.2

Medische omstandigheden

Uitzetting van de vreemdeling kan in verband met de medische situatie onder bijzondere omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 EVRM. De IND toetst of sprake is van schending van artikel 3 EVRM vanwege medische redenen in het kader van de ambtshalve toets of uitstel van vertrek verleend moet worden op grond van artikel 64 Vw.

Er zal in deze situatie geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, Vw verleend worden. Indien er geen ambtshalve toets plaatsvindt, maar het asielbesluit ook als terugkeerbesluit moet worden aangemerkt, toetst de IND – in het kader van dat terugkeerbesluit – eveneens of er sprake is van schending van artikel 3 EVRM vanwege medische redenen.

Artikel 3.3.2.3

Terugkeerbeletsel

Als de IND een aanvraag om verblijfsvergunning asiel afwijst of een verblijfsvergunning asiel intrekt, kan er sprake zijn van een terugkeerbeletsel. De IND beoordeelt in de regel of sprake is van een situatie waarbij de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst:

  1. risico loopt op vervolging, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, Vw of;

  2. reëel risico loopt op ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 29a, eerste lid, Vw.

Als artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is (artikel 12, tweede tot en met vijfde lid, Kwalificatieverordening) zal niet worden beoordeeld of er sprake is van risico op vervolging.

Als sprake is van één van bovengenoemde situaties of als er sprake is van schending van artikel 3 EVRM vanwege medische redenen en er is geen ander land waarnaar de vreemdeling kan terugkeren, neemt de IND geen terugkeerbesluit. De IND neemt dan in het besluit op dat de vreemdeling zelfstandig uit Nederland moet vertrekken, maar niet zal worden uitgezet naar het land van herkomst. De IND noemt in het besluit geen uiterste vertrektermijn.

Als vanwege een terugkeerbeletsel geen terugkeerbesluit en daarmee geen inreisverbod kan worden gegeven, beoordeelt de IND of een besluit tot signalering kan worden opgelegd. In paragraaf A4/4 Vc staan de voorwaarden vermeld om wegens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid een besluit tot signalering op te leggen.

Als op een later moment wordt vastgesteld dat de vreemdeling niet langer te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade of dat artikel 3 EVRM zich niet meer verzet tegen uitzetting van de vreemdeling, neemt de IND een terugkeerbesluit en legt, als dat aan de orde is, een besluit tot signalering, een ongewenstverklaring en/of inreisverbod op. De IND maakt dit besluit kenbaar aan de vreemdeling. Hiertegen kan de vreemdeling rechtsmiddelen aanwenden.

Artikel 3.3.3.1

Algemeen

De IND kan een verblijfsvergunning asiel verlenen op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw als sprake is van een reëel risico op ernstige schade vanwege artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening.

Artikel 3.3.3.2

Internationaal of binnenlands gewapend conflict en willekeurig geweld

De minister kan op basis van de beschikbare landeninformatie vaststellen of in een bepaald land of gebied sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Er is sprake van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, als de reguliere strijdkrachten van een staat tegenover een of meer gewapende groepen staan of wanneer twee of meer gewapende groepen tegenover elkaar staan.

Als de minister heeft vastgesteld dat er sprake is van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, stelt de minister op basis van de beschikbare landeninformatie vast of dit conflict leidt tot willekeurig geweld en als er sprake is van willekeurig geweld op welke schaal dit willekeurig geweld plaatsvindt.

Bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, worden in ieder geval de volgende elementen globaal in samenhang gewogen:

  1. de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;

  2. de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;

  3. de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;

  4. de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;

  5. de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten; en

  6. de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.

Andere (belangrijke) indicatoren die erop wijzen dat willekeurig geweld als gevolg van het gewapend conflict resulteert in ernstige en individuele bedreigingen tegen burgers, kunnen worden betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op ernstige schade.

Humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict moeten als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling worden betrokken. Slechte humanitaire omstandigheden als gevolg van het klimaat en natuurlijke fenomenen, zoals droogte en overstromingen, zijn in dit kader niet relevant.

Artikel 3.3.3.3

Gradaties van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict

De minister kan bij zijn beoordeling gradaties van willekeurig geweld vaststellen:

  1. uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;

  2. relatief hoger niveau van willekeurig geweld; of

  3. relatief lager niveau van willekeurig geweld.

Los van deze gradaties bestaat de situatie, waarin er geen beoordeling in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening plaatsvindt, omdat er geen gewapend conflict is of er geen willekeurig geweld is als gevolg van een gewapend conflict. In dat geval kan de vreemdeling alleen daarom al niet op deze grond in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29a, eerste lid Vw.

Ad a. Uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld

Er is sprake van een uitzonderlijke mate van willekeurig geweld als de algehele geweldssituatie in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in het land van herkomst of in een bepaald gebied in dit land zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. Het individualiseringsvereiste van de vreemdeling beperkt zich in deze gevallen tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld.

Ad b en c Relatief hoger niveau en relatief lager niveau van willekeurig geweld

Als er is sprake van een relatief hoger niveau of een relatief lager niveau van willekeurig geweld, dan is de enkele aanwezigheid van de vreemdeling in het betreffende gebied op zichzelf niet meer voldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.

De vreemdeling moet in dat geval aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat:

  1. deze omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld; en

  2. juist de vreemdeling specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Deze omstandigheden kunnen met name zien op het privé, beroeps- of familieleven. Dit betekent overigens niet dat alleen al door de aanwezigheid van risico verhogende factoren een reëel risico op ernstige schade aannemelijk is.

Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is, zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen. Bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld, zullen de door de vreemdeling naar voren gebrachte risico verhogende omstandigheden daarom meer gewicht moeten hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen.

Nadat een vreemdeling zijn persoonlijke kenmerken en individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht en waar nodig aannemelijk heeft gemaakt, beoordeelt de IND die omstandigheden in het licht van de veiligheidssituatie in het gebied waar de vreemdeling vandaan komt.

Dat betekent dat pas na het naar voren brengen door de vreemdeling van de relevante elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en de algemene situatie in het land van herkomst, door de IND wordt vastgesteld dat het risico mogelijk onder artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening valt.

Daarbij maakt de IND een gemotiveerde beoordeling en betrekt of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de relevante elementen ook daadwerkelijk zorgen voor een verhoogd risico op ernstige schade én dat juist de vreemdeling als gevolg van deze omstandigheden een reëel risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Bij de beoordeling van het risico bij terugkeer kan de IND, afhankelijk van het individuele geval, meewegen of de vreemdeling bij terugkeer schade kan ontlopen.

Hulpmiddel

De hiervoor geschetste gradaties zijn enkel bedoeld als indicatief hulpmiddel voor de IND. Deze gradaties geven in grote lijnen aan, hoe de situatie van willekeurig geweld in een (deel van een) land van herkomst wordt ingeschat. Het voor de diverse landen beleidsmatig vaststellen van de gradatie van het geweld heeft daarmee ten doel er voor te zorgen dat de IND op uniforme wijze het in een land heersende geweldsniveau bij de beoordeling betrekt. Bij die beoordeling staan echter de door de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden voorop bij de vraag of aannemelijk is gemaakt dat die omstandigheden het risico verhogen slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Eerder ondervonden ernstige schade

Daarnaast moet de IND meewegen dat de vreemdeling vóór zijn vertrek uit zijn land eerder al geweld heeft ondervonden (zie ook artikel 4, vierde lid, Kwalificatieverordening). Daarbij doet het niet ter zake of het eerder ondervonden geweld het gevolg was van willekeurig geweld of van gericht geweld. De IND beoordeelt in dit verband of het eerder ondervonden geweld in combinatie met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling en in het licht van de veiligheidssituatie, tot een verhoogd risico op willekeurig geweld kan leiden.

Landenbeleid

In het landgebonden beleid in hoofdstuk C10 Vc kan worden vastgesteld of een van de gradaties aan de orde is in het betreffende land of gebied.

Artikel 3.4.1.1

Bescherming door autoriteiten

Artikel 7 Kwalificatieverordening beschrijft wat wordt verstaan onder actoren van bescherming. De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw, als actoren van bescherming aan de vreemdeling bescherming kunnen en willen bieden.

De IND gaat ervan uit dat bescherming van de vreemdeling door de autoriteiten in het land van herkomst zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening niet mogelijk is, als de dreiging voor de vreemdeling afkomstig is van de autoriteiten in het land van herkomst. Er zijn twee uitzonderingen op deze hoofdregel:

  1. de dreiging voor de vreemdeling is afkomstig van een persoon of een groep die onderdeel uitmaakt van de autoriteiten, maar een meerdere van die persoon of groep kan en wil tegen de persoon of groep die de dreiging veroorzaakt optreden. In dat geval moet de vreemdeling de bescherming van die meerdere zoeken; of

  2. de dreiging voor de vreemdeling is afkomstig van lokale autoriteiten, maar de centrale autoriteiten willen en kunnen bescherming bieden. In dat geval verwacht de IND dat de vreemdeling bescherming zoekt bij de centrale autoriteit.

In beide uitzonderingssituaties constateert de IND dat bescherming van de vreemdeling door de autoriteiten in het land van herkomst mogelijk is.

Artikel 3.4.1.2

Bescherming door stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties

De IND beschouwt in ieder geval de volgende organisaties als stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties, waaronder inbegrepen internationale organisaties in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening:

  1. VN; en

  2. NAVO.

Artikel 3.4.1.3

Bescherming doeltreffend en niet-tijdelijk van aard (artikel 7, tweede lid, Kwalificatieverordening)

De IND beschouwt de bescherming van de vreemdeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, Kwalificatieverordening in ieder geval van niet-tijdelijke aard, als er geen concrete aanwijzingen zijn dat de doeltreffende bescherming van de vreemdeling tegen vervolging of ernstige schade door de autoriteiten en/of stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties binnen de voorzienbare toekomst zal eindigen.

Artikel 7, tweede lid, Kwalificatieverordening geeft aan dat actoren van bescherming redelijke maatregelen moeten treffen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade. De actor van bescherming hoeft geen volledige en sluitende garantie te bieden tegen dreigende vervolging of ernstige schade. De vreemdeling moet toegang tot deze bescherming hebben.

Artikel 3.4.1.4

Bewijslast

De IND onderzoekt eerst of bescherming in zijn algemeenheid mogelijk is. De IND maakt hierbij gebruik van algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst (zie ook artikel 7, tweede en derde lid, Kwalificatieverordening).

Als de IND heeft vastgesteld dat bescherming mogelijk is, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat een verzoek om bescherming bij de actoren van bescherming in zijn individuele geval bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk moet worden geacht. Als de vreemdeling dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

De IND betrekt bij de beoordeling of de actoren van bescherming in het land van herkomst in staat en bereid zijn effectieve bescherming te bieden in ieder geval:

  1. de individuele verklaringen van de vreemdeling, waaronder de verklaring dat geen bescherming wordt geboden;

  2. de omstandigheid dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij tevergeefs de bescherming van de actoren van bescherming heeft ingeroepen; en

  3. informatie over de algemene situatie in het land van herkomst aan de hand van ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties (zie ook artikel 7, tweede en derde lid, Kwalificatieverordening).

Artikel 3.4.2

Binnenlands beschermingsalternatief

Artikel 8 Kwalificatieverordening regelt wat wordt verstaan onder een binnenlands beschermingsalternatief.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a, Vw, als de IND tot de conclusie komt dat een binnenlands beschermingsalternatief als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Kwalificatieverordening voor de vreemdeling beschikbaar is.

Op grond van artikel 8, derde lid, Kwalificatieverordening komt de IND pas toe aan de vraag of sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief als vastgesteld is dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In dat geval moet de IND onderzoeken en aannemelijk maken dat een vreemdeling geen internationale bescherming nodig heeft vanwege het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief. In beginsel wordt een binnenlands beschermingsalternatief niet geacht te bestaan als de staat of staatsfunctionarissen de actoren van vervolging of ernstige schade zijn. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt als duidelijk vaststaat dat de bevoegdheid van de betreffende actor duidelijk beperkt is tot een specifiek geografisch gebied of wanneer de staat zelf slechts controle heeft over bepaalde delen van het land.

Als de IND tot de conclusie komt dat een binnenlands beschermingsalternatief beschikbaar is, dan krijgt de vreemdeling de mogelijkheid om bewijzen en elementen te overleggen, waaruit blijkt dat het binnenlands beschermingsalternatief voor hem niet beschikbaar is. Als de vreemdeling hier tijdens het gehoor niet op bevraagd is en niet de gelegenheid heeft gekregen bewijs over aan te leveren, zal de vreemdeling alsnog die mogelijkheid geboden moeten worden. De IND houdt bij de beslissing op het verzoek om internationale bescherming rekening met de door de vreemdeling overgelegde bewijzen en elementen.

Bij het onderzoek naar het bestaan van een binnenlandse beschermingsalternatief, beoordeelt de IND of de vreemdeling zich kan vestigen in een ander deel van het land, dan waar hij vervolging vreest of een reëel risico loopt op ernstig lijden.

Naast het vereiste dat de dreiging in een ander deel van het land niet mag bestaan, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere deel van het land geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Als het aannemelijk is dat de vreemdeling in het andere gebied ook heeft te vrezen voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29 of 29a Vw dan beoordeelt de IND of de vreemdeling bescherming kan inroepen tegen de dreiging in dat gebied (zie paragraaf C3/3.4.1 Vc).

Uit artikel 8, eerste lid, Kwalificatieverordening volgt dat de vreemdeling op een veilige en wettige manier moet kunnen reizen naar en zich toegang moet kunnen verschaffen tot het gebied waar hij wordt geacht binnenlandse bescherming in te kunnen roepen.

De bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen.

Bij de beoordeling van het bestaan van een beschermingsalternatief betrekt de IND in ieder geval:

  1. of de vreemdeling zich in het gebied kan vestigen en een leven kan leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken;

  2. of de vreemdeling in het betreffende gebied niet achtergesteld wordt in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking;

  3. of de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie;

  4. de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling wat betreft factoren zoals gezondheid, leeftijd, gender, inclusief genderidentiteit, seksuele gerichtheid, etnische afkomst en het behoren tot een nationale minderheid; en

  5. of de vreemdeling in zijn eigen basisbehoeften zou kunnen voorzien.

Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor de IND onvoldoende reden om geen binnenlands beschermingsalternatief tegen te werpen.

De IND beoordeelt gelet op artikel 8, vierde lid Kwalificatieverordening aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen of een binnenlands beschermingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is.

In het landgebonden asielbeleid kan de minister het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief op basis van de beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen met inachtneming van de genoemde voorwaarden van tevoren vaststellen dan wel uitsluiten.

Artikel 4.2.1

Medewerkingsverplichting

De vreemdeling moet zijn asielrelaas aannemelijk maken. De stelplicht en bewijslast liggen bij de vreemdeling. Dat betekent dat van de vreemdeling wordt verwacht dat hij alle relevante elementen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Kwalificatieverordening, die onder andere betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en de asielmotieven zo snel mogelijk naar voren brengt, te weten:

  1. alle relevante documentatie die in het bezit is van de vreemdeling; en

  2. de eigen verklaringen (van de vreemdeling), zoals afgelegd tijdens gehoren en/of schriftelijk ingebracht.

De vreemdeling heeft op grond van artikel 4, eerste lid, Kwalificatieverordening de verplichting volledige medewerking te verlenen aan de IND en andere bevoegde autoriteiten. Het is daarbij aan de vreemdeling om, voor zover redelijk, alle relevante feiten en omstandigheden en de daarmee samenhangende bewijsstukken zo snel mogelijk naar voren te brengen.

De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld zijn relaas met zijn verklaringen aannemelijk te maken. De IND moet vervolgens de door de vreemdeling verstrekte verzamelde feiten en omstandigheden beoordelen. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid houdt de IND rekening met de individuele situatie en omstandigheden van de verzoeker, zoals bijvoorbeeld achtergrond en geslacht van de vreemdeling (het referentiekader).

Artikel 4.2.2.1

Algemeen

Om het asielverzoek te beoordelen, moet eerst alle relevante informatie verzameld worden. Dit houdt in dat de relevante elementen worden geïdentificeerd en het asielmotief wordt vastgesteld.

Relevante elementen bestaan volgens artikel 4, tweede lid, Kwalificatieverordening uit:

  1. de verklaringen van de verzoeker; en

  2. alle documentatie over zijn:

    1. reden(en) voor het asielverzoek;

    2. leeftijd;

    3. achtergrond (ook die van relevante en andere familieleden);

    4. identiteit;

    5. nationaliteit(en);

    6. land(en) en plaats(en) van eerder verblijf;

    7. eerdere asielverzoeken;

    8. resultaten van een op de verzoeker betrekking hebbende eventuele hervestigingsprocedure of procedure voor toelating op humanitaire gronden zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2024/1350;

    9. reisroutes; en

    10. reisdocumenten.

Daarnaast betrekt de IND op grond van artikel 34, tweede lid, Procedureverordening daar waar nodig relevante, nauwkeurige en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst en eerste landen van asiel of veilig derde landen, de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de vraag of de vreemdeling na zijn vertrek uit het land van herkomst activiteiten heeft verricht uitsluitend of hoofdzakelijk om een verzoek om internationale bescherming in te dienen en de gevolgen daarvan bij terugkeer, de vraag of in redelijkheid kan worden verlangd dat de vreemdeling de bescherming van een ander land inroept waar hij zich op staatsburgerschap zou kunnen beroepen en wie de actoren van vervolging zijn en of een binnenlands beschermingsalternatief van toepassing is. Tenslotte betrekt de IND informatie met betrekking tot de openbare orde en nationale veiligheid bij de beoordeling. Zie paragraaf C4/3.6 Vc

Artikel 4.2.2.2

Bewijsmaterialen

Bij de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel betrekt de IND alle documenten die zien op de volgende onderdelen:

  1. identiteit;

  2. nationaliteit;

  3. herkomst;

  4. reisroute; en

  5. asielmotief van de vreemdeling.

De IND acht al deze bewijsmaterialen in beginsel relevant voor het beoordelen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.

Identiteit

Een document met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling moet in ieder geval de volgende elementen bevatten:

  1. een goedgelijkende pasfoto;

  2. de geboorteplaats van de vreemdeling; en

  3. de geboortedatum van de vreemdeling.

Een identiteitsdocument kan alleen de identiteit onderbouwen als het authentiek is en op officiële wijze is afgegeven door de bevoegde autoriteiten en in het land van herkomst wordt erkend als identiteitsdocument. Daarnaast is van belang dat het een officieel identiteitsdocument betreft dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten wordt gebruikt om de identiteit aan te tonen.

Is er geen sprake van een authentiek identiteitsdocument, dan weegt de IND de verklaringen van de vreemdeling, andere overgelegde documenten en of de verklaringen van de vreemdeling passen in al datgene wat bij de IND bekend is over de situatie in het land van herkomst, mee.

Nationaliteit

Als documenten met betrekking tot de nationaliteit van de vreemdeling gelden in ieder geval:

  1. een paspoort; of

  2. een ander door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling uitgegeven document met pasfoto (waarop de vreemdeling herkenbaar is) waarin staat aangegeven dat de vreemdeling de nationaliteit van het betreffende land bezit.

Daarnaast is van belang dat het een officieel nationaliteitsdocument betreft dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten wordt gebruikt om de nationaliteit aan te tonen.

Reisroute

Als documenten die de reisroute onderbouwen gelden in ieder geval:

  1. documenten waarvan de vreemdeling zich bediend heeft bij grenscontroles tijdens de reis naar Nederland; en

  2. alle andere bewijsmiddelen op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de vreemdeling heeft gevolgd.

Dit zijn alle bewijsmaterialen die gelden als bewijsmiddelen of indirecte bewijzen in de zin van de Asiel- en Migratiebeheerverordening en Verordening (EG) nr.1560/2003/EG.

Asielmotief

Onder bewijsmaterialen met betrekking tot het asielmotief verstaat de IND bewijsmaterialen die de verklaringen van de vreemdeling onderbouwen.

Artikel 4.2.2.3

Deskundigenberichten over de situatie in het land van herkomst

Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is voor de IND een deskundigenbericht en dus een gewichtige bron van informatie over de situatie in het land van herkomst. De IND kan ook informatie uit andere objectieve bronnen gebruiken voor een oordeel over de situatie in het land van herkomst.

De IND merkt informatie uit andere bronnen en onderzoek door derden aan als deskundigenbericht als op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke manier informatie wordt verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend.

Het gewicht dat aan de bron of het onderzoek door derden moet worden gegeven, wordt tevens bepaald door het gezag en reputatie van de opsteller van het rapport, de consistentie van de conclusies en evt. bevestigingen door andere bronnen. Ook komt betekenis toe aan de aanwezigheid van de opsteller van het rapport in het betreffende land van herkomst en de mogelijkheden die de opsteller heeft om aldaar onderzoek te doen.

De IND gaat uit van de juistheid van een deskundigenbericht, tenzij de IND concrete aanknopingspunten heeft voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.

De IND stelt nader onderzoek in of laat nader onderzoek instellen om de concrete aanknopingspunten voor de twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht te bevestigen of te ontkrachten.

Als de concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht door nader onderzoek bevestigd zijn, betrekt de IND deze informatie bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling.

De IND beschouwt in ieder geval niet als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht:

  1. een ongemotiveerde of niet nader toegelichte verklaring van de vreemdeling; of

  2. een enkel beroep door de vreemdeling op een bron waarnaar in het deskundigenonderzoek niet wordt verwezen, terwijl die bron niet van zodanige strekking en gewicht is dat deze twijfel oproept over de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.

Artikel 4.2.3

Vaststelling van het asielmotief

Een asielmotief is een onderwerp of verhaallijn in het asielrelaas van een vreemdeling dat verband houdt met of relevant is bij de beoordeling of iemand te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Hieronder vallen de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. De IND beoordeelt enkel de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de gestelde vervolging door autoriteiten of derden, of de feiten en omstandigheden in het verhaal die kunnen wijzen op ernstige schade. De IND betrekt daarom alleen de verklaringen en bewijsmaterialen die hiermee verband houden (zowel in het voordeel als in het nadeel).

Feiten en omstandigheden kunnen zien op gebeurtenissen en op gedragingen. De aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen zich in het land van herkomst al voor het vertrek hebben voorgedaan, maar ook na het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst. Onder gestelde gebeurtenissen worden ook de ‘veronderstellingen’ van de vreemdeling verstaan. Onder ‘veronderstellingen’ verstaat de IND aannames van de vreemdeling die deel uitmaken van de door hem gestelde gebeurtenissen in het verleden.

Een asielaanvraag kan gebaseerd zijn op meerdere asielmotieven die los van elkaar staan. Het is echter ook mogelijk dat deze asielmotieven tot op zekere hoogte op elkaar doorwerken of met elkaar samenhangen.

De IND houdt bij het vaststellen van het asielmotief zoveel mogelijk vast aan de door de vreemdeling gestelde persoonlijke gegevens en de door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen. Als de vreemdeling een motief tijdens het gehoor niet naar voren heeft gebracht en pas later in de procedure aanvoert, dan moet hij goede redenen aandragen, waarom hij dit niet eerder naar voren heeft gebracht. Als de redenen die hij aandraagt niet verschoonbaar zijn, dan wordt dit asielmotief in beginsel ongeloofwaardig geacht.

Artikel 4.3.1

Het onderzoek naar bewijsmateriaal

De IND onderzoekt eerst of de vreemdeling het asielmotief voldoende heeft onderbouwd met bewijsmateriaal. Het gaat hierbij vooral om objectieve documenten/bewijsmiddelen, die authentiek zijn en waarvan de echtheid kan worden vastgesteld en die bevestigen wat de vreemdeling heeft verklaard. Ook kan het gaan om objectieve, openbare bronnen die de verklaringen van de vreemdeling bevestigen, voor zover de vreemdeling daarin persoonlijk wordt genoemd.

Als blijkt dat de objectieve bewijsmaterialen kunnen worden geaccepteerd als volledige onderbouwing van het asielmotief en er geen sprake is van contra-indicaties, dan heeft de vreemdeling het asielmotief aannemelijk gemaakt en kan het asielmotief waarop deze bewijsmaterialen zien geloofwaardig worden geacht.

Als de vreemdeling een asielmotief niet of onvoldoende heeft onderbouwd met bewijsmateriaal, dan past de IND de geloofwaardigheidstoets als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening toe. Op deze manier houdt de IND rekening met de omstandigheid dat van een vreemdeling niet altijd verwacht kan worden dat hij zijn asielmotief volledig met bewijsmateriaal staaft.

Artikel 4.3.2

Geen of onvoldoende onderbouwing asielmotief met bewijsmaterialen

Als de vreemdeling een of meer specifieke aspecten van zijn asielmotief niet of onvoldoende heeft onderbouwd met documenten of ander bewijsmateriaal, dan kan de IND de feiten en omstandigheden die aan het asielmotief ten grondslag zijn gelegd (alsnog) als geloofwaardig aanmerken zonder aanvullend bewijsmateriaal met betrekking tot deze specifieke aspecten te verlangen, als de vreemdeling voldoet aan de volgende vier – cumulatief geformuleerde – voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening:

  1. de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening);

  2. alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening);

  3. de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening); en

  4. vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, onder andere rekening houdend met het moment waarop de vreemdeling om internationale bescherming heeft verzocht (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening).

Als de IND de vreemdeling heeft verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te overleggen waarover de vreemdeling beschikt of waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij het kan verkrijgen en de vreemdeling heeft zonder verschoonbare redenen niet aan dit verzoek voldaan, dan kan de IND de aldus niet onderbouwde verklaringen als ongeloofwaardig beschouwen.

Artikel 4.3.2.1

Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening

Bij het leveren van oprechte inspanning om zijn aanvraag te staven is onder andere van belang dat de vreemdeling zo volledig mogelijk heeft verklaard, de gestelde vragen naar beste kunnen heeft beantwoord en anderszins zo goed mogelijk heeft meegewerkt aan het vaststellen van de relevante feiten en/of omstandigheden, die ten grondslag liggen aan zijn asielmotief.

Artikel 4.3.2.2

Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening

Met het overleggen van alle relevante elementen worden alle documenten en bewijsmaterialen ter staving van de verschillende relevante feiten en/of omstandigheden bedoeld. Wanneer bepaalde van deze bewijsmaterialen ontbreken, dan wordt de vreemdeling in de gelegenheid gebracht te verklaren waarom hij deze bewijsmaterialen niet heeft. De IND beoordeelt vervolgens of de verklaring bevredigend is. De vraag of de verklaringen van de vreemdeling over het ontbreken van bewijsmateriaal bevredigend zijn, betreft een individuele toets.

Dit betekent dat tijdens het gehoor gevraagd moet worden naar bewijsmaterialen ter onderbouwing van de relevante feiten en/of omstandigheden. Verwacht mag worden dat een vreemdeling die hier asiel aanvraagt zijn asielrelaas met bewijsmaterialen onderbouwt. De verklaring van de vreemdeling dat hij zijn bewijsmaterialen ter staving van zijn asielmotief onderweg is kwijtgeraakt/niet goed heeft bewaard, wordt door de IND op zichzelf niet gezien als een bevredigende verklaring voor het ontbreken van bewijsmaterialen.

Artikel 4.3.2.3

Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening

Bij de vraag of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag, geeft de IND een oordeel aan de hand van alles wat de vreemdeling zelf heeft aangedragen, en van alles wat te toetsen is aan de hand van andere bronnen. De IND beoordeelt kenbaar of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie. Deze beoordeling wordt op objectieve, gestructureerde en transparante wijze uitgevoerd. Hierbij kan de IND onder andere betrekken:

  1. de mate waarin verklaringen gedetailleerd en specifiek zijn;

  2. de interne consistentie van de verklaringen;

  3. consistentie met informatie van andere, door de vreemdeling genoemde, getuigen; en

  4. consistentie met beschikbare (landen)informatie.

Tegenstrijdigheden tussen informatie verkregen tijdens OVA en gehoor kunnen hierbij niet zonder meer aan de vreemdeling worden tegengeworpen. De vreemdeling moet in ieder geval in de gelegenheid worden gesteld uitleg te geven over de belangrijkste tegenstrijdigheden. Als de vreemdeling geen goede verklaring kan geven ten aanzien van de tegenstrijdigheid, dan betrekt de IND dit in de beoordeling van het asielmotief.

Komt de vreemdeling in de correcties en aanvullingen terug op eerdere verklaringen, dan mag van hem een deugdelijke verklaring worden verwacht waarom hij daarop terugkomt. Als hij zijn verklaringen aanvult of corrigeert, dan zal hij afdoende moeten verklaren waarom volgens hem het rapport van gehoor niet klopt of onvolledig is.

In bepaalde gevallen kan de door de vreemdeling verstrekte informatie dusdanig innerlijk tegenstrijdig zijn, dat dit het gehele asielmotief aantast. Dit kan zover gaan dat sprake is van ‘verstrekken onjuiste gegevens’.

De door de vreemdeling afgelegde verklaringen worden, tezamen en in onderling verband met het bewijsmateriaal dat niet voldoet aan de in paragraaf C3/4.3.1 Vc genoemde voorwaarden, beoordeeld.

Tot slot kunnen ook resultaten van onderzoek worden betrokken. Dit kan onder meer zien op documentenonderzoek, taalanalyse en informatie over de situatie in een land van herkomst.

Artikel 4.3.2.4

Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening

Op de vraag of vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, vallen feiten en/of omstandigheden die raken aan de algemene geloofwaardigheid van de vreemdeling. Deze feiten en omstandigheden zien dus niet enkel op de vastgestelde feiten en/of omstandigheden die behoren tot het asielmotief. Als de vreemdeling in deze of een andere procedure verklaringen aflegt die dusdanig ongeloofwaardig zijn dat ze de geloofwaardigheid van de vreemdeling in zijn algemeenheid aantasten, kan de vreemdeling worden beschouwd als niet geloofwaardig in grote lijnen. Vaststellingen die zijn gedaan met betrekking tot de voorwaarden genoemd in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a tot en met c, Kwalificatieverordening kunnen van invloed zijn op de geloofwaardigheid in grote lijnen.

Omstandigheden die in ieder geval kunnen worden betrokken bij de beoordeling of de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, zijn:

  1. de vreemdeling heeft reeds eerder, onder een andere naam, een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland of in een andere lidstaat ingediend;

  2. de vreemdeling heeft ter staving van zijn aanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan volgehouden, dan wel een onvoldoende verklaring gegeven waarom hij dat heeft gedaan;

  3. de vreemdeling heeft ter staving van zijn aanvraag opzettelijk reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd die niet op hem betrekking hebben.

Ook als een vreemdeling in het kader van de AMBV-procedure in de nationale procedure is opgenomen en aantoonbaar onjuiste informatie heeft verstrekt of heeft achtergehouden (al dan niet in de andere lidstaat) betrekt de IND dit bij de beoordeling of een vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

Bij de beoordeling of vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, houdt de IND verder onder andere rekening met het moment waarop de verzoeker om internationale bescherming heeft verzocht.

Van een vreemdeling die verzoekt om internationale bescherming mag verlangd worden dat hij zo spoedig mogelijk dit verzoek indient. Hiervan is in beginsel sprake als het verzoek om internationale bescherming binnen 48 uur na binnenkomst is ingediend. Als dit niet binnen 48 uur is gebeurd, vraagt de IND naar de reden hiervan. Als de vreemdeling daar geen goede reden voor heeft, kan dit gevolgen hebben voor de conclusie of de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

Artikel 4.3.2.5

Eindconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling

Aan het eind van de beoordeling van de verschillende feiten en omstandigheden trekt de IND een conclusie ten aanzien van de geloofwaardigheid per asielmotief. Als het asielmotief onvoldoende is onderbouwd met bewijsmateriaal en de vreemdeling voldoet niet aan één of meerdere voorwaarden uit artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening, is het asielmotief niet geloofwaardig. De IND geeft gemotiveerd aan waarom het asielmotief niet geloofwaardig wordt geacht.

Artikel 4.5

Beoordeling van de zwaarwegendheid

Als de IND oordeelt dat de vermoedens van de vreemdeling over wat er met hem zal gebeuren bij terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk zijn, beoordeelt de IND of de gebeurtenissen die de vreemdeling verwacht, voldoende zwaarwegend zijn om te worden aangemerkt als een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29 Vw of artikel 29a Vw.

Artikel 2.4

Een internationaal strafgerecht heeft gezorgd voor veilige herplaatsing van de vreemdeling of neemt ondubbelzinnig maatregelen in die zin (artikel 38, eerste lid, aanhef en onder d, Procedureverordening)

Op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder d, Procedureverordening kan een aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als een internationaal strafgerecht heeft gezorgd voor veilige herplaatsing van de vreemdeling naar een lidstaat of een derde land of ondubbelzinnig maatregelen neemt in die zin, tenzij nieuwe relevante omstandigheden zijn ontstaan waarmee het strafhof of tribunaal geen rekening heeft gehouden of er geen juridische mogelijkheid bestond om omstandigheden die relevant zijn voor internationaal erkende mensenrechtennormen aan te voeren voor dat internationale strafgerecht.

Artikel 2.5

Aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel na ontvangst van een terugkeerbesluit (artikel 38, eerste lid, aanhef en onder e, Procedureverordening)

Op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder e, Procedureverordening kan een aanvraag worden afgewezen als niet-ontvankelijk als de vreemdeling asiel aanvraagt pas zeven dagen of later na ontvangst van een terugkeerbesluit. Het gaat in ieder geval om de situatie dat de vreemdeling:

  1. in het kader van het opleggen van een terugkeerbesluit erop is gewezen dat indien hij meent bij terugkeer iets te vrezen te hebben een asielwens kenbaar dient te maken binnen een periode van zeven werkdagen vanaf de datum van ontvangst van het terugkeerbesluit en hij hiervan geen gebruik heeft gemaakt;

  2. hij op de hoogte is gebracht van de gevolgen van het niet doen van een aanvraag binnen die termijn; en

  3. er sinds het verstrijken van de termijn van zeven werkdagen geen nieuwe relevante elementen naar voren zijn gekomen.

Artikel 3.3

Opzettelijke misleiding (artikel 42, eerste lid, onder c, Procedureverordening)

Onder misleiden wordt verstaan: de vreemdeling probeert in een gunstiger positie te komen door bewust informatie te verstrekken die aantoonbaar onjuist is of informatie achter te houden. Hij probeert als het ware de autoriteiten op het verkeerde been te zetten, om op die manier in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling moet in de gelegenheid zijn gesteld een geldige reden aan te voeren om de misleiding niet aan hem tegen te werpen.

Van misleiden is in ieder geval sprake indien:

  1. de vreemdeling valse of onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of reisroute of andere elementen die relevant zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag;

  2. de vreemdeling valse of vervalste identiteits-, reis- of nationaliteitsdocumenten heeft overgelegd en stelt dat deze echt zijn;

  3. er duidelijke gronden zijn dat de vreemdeling relevante informatie of documenten heeft achtergehouden dan wel zich te slechter trouw heeft ontdaan van deze documenten, zoals bijvoorbeeld een identiteitsdocument, reisdocumenten met uitreisstempels of inreisvisum;

  4. een andere identiteit of nationaliteit uit de systemen naar voren komt dan opgegeven bij de IND;

  5. er aanwijzingen zijn dat sprake is van vingermutilatie; of

  6. een taalanalyse uitwijst dat de vreemdeling niet uit te herleiden is tot de spraakgemeenschap uit de gestelde herkomstplaats.

Bij ‘identiteitsdocumenten’ moet het gaan om documenten die specifiek te herleiden zijn tot de betreffende vreemdeling, hetzij door middel van een pasfoto, hetzij door middel van biometrische gegevens.

De vreemdeling moet in de gelegenheid zijn gesteld een geldige reden aan te voeren om de misleiding niet aan hem tegen te werpen.

Ad c. ‘Te slechter trouw’ betekent dat de vreemdeling bewust en opzettelijk informatie heeft achtergehouden of vernietigd, met als doel daardoor in een gunstiger positie te komen.

‘Duidelijke gronden’ betekent dat de IND dit bedrog niet hoeft aan te tonen of bewijzen, maar dat er sprake moet zijn van een ‘aannemelijkheid’ dat de vreemdeling te slechter trouw heeft gehandeld. Die aannemelijkheid kan zien op twee onderdelen:

  1. er zijn aanwijzingen dat de vreemdeling een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of zich daarvan ontdaan; en

  2. er zijn duidelijke gronden dat de vreemdeling dat te slechter trouw heeft gedaan.

Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van dwang, dan is er geen sprake van te slechter trouw handelen.

De IND verklaart niet zonder meer een aanvraag kennelijk ongegrond wanneer identiteits- en/of nationaliteitsdocumenten (toerekenbaar) ontbreken. Er moet sprake zijn van een zekere mate van bewust en opzettelijk handelen.

In de volgende gevallen is wel sprake van het toerekenbaar ontbreken van documenten, maar niet zonder meer van ‘misleiden’ door documenten achter te houden, dan wel staat niet zonder meer vast dat dit te slechter trouw gebeurde:

  1. als de vreemdeling documenten in Nederland of in enig ander land waar hij veilig was verliest, zonder dat daarbij sprake is van een zekere opzettelijkheid; of

  2. als de vreemdeling verklaart dat de documenten zijn afgegeven aan de reisagent, zonder dat daarbij sprake is van een zekere opzettelijkheid.

De verklaringen van de vreemdeling omtrent het verlies dan wel de omstandigheden waaronder hij de documenten heeft afgegeven dienen geloofwaardig te zijn.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

Artikel 3.4

Verwijdering (uitzetting of overdracht) vertragen, verhinderen of voorkomen (artikel 42, eerste lid, onder d, Procedureverordening)

Bij de beoordeling of sprake is van het vertragen, verhinderen of het voorkomen van een beslissing tot de verwijdering of uitzetting of overdracht van de vreemdeling betrekt de IND het moment waarop de vreemdeling zijn asielwens kenbaar maakt. Situaties waarbij dit van toepassing kan zijn, zijn bijvoorbeeld:

  1. een vreemdeling die eerst na een langere periode van illegaal verblijf hier in Nederland een asielaanvraag indient op het moment dat hij wordt geconfronteerd met handelingen die gericht zijn op de verwijdering of uitzetting, bijvoorbeeld een voorgenomen inbewaringstelling; of

  2. het (zeer) kort voor een geplande verwijdering of uitzetting indienen van een asielaanvraag, zeker indien de onderbouwing van de asielaanvraag afwezig of evident ontoereikend is.

Bij de beoordeling of sprake is van een aanvraag die louter is ingediend teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, worden alle omstandigheden van het geval betrokken, waaronder met name:

  1. de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;

  2. de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;

  3. of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;

  4. de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b van de Wet;

  5. de onderbouwing van de aanvraag.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

Artikel 3.5

Veilig land van herkomst (artikel 42, eerste lid, onder e, Procedureverordening)

In deze paragraaf zijn beleidsregels opgenomen die een uitwerking zijn van de volgende artikelen:

  1. artikel 30b Vw;

  2. Artikel 61–64 Procedureverordening

De IND kan een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kennelijk ongegrond verklaren op grond van artikel 30b Vw, indien een derde land kan worden beschouwd als een veilig land van herkomst voor de vreemdeling.

Een derde land kan alleen op grond van artikel 61 Procedureverordening als zodanig worden aangewezen.

Het aanwijzen van een land als veilig land van herkomst kan op het niveau van:

  1. de EU (artikel 62 Procedureverordening, zie ook bijlage II); of

  2. nationaal niveau (artikel 64 Procedureverordening) indien deze nationaalrechtelijk is vastgesteld.

De lijst met veilige landen van herkomst die op het niveau van de Unie is vastgesteld zijn neergelegd in bijlage II bij Verordening 2026/464 tot wijziging van Verordening 2024/1348.

In artikel 61, derde lid, Procedureverordening is opgenomen op basis van welke bronnen een derde land kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. De Unie of de Minister moet overeenkomstig artikel 61, vierde lid Procedureverordening de mate waarin bescherming in zijn algemeenheid wordt geboden tegen vervolging en ernstige schade vaststellen.

Bij de aanwijzing op zowel het niveau van de Unie als nationaal niveau van een derde land als veilig land van herkomst kunnen uitzonderingen worden gemaakt voor specifieke delen van zijn grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen. Uitzonderingen op het niveau van de Unie moeten ook door de Unie worden vastgesteld en kan niet op nationaal niveau plaatsvinden.

Het begrip veilig land van herkomst mag worden toegepast indien;

  1. de vreemdeling de nationaliteit van dat land heeft of staatloos is en voorheen in dat land zijn of haar gewone verblijfplaats had;

  2. de vreemdeling niet tot een categorie personen behoort waarvoor een uitzondering is gemaakt bij de aanwijzing van het derde land als veilig land van herkomst;

  3. de vreemdeling in het kader van een individuele beoordeling geen elementen kan verstrekken die rechtvaardigen dat het begrip veilig land van herkomst niet op hem of haar van toepassing is (artikel 61, vijfde lid, aanhef en onder c, Procedureverordening);

In bovenstaande gevallen beoordeelt de IND op de gebruikelijke wijze of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

Artikel 3.6.1

Algemeen

Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

De IND onderzoekt het gevaar voor de openbare orde in gevallen waarin 1F aspecten spelen aan de hand van het specifieke beoordelingskader van artikel 1F Vluchtelingenverdrag (paragraaf C4/3.6.9 Vc).

De IND beoordeelt of er sprake is van concrete aanwijzingen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid (paragraaf C4/3.6.8 Vc).

De IND kan de asielaanvraag van de vreemdeling kennelijk ongegrond verklaren als de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. Ook kan de IND de asielaanvraag van de vreemdeling kennelijk ongegrond verklaren als de vreemdeling onder dwang is uitgezet uit Nederland om ernstige redenen van openbare orde. Dit volgt uit artikel 30b, eerste lid, Vw, en de artikelen 39, vierde lid en 42, eerste lid, aanhef en onder f, Procedureverordening.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

Volgens de Procedureverordening kan het begrip ‘openbare orde’ onder meer (dus niet beperkt tot) een veroordeling wegens een ernstig misdrijf bestrijken. De toepassing van het begrip openbare orde wordt, in lijn met de Kwalificatieverordening en de Procedureverordening, hieronder verder uitgewerkt in paragraaf C4/3.6.2 tot en met C4/3.6.6 Vc.

De IND onderzoekt per verleningsgrond of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde:

  1. de IND beoordeelt of er sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf als de vreemdeling in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw (paragraaf C4/3.6.3 Vc);

  2. de IND beoordeelt of er sprake is van een ernstig misdrijf als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt een reëel risico te lopen als bedoeld in artikel 29a, Vw (paragraaf C4/3.6.4 Vc);

  3. de IND beoordeelt ten aanzien van de aanspraken op artikel 29b (meereizend gezinslid), artikel 29c en artikel 29d (nareizend gezinslid), Vw niet of er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf (paragraaf C4/3.6.5 Vc);

  4. als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 Vw jo artikel 29 of artikel 29a Vw en de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde, beoordeelt de IND of de aanvraag kennelijk ongegrond kan worden verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw.

Artikel 3.6.2

Algemene uitgangspunten

Bij alle categorieën genoemd in paragraaf C4/3.6.1 Vc gelden de volgende algemene uitgangspunten bij de beoordeling of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde.

Artikel 3.6.2.1

Individuele beoordeling

De IND beoordeelt of de vreemdeling in aanmerking komt voor een vluchtelingstatus, subsidiairebeschermingsstatus, een afgeleide status op basis van meereis of nareis, of niet in aanmerking komt voor een status. Deze status is bepalend voor de vraag aan welke voorwaarden moet worden voldaan om de status niet te verlenen in het geval sprake is van openbare orde aspecten. Afhankelijk van de status beoordeelt de IND of sprake is van een bijzonder ernstig of ernstig misdrijf en/of een gevaar voor de gemeenschap. Dit gebeurt op individuele basis, aan de hand van alle relevante feitelijke en juridische gegevens. Dit houdt in dat de IND alle strafrechtelijke veroordelingen, verdenkingen en gepleegde misdrijven meeweegt in de beoordeling of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde.

Jeugdstrafrecht

Ook veroordelingen die in het verleden volgens het jeugdstrafrecht zijn opgelegd worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde. De IND betrekt daarbij in ieder geval de door de vreemdeling aangevoerde bijzondere feiten en omstandigheden, die zien op de aard en de ernst van het delict en het tijdsverloop dat is verstreken sinds het delict. Hierbij wegen de individuele omstandigheden zwaar mee, waaronder de vraag hoe groot het aandeel is van de vreemdeling in het gepleegde delict waardoor hij een gevaar voor de gemeenschap vormt.

Artikel 3.6.2.2

Verjaringstermijnen

De IND hanteert bij de beoordeling van het tijdsverloop de verjaringstermijnen zoals opgenomen in paragraaf B1/4.4 Vc. De IND past in de volgende gevallen de verjaringstermijnen uit paragraaf B1/4.4 Vc niet toe:

  1. een veroordeling voor een misdrijf tegen het leven gericht;

  2. het bij herhaling veroordeeld zijn voor misdrijven; of

  3. ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.

Ad b

Er is sprake van het bij herhaling veroordeeld zijn als:

  1. er meer dan een straf is opgelegd; of

  2. er een straf is opgelegd voor een aantal bewezenverklaarde strafbare feiten (voeging).

Artikel 3.6.2.3

In het buitenland gepleegde strafbare feiten

De IND betrekt de strafbare feiten die de vreemdeling in het buitenland heeft gepleegd ook bij de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De IND beoordeelt welke gevolgen naar Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, als die strafbare feiten in Nederland zouden zijn gepleegd en/of bestraft. De bewijslast voor het onderbouwen van de gepleegde misdrijven in het buitenland ligt in de eerste plaats bij de vreemdeling. Afhankelijk van de bewijsmiddelen die de vreemdeling overlegt, beoordeelt de IND dit als volgt:

  1. Als de vreemdeling vonnis of vergelijkbare stukken overlegt, vraagt de IND een strafmaatvergelijking op bij het OM. Op basis van deze strafmaatvergelijking betrekt de IND de in het buitenland gepleegde strafbare feiten bij de openbare orde toets.

  2. Als de vreemdeling een schuldbekentenis en een transactieaanbod overlegt, is het mogelijk voor de IND om een verkorte strafmaatvergelijking op te vragen bij het OM. Op basis van deze strafmaatvergelijking betrekt de IND de in het buitenland gepleegde strafbare feiten bij de openbare orde toets.

  3. Als er geen stukken zijn overgelegd, kan de IND geen strafmaatvergelijking bij het OM aanvragen. Als het voor de IND echter voldoende duidelijk is dat het gaat om een misdrijf naar Nederlands recht en waarbij de strafmaat vergelijkbaar is met de strafmaat die in Nederland zou zijn opgelegd wanneer het feit in Nederland zou zijn gepleegd, dan kan de IND deze veroordeling zonder strafmaatvergelijking door het OM bij de beoordeling betrekken.

Artikel 3.6.2.4

Jeugdstrafrecht en minderjarige vreemdelingen

De IND kan één of meerdere veroordelingen in het kader van het jeugdstrafrecht betrekken bij de beoordeling of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Ook in het geval de minderjarige vreemdeling opnieuw voor een misdrijf of meerdere misdrijven (recidive) wordt veroordeeld, heeft de IND als uitgangspunt alle strafrechtelijke veroordelingen mee te wegen in de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde, zoals bedoeld in paragraaf C4/3.6.2.1 Vc. Hierbij wegen het karakter van het jeugdstrafrecht en de individuele omstandigheden mee.

Artikel 3.6.3

Openbare orde en artikel 29, eerste lid, Vw (vluchtelingenstatus)

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw als de vreemdeling definitief (ofwel: onherroepelijk) is veroordeeld voor minstens één misdrijf dat op zichzelf een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ is én de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap’, zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, jo eerste lid, aanhef en e Kwalificatieverordening. De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt dan kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw omdat er redelijke gronden bestaan aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde.

Artikel 3.6.3.1

Bijzonder ernstig misdrijf

‘Bijzonder ernstige misdrijven’ zijn misdrijven die de rechtsorde van de gemeenschap het meeste aantasten. Bij de beoordeling van het ‘bijzonder ernstig misdrijf’ dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de volgende punten:

  1. de aard van het misdrijf;

  2. de maximale straf voor het misdrijf en de feitelijk opgelegde straf;

  3. de aard en omvang van de schade;

  4. de omstandigheden rond het plegen van het misdrijf (opzettelijkheid);

  5. de aanwezigheid van verzachtende of verzwarende omstandigheden; en

  6. de aard van de strafprocedure;

Artikel 3.6.3.2

Gevaar voor de gemeenschap

De IND beoordeelt het gevaar dat de vreemdeling voor de gemeenschap vormt aan de hand van de situatie zoals die zich voordoet bij het beoordelen van de aanvraag (‘ex nunc’-beoordeling).

De IND weegt bij de beoordeling van het ‘gevaar voor de gemeenschap’ dat de vreemdeling vormt in ieder geval de volgende aspecten mee:

  1. de aard van het misdrijf; en

  2. de opgelegde straf.

De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen aannemen dat het misdrijf naar zijn aard een ‘gevaar voor de gemeenschap’ vormt:

  1. opium-, zeden-, gewelds- en levensdelicten;

  2. brandstichting;

  3. mensenhandel;

  4. illegale handel in wapens, munitie en explosieven;

  5. illegale handel in menselijke organen en weefsels.

Deze lijst is niet limitatief.

De vreemdeling vormt ook een gevaar voor de gemeenschap indien hij in het buitenland handelingen heeft verricht die de publieke rechtsorde ernstig schokten en die naar Nederlands recht als zware misdrijven worden aangemerkt.

De IND beoordeelt aan de hand van het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ of een vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap. Dit betekent dat de IND beoordeelt of het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de gemeenschap vormt.

Artikel 3.6.3.3

Evenredigheidstoets

Indien de IND beoordeelt dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, omdat de vreemdeling definitief veroordeeld is voor een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ en een gevaar vormt voor de gemeenschap, verleent de IND geen vluchtelingstatus, zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, jo eerste lid, aanhef en onder e Kwalificatieverordening. In die gevallen voert de IND geen evenredigheidstoetsing uit in verband met de vrees voor vervolging.

Als de vreemdeling geen vluchtelingstatus wordt verleend vanwege de openbare orde-aspecten, waardoor de asielaanvraag wordt afgewezen, kan hij, mits hij in Nederland is, gebruik maken van de rechten zoals genoemd in artikel 14, derde lid, Kwalificatieverordening.

Artikel 3.6.3.4

Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc. Hierin staan ook bepalingen opgenomen ten aanzien van artikel 8 EVRM.

Artikel 3.6.3.5

Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt, betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader.

Artikel 3.6.4

Openbare orde en artikel 29a, eerste lid, Vw (subsidiairebeschermingsstatus)

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a Vw in de volgende twee gevallen:

  1. als de vreemdeling een ‘ernstig misdrijf’ heeft gepleegd voorafgaand aan zijn aankomst in Nederland of voor een ‘ernstig misdrijf’ is veroordeeld na zijn aankomst in Nederland, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid onder b, Kwalificatieverordening. Zie hiervoor paragraaf C4/3.6.4.1 Vc

  2. als de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder d, Kwalificatieverordening. Zie hiervoor paragraaf C4/3.6.4.2 Vc.

De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt dan kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw omdat er redelijke gronden bestaan aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Of er redelijke gronden bestaan om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap wordt beoordeeld aan de hand van het Unierechtelijk openbare orde-criterium.

Artikel 3.6.4.1

Ernstig misdrijf

Indien de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd voorafgaand aan zijn aankomst in Nederland, dan is een veroordeling niet noodzakelijk. Indien de vreemdeling na zijn aankomst in Nederland een ernstig misdrijf heeft gepleegd, dan is een veroordeling wel noodzakelijk. Deze hoeft niet definitief (ofwel: onherroepelijk) te zijn. Bij de beoordeling of sprake is een ‘ernstig misdrijf’ houdt de IND in ieder geval rekening met de volgende punten:

  1. de aard van het gepleegde feit;

  2. de schade die is teweeggebracht;

  3. de gevolgde strafprocedure;

  4. de aard van de straf; of

  5. de meeste rechterlijke instanties het gepleegde feit aanmerken als een ernstig misdrijf.

Als het misdrijf naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert, zoals bedoeld in paragraaf C4/3.6.4.2 Vc, is dit een sterke indicatie dat er sprake is van een ‘ernstig misdrijf’.

Indien de vreemdeling minderjarig is, houdt de IND, conform artikel 17, vijfde lid, Procedureverordening, bij de beoordeling of er sprake is van uitsluiting van de subsidiairebeschermingsstatus onder andere rekening met de vraag of de vreemdeling strafrechtelijk aansprakelijk had kunnen worden gesteld indien hij het misdrijf, op deze leeftijd, in Nederland zou hebben gepleegd en of hij daarvoor zou worden veroordeeld.

Artikel 3.6.4.2

Gevaar voor de gemeenschap

Bij de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap is het niet noodzakelijk dat een vreemdeling in het verleden een ernstig misdrijf heeft gepleegd of daarvoor is veroordeeld.

De IND beoordeelt het gevaar dat de vreemdeling voor de gemeenschap vormt aan de hand van de situatie zoals die zich voordoet bij het beoordelen van de aanvraag (‘ex nunc’-beoordeling).

De IND weegt bij de beoordeling van het ‘gevaar voor de gemeenschap’ dat de vreemdeling vormt in ieder geval de volgende aspecten mee:

  1. de aard van het misdrijf; en

  2. de opgelegde straf.

De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen aannemen dat het misdrijf naar zijn aard een ‘gevaar voor de gemeenschap’ vormt:

  1. opium-, zeden-, gewelds- en levensdelicten;

  2. brandstichting;

  3. mensenhandel;

  4. illegale handel in wapens, munitie en explosieven;

  5. illegale handel in menselijke organen en weefsels.

Deze lijst is niet limitatief.

De IND beoordeelt aan de hand van het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ of een vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap. Dit betekent dat de IND beoordeelt of het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de gemeenschap vormt.

De vreemdeling vormt ook een gevaar voor de gemeenschap indien hij in het buitenland handelingen heeft verricht die de publieke rechtsorde ernstig schokten en die naar Nederlands recht als zware misdrijven worden aangemerkt.

Artikel 3.6.4.3

Evenredigheidstoets

Indien de IND beoordeelt dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, sluit de IND de vreemdeling uit van de subsidiairebescherminggstatus, zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, Kwalificatieverordening, zonder een evenredigheidstoetsing in verband met de vrees voor ernstige schade uit te voeren.

Artikel 3.6.4.4

Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc. Hierin staan ook bepalingen opgenomen ten aanzien van artikel 8 EVRM.

Artikel 3.6.4.5

Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader.

Artikel 3.6.5

Openbare orde en artikel 29b, eerste lid, Vw (meereizende gezinsleden)

De verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29b Vw wordt door de IND niet verleend, als dat noodzakelijk om redenen van openbare orde, overeenkomstig artikel 23, vijfde lid, Kwalificatieverordening.

De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor meereizende gezinsleden wordt dan kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw, gebaseerd op artikel 42, eerste lid, onder f, of artikel 42, derde lid, onder b, Procedureverordening, wanneer dit conform artikel 23, vijfde lid, Kwalificatieverordening noodzakelijk is om redenen van openbare orde. Hiervoor wordt aangesloten bij paragraaf 3.6.7 Vc.

Artikel 3.6.5.1

Evenredigheidstoets

Als de IND de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw weigert omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, dan toetst de IND of dit noodzakelijk is. Het strafbare feit waarvoor de vreemdeling is veroordeeld moet zo ernstig zijn of van dien aard dat het noodzakelijk is om het verblijf van die vreemdeling uit te sluiten.

Hierbij houdt de IND rekening met alle individuele omstandigheden conform artikel 8 EVRM, zoals:

  1. de band met Nederland;

  2. de band met het land van herkomst;

  3. een eventueel bestaand terugkeerbeletsel; en

  4. het belang van de Nederlandse Staat.

Artikel 3.6.5.2

Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc.

Artikel 3.6.5.3

Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het Unierechtelijk openbare orde-criterium ook in dit kader.

Artikel 3.6.6

Openbare orde en artikel 29c of 29d Vw (nareizende gezinsleden)

De IND kan de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of 29d Vw weigeren op grond van de openbare orde overeenkomstig het in paragraaf C5 Vc opgenomen wettelijke kader. De IND beoordeelt de aanvraag in dat geval aan de hand van artikel 3.77 Vb artikel 3.78 Vb, en paragraaf B1/4.4 Vc.

Artikel 3.6.6.1

Evenredigheidstoets

Als de IND de asielaanvraag op grond van artikel 29c, eerste lid of artikel 29d, eerste lid, Vw, afwijst omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, toetst de IND aan het evenredigheidsbeginsel. De Kwalificatieverordening is niet van toepassing op deze vergunningen.

In het kader van de evenredigheidstoets beoordeelt de IND de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de afwijzing. Het strafbare feit waarvoor de vreemdeling is veroordeeld moet zo ernstig zijn of van dien aard dat het noodzakelijk is om het verblijf van die vreemdeling uit te sluiten.

Als de IND de asielaanvraag op grond van artikel 29c, eerste lid, Vw, afwijst dan toetst de IND naast het evenredigheidsbeginsel ook aan artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Als de IND de asielaanvraag op grond van artikel 29d, eerste lid, Vw, afwijst dan toetst de IND naast het evenredigheidsbeginsel aan artikel 8 EVRM.

Hierbij houdt de IND rekening met alle individuele omstandigheden, waaronder:

  1. de band met Nederland;

  2. de band met het land van herkomst;

  3. een eventueel bestaand terugkeerbeletsel; en

  4. het belang van de Nederlandse Staat.

Artikel 3.6.6.2

Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc.

Artikel 3.6.6.3

Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader.

Artikel 3.6.7

Afwijzing van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond op grond van openbare orde

Als de IND de asielaanvraag van de vreemdeling reeds op inhoudelijke gronden (kennelijk) ongegrond kan verklaren en de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde, kan de aanvraag ook kennelijk ongegrond worden afgedaan op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw.

De vreemdeling vormt in ieder geval op redelijke gronden een gevaar voor de openbare orde van Nederland als:

  1. er sprake is van (minstens) één veroordeling voor een misdrijf of de vreemdeling (minstens) één misdrijf heeft gepleegd; en

  2. als er sprake is van een misdrijf die naar zijn aard leidt tot een gevaar voor de gemeenschap.

De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen aannemen dat het misdrijf naar zijn aard een ‘gevaar voor de gemeenschap’ vormt:

  1. opium-, zeden-, gewelds- en levensdelicten;

  2. brandstichting;

  3. mensenhandel;

  4. illegale handel in wapens, munitie en explosieven;

  5. illegale handel in menselijke organen en weefsels.

Deze lijst is niet limitatief.

De vreemdeling vormt ook op redelijke gronden een gevaar voor de openbare orde als er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf, zoals bedoeld in de voorgaande paragrafen.

De IND betrekt de door de vreemdeling aangevoerde feiten of omstandigheden in het oordeel of hij op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde van de lidstaat.

Artikel 3.6.8

Afwijzing van een asielaanvraag, dan wel meereis of nareis op grond van nationale veiligheid

Als er redelijke gronden bestaan om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van de lidstaat waar de vreemdeling zich bevindt in de zin van artikel 14, eerste lid aanhef en onder d Kwalificatieverordening, dan wel een gevaar vormt voor de nationale veiligheid zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, onder d, Kwalificatieverordening wordt de asielaanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid Vreemdelingwet kennelijk ongegrond verklaard omdat er redelijke gronden bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, jo artikel 42, eerste lid, onder f Procedureverordening.

Voor de toepassing van artikel 14 eerste lid, aanhef en onder d, artikel 17 lid 1, onder d, Kwalificatieverordening en artikel 30b, eerste lid, Vw geldt het specifieke toetsingskader voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’ in B1/4.4 Vc.

Meereis

De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor meereizende gezinsleden af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw, wanneer dit conform artikel 23, vijfde lid, Kwalificatieverordening noodzakelijk is om redenen van nationale veiligheid. Voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’ geldt het specifieke toetsingskader in B1/4.4 Vc.

Nareis

De IND kan de aanvraag weigeren op grond van gevaar voor de nationale veiligheid overeenkomstig artikel 16, lid 1 onder d, Vw.

In beide gevallen geldt het specifieke toetsingskader in B1/4.4 Vc voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’.

Artikel 3.6.9

Afwijzing van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag (artikel 12 en artikel 17 Kwalificatieverordening)

De IND zal gelet op het bepaalde in artikel 12, vierde lid en 17, eerste en tweede lid Kwalificatieverordening de vluchtelingenstatus en de subsidiairebeschermingsstatus weigeren als artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.

Als de IND artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing acht, is een strafrechtelijke veroordeling niet noodzakelijk om aan te nemen dat een vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. De toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag volstaat zelfstandig om aan te nemen dat er sprake is van een gevaar voor de openbare orde zoals bedoeld in de artikelen 12 en 17 van de Kwalificatierichtlijn.

Artikel 3.6.9.1

Artikel 1F, aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag

De IND kan ‘misdrijven tegen de vrede’ in ieder geval tegenwerpen aan de hoogste civiele of militaire leidinggevenden in een land.

De ernst van een misdrijf wordt bepaald door:

  1. de aard van de handeling; en

  2. de omvang van de gevolgen van de handeling.

Artikel 3.6.9.2.1

Politieke misdrijven

Het door de vreemdeling gepleegde misdrijf wordt beschouwd als een politiek misdrijf, als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  1. er is een direct verband tussen het door de vreemdeling gepleegde misdrijf en de door hem aangehaalde politieke doelstelling;

  2. het door de vreemdeling gepleegde misdrijf is een effectief middel om de door hem aangehaalde politieke doelstelling te realiseren;

  3. de vreemdeling staat niet een meer vreedzaam alternatief ter beschikking; en

  4. het door de vreemdeling gepleegde misdrijf staat in een redelijke verhouding tot het door hem nagestreefde doel.

De volgende misdrijven kunnen een politiek karakter hebben:

  1. mishandeling;

  2. drugshandel;

  3. roofovervallen;

  4. brandstichting.

Het plegen van een politiek misdrijf vormt geen grond voor het toepasselijk achten van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

Een uitzondering hierop is als sprake is van bijzonder wrede handelingen, waarbij de handeling in kwestie niet in verhouding staat tot het beweerde politieke doel, en terroristische daden die worden gekenmerkt door geweld. Deze moeten, ook wanneer zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige niet-politieke misdrijven worden aangemerkt. Dergelijke handelingen en daden kunnen derhalve leiden tot uitsluiting van internationale bescherming.

Artikel 3.6.9.2.2

Niet-politieke misdrijven

De volgende misdrijven moeten in ieder geval worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag:

  1. moord;

  2. doodslag;

  3. verkrachting;

  4. oorlogsmisdrijven, zoals gedefinieerd in artikel 8, Statuut van Rome, inzake het internationaal Strafhof;

  5. misdrijven tegen de menselijkheid, zoals gedefinieerd in artikel 7, Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof;

  6. foltering;

  7. genocide, zoals gedefinieerd in artikel 6, Statuut van Rome, inzake het internationaal Strafhof;

  8. slavernij en slavenhandel; en

  9. misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap.

Artikel 3.6.9.2.3

Beoordeling ernstige misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag

De beoordeling of een misdrijf ‘ernstig’ is in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag, betreft een individuele beoordeling aan de hand van de individuele omstandigheden. De volgende elementen kunnen daarbij van belang zijn:

  1. aard van het gepleegde feit/handeling;

  2. omvang van de gevolgen c.q. de schade die is teweeggebracht;

  3. strafmaat;

  4. internationale (rechterlijke) consensus dat het gepleegde feit is aan te merken als ernstig misdrijf;

  5. de gevolgde strafprocedure.

Het is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden welke elementen – al dan niet in samenhang – relevant zijn en moeten worden betrokken in de beoordeling.

Ad a

Bij geweldsmisdrijven kijkt de IND naar de mate van geweld dat toegepast is (het geweld en/of schade die het gevolg was van de gedraging), de geweldsmethoden die zijn gebruikt en het gebruik van dodelijke wapens. Misdrijven zonder geweldscomponent, zoals economische misdrijven of handel in drugs, kunnen eveneens onder de reikwijdte van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag vallen. Het is niet relevant of het misdrijf is gepleegd in het herkomstland of een land buiten het land van toevlucht.

Ad b

Bij omvang van de schade wordt onder meer meegewogen of sprake is van:

  1. een (internationaal) grensoverschrijdend karakter van bepaalde misdrijven;

  2. nevencriminaliteit, die gepaard gaat met bepaalde misdrijven (zowel nationaal als internationaal;

  3. het plegen van delicten over langere tijd en mogelijk recidive.

Ad c

Bij het wegen van de strafmaat is van belang de maximumstraf die volgens het Nederlandse Wetboek van Strafrecht op het misdrijf is gesteld dan wel – als de vreemdeling al is veroordeeld – de hoogte van de opgelegde straf (na strafmaatvergelijking). Uitsluiting op grond van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag gebeurt echter niet slechts op basis van de strafmaat, maar alleen na onderzoek en beoordeling van alle relevante feiten.

Ad d

De internationale standaard en consensus of een bepaald misdrijf als ‘ernstig’ is aan te merken in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag kan worden afgeleid uit bronnen als:

  1. de richtlijnen van UNHCR voor de toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, Handbook UNHCR;

  2. internationale verdragen, Europese richtlijnen en verordeningen, resoluties van de VN Veiligheidsraad, resoluties/conclusies of andere uitlatingen van Europese instellingen (bijv. Europese Commissie, Raad van Ministers van de EU);

  3. rechtspraak van Europese en internationale gerechtelijke instanties, evenals de wetgeving, uitvoering en rechtspraktijk van (andere) landen.

Misdrijven die op grond van vorenstaande doorgaans als ‘ernstig’ kunnen worden aangemerkt zijn (niet-limitatief) moord, verkrachting, brandstichting, het plegen van een gewapende overval, en andere vergrijpen die vergezeld gaan van dodelijke wapens en/of ernstige verwonding van personen.

Het gegeven dat een bepaalde praktijk in het land van herkomst of in het land waar de handeling is gepleegd als zodanig niet strafbaar is, sluit niet uit dat deze handeling volgens internationale standaarden wel gekwalificeerd dient te worden als een ernstig, niet-politiek misdrijf.

Ad e

Een aantal aspecten van de strafprocedure (of de uitkomst ervan) kunnen een rol spelen bij het toepassen van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag:

  1. Veroordeling: Voor de toepasselijkheid van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag is een veroordeling niet vereist. Als de vreemdeling is veroordeeld, beziet de IND, hoe dit zich verhoudt tot internationale maatstaven (gerelateerd aan de Nederlandse maatstaf). Een strafrechtelijke veroordeling kan wel worden betrokken in de beoordeling, dat aan de bewijsmaatstaf van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (‘ernstige redenen om te veronderstellen’) is voldaan.

  2. (Deels) uitgezeten straf: Het (gedeeltelijk) uitgezeten hebben van een straf vormt geen reden om artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag niet (langer) tegen te kunnen werpen.

  3. Vrijspraak: De omstandigheid dat de vreemdeling is vrijgesproken voor een misdrijf, maakt niet zonder meer dat artikel 1F, aanhef en onder b van het Vluchtelingenverdrag niet kan worden tegengeworpen. In dit kader is onder andere van belang of de vrijspraak ziet op dezelfde gedraging(en), die ook aan de beoordeling van artikel 1F Vluchtelingenverdrag ten grondslag liggen of hebben gelegen, of de vrijspraak het gevolg is van een inhoudelijke beoordeling of een procedurele afdoening, en de inhoudelijke redenen van de vrijspraak. Voor toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is van belang dat sprake moet zijn van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 3.6.9.2.4

Absolute politieke misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag

Bij ‘absolute politieke misdrijven’ kan artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag niet worden toegepast. Absolute politieke misdrijven zijn misdrijven met een politiek karakter, waarbij uit de omschrijving van het misdrijf blijkt dat zij zijn gericht tegen de staat. De volgende misdrijven zijn in ieder geval absolute politieke misdrijven:

  1. hoogverraad en het verstoren van verkiezingen; en

  2. misdrijven weergegeven in het een der Titels I tot en met IV van het Tweede Boek, Wetboek van Strafrecht.

Een uitzondering hierop is als sprake is van bijzonder wrede handelingen, waarbij de handeling in kwestie niet in verhouding staat tot het beweerde politieke doel, en terroristische daden die worden gekenmerkt door geweld. Deze moeten, ook wanneer zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige niet-politieke misdrijven worden aangemerkt. Dergelijke handelingen en daden kunnen derhalve leiden tot uitsluiting van internationale bescherming.

Artikel 3.6.9.2.5

Factoren voor het wel of niet toepassen van de uitsluitingsgrond

Als is vastgesteld dat sprake is van een ernstig, niet-politiek misdrijf, dan is een verdere evenredigheidstoetsing of toetsing aan proportionaliteit, die impliceert dat de ernst van de gestelde daden nogmaals wordt beoordeelt, niet verplicht.

Artikel 3.6.9.3

Artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag

Onder de doelstellingen van de VN wordt verstaan: de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. Onder de beginselen van de VN wordt verstaan: artikel 2 van het Handvest van de VN van 1945.

De volgende handelingen zijn in ieder geval in strijd met de doelstellingen en beginselen van de VN:

  1. handelingen die expliciet zijn genoemd als strijdig met de doelstellingen en/of beginselen van de VN door het Internationaal Hof van Justitie, de Algemene Vergadering of de Veiligheidsraad van de VN; en

  2. misdrijven die strafbaar zijn gesteld in het Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof.

Om de vreemdeling verantwoordelijk te kunnen houden voor misdrijven die vallen onder artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag beoordeelt de IND:

  1. of de functionele of feitelijke verantwoordelijkheid van de vreemdeling op een dusdanig niveau ligt dat deze geacht mag worden zich van de plaats van de staat binnen de internationale gemeenschap bewust te zijn; of

  2. uit de persoonlijke achtergrond van de vreemdeling blijkt dat hij kennis heeft of had moeten hebben van de doelstellingen of beginselen van de VN.

Artikel 3.6.9.4

Bewijslast en verantwoordelijkheid

Voor tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, moet de IND aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in dit artikel. Als de IND ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag te voorkomen.

Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, onderzoekt de IND of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (‘knowing participation’) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’).

Artikel 3.6.9.4.1

‘Knowing participation’

Er is in ieder geval sprake van ‘knowing participation’ bij de vreemdeling in één van de volgende situaties:

  1. de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan de IND heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd worden in artikel 1F Vluchtelingenverdrag;

  2. de vreemdeling heeft behoord tot een groep die door de minister is aangewezen als groep, waarop in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is; of

  3. de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betrof zoals bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

In het geval van situatie a. of b. toetst de IND of de vreemdeling een uitzondering vormt op de regel dat de vreemdeling wetenschap gehad heeft of had moeten hebben van het plegen van de misdrijven. De IND spreekt dan van een ‘significante uitzondering’.

De IND neemt geen ‘knowing participation’ aan voor misdrijven als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, als de vreemdeling tijdens het plegen van de misdrijven nog niet de leeftijd van vijftien jaren had bereikt.

Als de vreemdeling bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaar oud was, betrekt de IND alle feiten en omstandigheden bij haar onderzoek om vast te stellen of de vreemdeling weet heeft gehad of had moeten hebben van de misdrijven.

Als de vreemdeling bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaren oud was en als soldaat in een leger heeft gediend, worden in ieder geval de volgende omstandigheden door de IND meegewogen:

  1. de leeftijd van de vreemdeling op het moment van de indiensttreding;

  2. of de vreemdeling vrijwillig of gedwongen in dienst is getreden;

  3. de consequenties bij weigering van indiensttreding. In dit verband hanteert de IND het leerstuk van de subjectieve overmacht als uitgangspunt. De IND beoordeelt of van de vreemdeling als minderjarige verwacht kon worden weerstand te bieden aan de op hem uitgeoefende druk om in dienst te gaan;

  4. of er tijdens de indiensttreding van de vreemdeling gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die de mogelijkheid om tot een afgewogen keuze te komen hebben aangetast;

  5. de lengte van de periode dat de vreemdeling als minderjarige, jonger dan vijftien jaren werkzaam is geweest binnen het leger;

  6. de aanwezigheid van mogelijkheden voor de vreemdeling om eerder te ontsnappen en/of zich aan persoonlijke deelname aan misdrijven te onttrekken;

  7. of de vreemdeling de misdrijven gepleegd heeft onder invloed van drugs en/of medicatie waartoe hij gedwongen was tot inname; en

  8. of er binnen het leger waar de vreemdeling in dienst was bevorderingen plaatsvonden op grond van goede prestaties.

Artikel 3.6.9.4.2

‘Personal participation’

Er is sprake van ‘personal participation’ bij de vreemdeling in tenminste één van de volgende situaties:

  1. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd;

  2. de vreemdeling heeft opdracht gegeven tot, of onder zijn verantwoordelijkheid is een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd;

  3. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gefaciliteerd; of

  4. de vreemdeling behoort tot een groep die door de minister is aangewezen als groep die in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag tegengeworpen krijgt.

Ad c.

De vreemdeling heeft een misdrijf gefaciliteerd, als zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. De IND concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen als aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

  1. de bijdrage heeft een effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf; en

  2. het misdrijf had hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze plaatsgevonden als niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of als de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden.

Ad d.

De IND toetst of er sprake is van een ‘significante uitzondering’ zoals beschreven in de subparagraaf ‘bewijslast en verantwoordelijkheid’ (‘knowing participation’).

Artikel 3.6.9.5.1

Handelen op bevel

De IND toetst aan artikel 33 van het Statuut van Rome, inzake het Internationaal Strafhof voor de beoordeling van de individuele verantwoordelijkheid van de vreemdeling, als de vreemdeling heeft gehandeld op bevel van een regering of meerdere.

Artikel 3.6.9.5.2

Dwang

Als de vreemdeling aanvoert dat hij gedwongen is tot het plegen van misdrijven, wordt hij niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid als sprake is van in ieder geval één van de volgende situaties:

  1. er wordt geen geloof gehecht aan de door de vreemdeling gestelde dwang;

  2. er bestond voor de vreemdeling de mogelijkheid om zich te onttrekken aan het misdrijf;

  3. de vreemdeling was al geruime tijd in dienst van een organisatie voordat de dwang voorzienbaar optrad; of

  4. de mate van dwang weegt niet op tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf.

Artikel 3.6.9.5.3

Zelfverdediging

Wanneer de vreemdeling aanvoert uit zelfverdediging misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag te hebben gepleegd, wordt deze niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid als er sprake is van in ieder geval een van de volgende situaties:

  1. er wordt geen geloof gehecht aan de door de vreemdeling gestelde bedreiging;

  2. de bedreiging waartegen de vreemdeling zich stelt te hebben verdedigd weegt niet op tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf;

  3. het moet voor de vreemdeling duidelijk zijn geweest dat het door hem begane misdrijf de dreiging niet had kunnen afwenden; of

  4. de vreemdeling heeft niet slechts één misdrijf gepleegd, maar heeft gedurende een langere periode meerdere misdrijven gepleegd.

Artikel 3.6.9.6

Duurzaamheid en proportionaliteit

Als aan de vreemdeling op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning asiel wordt verleend, maar tegelijkertijd aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM beoordeelt de IND alle volgende omstandigheden:

  1. of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja,

  2. of de gevolgen voor de vreemdeling van het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zijn, afgewogen tegen de belangen van de Staat om de doelstellingen van artikel 1F Vluchtelingenverdrag te handhaven.

Ad a.

De term ‘duurzaam’ houdt in dat sprake moet zijn van alle volgende omstandigheden:

  1. de vreemdeling bevindt zich op het moment dat de beslissing wordt genomen al gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie dat de vreemdeling wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf de datum dat de 3 EVRM belemmering is vastgesteld;

  2. er is geen vooruitzicht op verandering binnen niet al te lange termijn, gerekend vanaf heden, in de situatie dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet naar het land van herkomst vanwege een dreigende schending van artikel 3 EVRM; en

  3. vertrek van de vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst is ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan de vertrekplicht van de vreemdeling niet mogelijk.

Ad b.

De IND neemt disproportionaliteit aan als de vreemdeling aantoont dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt.

Als de vreemdeling disproportionaliteit heeft aangetoond en de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, verleent de IND krachtens artikel 3.6b, onder a, Vb ambtshalve een verblijfsvergunning onder de beperking humanitair tijdelijk op grond van artikel 3.48, tweede lid aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder e, VV. De verblijfsvergunning wordt in dat geval voor maximaal een jaar verleend en kan telkens met maximaal een jaar worden verlengd (artikel 3.58, eerste lid onder q, Vb).

Artikel 3.6.9.7

Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND verleent op grond van de artikelen 3.77 en 3.107 Vb geen verblijfsvergunning asiel aan gezinsleden van een vreemdeling op wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Dit geldt niet wanneer deze gezinsleden op zelfstandige gronden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw.

De IND werpt de contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag niet tegen aan een gezinslid, als de feitelijke gezinsband met de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen feitelijk verbroken is. Van verbreking van de gezinsband wordt niet uitgegaan als blijkt dat de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen op enige wijze gebruik blijft maken van de voorzieningen van het gezinslid.

De contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt niet langer tegengeworpen aan het gezinslid van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. het gezinslid verblijft tenminste tien jaren in Nederland gerekend vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel;

  2. het verblijf van het gezinslid in Nederland is ononderbroken; en

  3. het gezinslid heeft zijn vertrek naar het land van herkomst niet tegengewerkt.

Ad a.

Voor de gezinsleden binnen één gezin waarbinnen de feitelijke gezinsband niet is verbroken, geldt voor alle gezinsleden de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van het hier langst verblijvende gezinslid als aanvang van de termijn. De aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen telt hiervoor niet mee.

Artikel 3.6.10

Onder dwang uitgezet wegens openbare veiligheid of openbare orde

De IND verstaat hieronder de vreemdeling die, anders dan onder artikel 30b, eerste lid, Vw, en als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder f, Procedureverordening, op een eerder moment op grond van de openbare orde of nationale veiligheid de toegang tot Nederland (en daarmee het Schengengebied) is geweigerd en derhalve, zonder dat het gepleegde feit heeft geleid tot een inreisverbod of ongewenstverklaring zoals bedoeld in artikel 66a Vw of artikel 67 Vw, is uitgezet naar het land van herkomst.

Artikel 3.7

Volgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard (artikel 42, eerste lid, aanhef en onder g, Procedureverordening)

Hieronder valt in ieder geval een volgende aanvraag waarbij nieuwe relevante elementen zijn ingebracht voor de beoordeling van de aanvraag, maar waar dit niet leidt tot een inwilliging van de aanvraag.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

Artikel 3.8

Zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk gemeld – onrechtmatig binnengekomen (artikel 42, eerste lid, aanhef en onder h, Procedureverordening)

Het gaat in artikel 42, eerste lid, onder h, Procedureverordening om de situatie dat:

  1. de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen; of

  2. de vreemdeling zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd.

Hieronder valt ook de vreemdeling die zich pas meldt na het verlopen van een visum en in de tussentijd geen andere wijze van rechtmatig verblijf heeft gehad. ‘Gezien de omstandigheden van zijn of haar binnenkomst’ zoals volgt uit artikel 42, eerste lid, onder h, Procedureverordening, betekent dat bij de beoordeling betrokken moet worden of de asielmotieven al aanwezig waren bij binnenkomst, of dat die op een later moment zijn ontstaan.

De IND werpt de vreemdeling niet tegen dat hij onrechtmatig binnen is gekomen als de vreemdeling zich uit eigen beweging binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland heeft gemeld bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij een asielaanvraag wil indienen.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

Artikel 3.9

Zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk gemeld – rechtmatig binnengekomen (artikel 42, eerste lid, aanhef en onder i, Procedureverordening)

Het gaat in artikel 42, eerste lid, onder i, Procedureverordening om de situatie dat:

  1. de vreemdeling Nederland rechtmatig is binnengekomen;

  2. de vreemdeling, gezien de gronden van zijn binnenkomst, zonder goede reden niet zo spoedig mogelijk een asielaanvraag heeft ingediend

Hieronder valt ook de vreemdeling die zich meldt terwijl hij rechtmatig verblijf heeft op basis van een geldig visum. ‘Gezien de omstandigheden van zijn of haar binnenkomst’ zoals volgt in artikel 42, eerste lid, onder i, Procedureverordening, betekent dat bij de beoordeling betrokken moet worden of de asielmotieven al aanwezig waren bij binnenkomst, of dat die op een later moment zijn ontstaan.

De IND werpt de vreemdeling niet tegen dat hij zich zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk heeft gemeld als de vreemdeling zich uit eigen beweging binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland heeft gemeld bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij een asielaanvraag wil indienen.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

Artikel 3.10

Nationaliteit waarvan inwilligingspercentage lager is dan 20%

Het gaat in artikel 42, eerste lid, onder j, Procedureverordening om de situatie dat:

  1. De vreemdeling de nationaliteit heeft van, of in het geval van een staatloze zijn gewone verblijfplaats had in een derde land waarvoor volgens de meest recente beschikbare jaargemiddelden van Eurostat voor de gehele Unie, de beslissingsautoriteit in 20% of minder van de gevallen internationale bescherming heeft verleend. Dit percentage is een afspiegeling van de gemiddelde aantallen van verleende internationale bescherming van alle lidstaten.

  2. De IND werpt dit de vreemdeling niet tegen in het geval de IND oordeelt dat zich sinds de publicatie van de betreffende Eurostat-gegevens in het betrokken derde land een belangrijke wijziging heeft voorgedaan.

  3. De IND werpt dit de vreemdeling niet tegen indien de vreemdeling behoort tot een categorie van personen voor wie het erkenningspercentage van 20% of minder niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd, wegens een specifieke vervolgingsgrond.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

Artikel 4.3

Impliciete intrekking

Een aanvraag kan ook impliciet ingetrokken worden verklaard als één van de gronden van artikel 41, eerste lid, Procedureverordening van toepassing is. Ook bij impliciete intrekkingen kan inhoudelijk worden beslist, wanneer er voldoende informatie beschikbaar is om de aanvraag af te doen als (kennelijk) ongegrond op grond van artikel 31, derde lid, onder b of artikel 30b, eerste lid, onder b, Vw. Wanneer het niet mogelijk is om af te wijzen wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, Vw.

Als een of meer van de omstandigheden genoemd in artikel 41, eerste lid Procedureverordening zich voordoen en op dat moment nog geen inhoudelijke beslissing kan worden genomen, wordt de aanvraag als impliciet ingetrokken beschouwd. De IND kan de vreemdeling gelet op artikel 41, vierde lid van de Procedureverordening een hersteltermijn van maximaal drie dagen aanbieden om gegronde redenen aan te voeren voor de nalatigheden of handelingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 41 Procedureverordening en / of om alsnog te voldoen aan het hetgeen in dit artikel is opgenomen. Bij de grensprocedure, bewaringszaken en VRIS-zaken kan er maximaal een termijn van één dag gegeven worden.

Het bieden van een hersteltermijn blijft achterwege indien:

  1. de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken;

  2. het niet mogelijk is om contact met de vreemdeling op te nemen; en

  3. de vreemdeling (nog) geen advocaat heeft of een advocaat heeft die desgevraagd aangeeft geen contact meer te hebben met de vreemdeling.

Wanneer de impliciete intrekking plaatsvindt binnen het OVA-proces, wordt er gewacht met beslissen tot de uiterlijke termijn voor de screening zoals neergelegd in artikel 8 Screeningsverordening is verstreken, waarna de aanvraag in beginsel buiten behandeling wordt gesteld.

Artikel 4.4

Intrekking en grensprocedure of vreemdelingenbewaring

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt zo spoedig mogelijk een besluit omtrent weigering van de toegang als bedoeld in artikel 14 in samenhang met artikel 6 SGC (model M17), als de aanvraag binnen de grensprocedure expliciet of impliciet wordt ingetrokken.

Na het nemen van dit besluit, legt de bevoegde ambtenaar middels beschikking model M19 of M19A een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel op krachtens artikel 6, eerste en tweede lid Vw dan wel artikel 6a Vw. Het nemen van een besluit omtrent weigering van de toegang en het opleggen van deze nieuwe maatregel moet plaatsvinden binnen twee dagen na intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.

Als de vreemdeling in vreemdelingenbewaring zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel intrekt, wordt beoordeeld of aansluitend een nieuwe maatregel op grond van artikel 59, eerste lid onder a, Vw opgelegd kan worden. Ook hiervoor geldt een termijn van twee dagen.

Bij VRIS-zaken moet beoordeeld worden of er bij een inhoudelijke beslissing op grond van openbare orde een zwaar inreisverbod kan worden opgelegd.

Artikel 1.1.1

Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor het verlenen van de afgeleide verblijfsvergunning asiel voor nareizende gezinsleden van vreemdelingen met een vluchtelingenstatus staat beschreven in artikel 29c Vw.

Het wettelijk kader voor het verlenen van de afgeleide verblijfsvergunning asiel aan nareizende gezinsleden van vreemdelingen met een subsidiaire beschermingsstatus staat beschreven in artikel 29d Vw. De Gezinsherenigingsrichtlijn is hierop niet van toepassing.

De houder van een verblijfsvergunning asiel die op grond van artikel 29c Vw of artikel 29d Vw verzoekt om overkomst van zijn gezinsleden, wordt aangemerkt als ‘de referent’.

De wettelijke termijn van drie maanden, die in artikel 29c, eerste lid, Vw wordt genoemd, gaat in op de dag na die waarop het besluit voor verlening van de verblijfsvergunning asiel aan de referent bekend is gemaakt. De termijn van drie maanden is veiliggesteld als:

  1. het gezinslid eerder dan de referent Nederland is ingereisd en hier een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend; of

  2. de referent in Nederland of het nareizende gezinslid in het land van herkomst, dan wel het land van bestendig verblijf, binnen de termijn van drie maanden een aanvraag indient voor een mvv.

De IND weigert de afgeleide verblijfsvergunning asiel niet als de termijnoverschrijding op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is. Dit is conform artikel 29c, tweede lid, Vw. De IND weigert de afgeleide verblijfsvergunning asiel als er geen objectief verschoonbare reden is voor de termijnoverschrijding.

Bij de beoordeling of de termijnoverschrijding op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is kan onder andere rekening worden gehouden met:

  1. de duur van de termijnoverschrijding;

  2. de inspanningsverplichting van de vreemdeling; en

  3. bijzondere omstandigheden die zien op de termijnoverschrijding.

De wettelijke termijn van drie maanden geldt niet voor nareisaanvragen die zijn ingediend op grond van artikel 29d Vw. Voor deze aanvragen zijn de in artikel 29d Vw beschreven aanvullende voorwaarden van toepassing. Zie daartoe ook paragraaf C5/1.2 Vc.

Artikel 1.1.2

Bewijsmaterialen

De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29c of 29d Vw moet zijn identiteit en familierechtelijke relatie aannemelijk maken door in beginsel in elk geval de volgende documenten te overleggen:

  1. een geldig document voor grensoverschrijding, of een ander door de autoriteiten afgegeven document dat de identiteit van de vreemdeling aantoont;

  2. indien van toepassing, een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont;

  3. indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het kind en de ouders en eventuele broer(s) en zus(sen) aantoont.

Daarnaast moet de vreemdeling zoveel mogelijk andere bewijsmiddelen overleggen. Als de vreemdeling de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, moet hij de reden(en) hiervoor kenbaar maken. Bij deze beoordeling is paragraaf C5/1.3 Vc van overeenkomstige toepassing.

Als de vreemdeling de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen, moet hij met aanvullende gegevens en/of met plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen aannemelijk maken dat het gezinslid feitelijk behoort tot zijn gezin.

Bewijswaarde documenten

De IND kent een sterkere bewijswaarde toe aan documenten, wanneer deze door de autoriteiten van het land van herkomst zijn afgegeven en er voldoende identificerende gegevens (zoals een foto, geboortedata en (achter)namen) van de referent en het gezinslid op het document staan.

Documenten die niet zijn afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten, en documenten met weinig identificerende gegevens, hebben in de regel een zwakkere bewijswaarde.

De IND beziet bij het toekennen van bewijswaarde aan deze documenten de manier van afgifte van het document. Daarbij is van belang of het document op basis van (eigen) verklaringen of op basis van nader onderzoek door autoriteiten is opgesteld. De IND houdt hierbij rekening met de persoonlijke omstandigheden van de referent en het gezinslid, en met de administratieve praktijken van het land van herkomst of in het land van herkomst.

Artikel 1.1.3

Nader onderzoek

De IND kan in het kader van de identiteit, familierechtelijke relatie en/of feitelijke gezinsband besluiten nader onderzoek aan te bieden.

Nader onderzoek kan onder andere bestaan uit:

  1. het afnemen van een (identiteits)gehoor bij het gezinslid;

  2. het afnemen van een gehoor bij de referent;

  3. DNA-onderzoek.

De IND kan afzien van het aanbieden van nader onderzoek, als de IND oordeelt dat de identiteit, de familierechtelijke relatie en/of de feitelijke gezinsband voldoende aannemelijk is gemaakt.

Geen onderzoek mogelijk

Als de referent en/of zijn gezinslid om welke reden dan ook niet in de gelegenheid is om gebruik te maken van het aanbod van de IND om nader onderzoek te verrichten, dan zal de IND veelal daardoor de aanvraag op grond van artikel 29c of 29d Vw afwijzen.

Eigen bijdrage DNA-onderzoek

De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29c Vw of artikel 29d Vw.

Artikel 1.1.4

De referent is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling

Ingevolge artikel 29c, onder c, Vw en artikel 29d, onder c, Vw, kan de vreemdeling die een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is als referent optreden.

De IND beschouwt in dit kader een minderjarige in ieder geval als niet-begeleid als:

  1. de minderjarige Nederland is ingereisd zonder begeleiding van een volwassene die in het land van herkomst of bestendig verblijf de zorg voor de niet-begeleide minderjarige vreemdeling had; of

  2. de minderjarige in Nederland niet onder de verantwoordelijkheid van een volwassene staat die in het land van herkomst of bestendig verblijf de zorg voor de niet-begeleide minderjarige vreemdeling had.

De uitleg van de term ‘minderjarige’ in bovengenoemde definitie is als volgt. Als de vreemdeling ten tijde van de indiening van een asielaanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, merkt de IND deze vreemdeling tot drie maanden na inwilliging van die asielaanvraag aan als minderjarige. Ook al heeft de vreemdeling op het moment van inwilliging de leeftijd van 18 jaar bereikt. Het verzoek voor nareis op grond van artikel 29c Vw ten behoeve van de ouder(s) en minderjarige broers en zussen van deze vreemdeling moet binnen deze drie maanden zijn ingediend. De IND beschouwt een minderjarige in ieder geval niet als niet-begeleid in de situaties beschreven in paragraaf B8/6.1 Vc.

Of een volwassene in het land van herkomst of bestendig verblijf al de zorg had voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling kan onder andere blijken uit de wet of het gewoonterecht van dat land van herkomst of bestendig verblijf of als de minderjarige in het land van herkomst of bestendig verblijf langdurig onder de feitelijke zorg en verantwoordelijkheid van deze volwassene is geweest.

Als een minderjarige onder de begeleiding van een volwassene inreist in een lidstaat van de EU (inclusief Nederland) en vervolgens zonder begeleiding wordt achtergelaten, behandelt de IND de minderjarige als een minderjarige die zonder begeleiding van een volwassene Nederland is ingereisd. Uitzondering op deze regel is in ieder geval de situatie waarbij een ouder de minderjarige zelf naar het grondgebied van een lidstaat heeft gebracht en hem daar vervolgens zonder begeleiding heeft achtergelaten.

Artikel 1.1.5

Ambtshalve toets artikel 8 EVRM

Als de IND de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c Vw of artikel 29d Vw weigert, dan kan de IND ambtshalve beoordelen of de weigering in strijd is met artikel 8 EVRM.

In de volgende gevallen voert de IND in ieder geval geen ambtshalve 8 EVRM beoordeling uit:

  1. er wordt niet voldaan aan de formele vereisten, te weten:

    1. de referent heeft geen verblijfsvergunning asiel op grond van vluchtelingschap of subsidiaire bescherming;

    2. de aanvraag op grond van artikel 29c Vw is niet binnen drie maanden ingediend en dit is niet verschoonbaar; en

    3. het gezinslid staat niet beschreven in artikel 29c Vw of artikel 29d Vw;

  2. de aanvraag op grond van artikel 29c Vw is enkel ingediend om de drie maanden termijn veilig te stellen;

  3. de gezinsleden zijn niet beschikbaar voor nader onderzoek;

  4. de identiteit en/of familierechtelijke relatie is niet aannemelijk gemaakt;

  5. er bestaat een regulier gezinsmigratiekader voor de desbetreffende categorie.

Artikel 1.2.1

Wachttermijn

De wachttermijn voor het indienen van een aanvraag voor de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d Vw vangt aan op de datum waarop het besluit voor verlening van de verblijfsvergunning asiel aan de referent bekend is gemaakt. Deze wachttermijn bestrijkt twee jaar.

Artikel 1.2.2

Middelen van bestaan

De referent moet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. De IND weigert de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d Vw als de referent niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Verder moet de referent op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop de IND de aanvraag beslist, gelijktijdig voldoen aan alle drie de elementen van de middelen van bestaan:

  1. de middelen moeten zelfstandig zijn;

  2. de middelen moeten duurzaam zijn; en

  3. de middelen moeten voldoende zijn.

Dit betekent dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het duurzaamheidsvereiste, als:

  1. op enig moment bij of na het indienen van de aanvraag is aangetoond, dat de middelen van bestaan zijn aan te merken als duurzaam; en

  2. deze middelen op het moment van beslissen niet meer duurzaam zijn.

De direct voorafgaande alinea geldt niet als de arbeid tussen het moment van indienen van de aanvraag en het moment van beslissen is beëindigd.

De middelen moeten op het moment van beslissen nog steeds zelfstandig en voldoende zijn.

Een referent beschikt in ieder geval niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan als sprake is van een faillissement of surseance van betaling van de referent.

Uitkering uit algemene middelen

Middelen van bestaan die voortvloeien uit een beroep op de algemene middelen dragen niet bij aan de beoordeling of referent duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Artikel 1.2.2.1

Zelfstandig

Voor de beoordeling of de middelen van bestaan zelfstandig zijn, wordt aangesloten bij artikel 3.73, eerste lid, Vb.

De IND merkt de middelen van bestaan van de referent uit overige bronnen als zelfstandig aan in de zin van artikel 3.73, eerste lid, Vb als de vereiste wettelijke premies en belastingen zijn afgedragen.

De IND merkt uitkeringen, toeslagen, bijdragen, giften en vergoedingen waarover niet de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen in ieder geval niet aan als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van artikel 3.73 Vb.

Inkomen uit arbeid als zelfstandige

De IND beoordeelt de middelen van bestaan van de referent op basis van een overeenkomst van opdracht als freelancer op dezelfde wijze als het inkomen van een vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht.

Artikel 1.2.2.2

Duurzaam

De IND sluit aan bij artikel 3.75 Vb voor de beoordeling of referent over duurzame middelen van bestaan beschikt.

Flexibele arbeid

De IND sluit aan bij artikel 3.75, derde lid, Vb en artikel 3.24, VV wanneer referent beschikt over middelen uit flexibele arbeid. De IND merkt onder andere inkomsten uit arbeid voor een uitzendbureau aan als flexibele arbeid.

Als tijdens de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb een bepaalde periode een (aanvullende) uitkering uit de algemene middelen is ontvangen waarvoor geen premie is afgedragen, dan zijn de middelen in ieder geval niet duurzaam als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb.

Als tijdens de periode van een jaar als bedoeld in artikel 3.24b VV een bepaalde periode een (aanvullende) uitkering uit de algemene middelen is ontvangen waarvoor geen premie is afgedragen, dan zijn de middelen in ieder geval niet duurzaam als bedoeld in artikel 3.24b VV.

Kortdurende werkloosheid

De IND telt tijdvakken van werkloosheid mee bij de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb als tijdens deze periode zelfstandige inkomsten zijn verworven. De IND merkt als zelfstandige inkomsten ook inkomsten uit een uitkering op grond van de Ziektewet aan die door de flexwerker in deze drie jaar zijn ontvangen.

Proeftijd

Als in een arbeidsovereenkomst een proeftijd is overeengekomen, kan deze worden meegenomen bij de beoordeling of de middelen van bestaan duurzaam zijn.

Onregelmatige inkomsten

Het komt voor dat referent onregelmatige inkomsten ontvangt. Dit kan bijvoorbeeld voortkomen uit overwerk of een toelage bij weekenddiensten. Ook is het mogelijk dat er een of meerdere maanden geen inkomsten zijn geweest, bijvoorbeeld als gevolg van vakantie of als iemand niet is opgeroepen voor werk. Deze inkomsten kunnen worden meegeteld en zodoende compenseren voor de periode dat de maandelijkse inkomsten onder de gestelde inkomensnorm zijn.

De IND merkt onregelmatige inkomsten verworven uit arbeid in loondienst van de referent aan als duurzaam als deze inkomsten structureel zijn. De IND beschouwt deze inkomsten als structureel (en dus duurzaam) als de referent in beginsel elke maand van één jaar deze inkomsten heeft gehad. Het gaat dan om vaste maandelijkse inkomsten plus onregelmatige inkomsten. Het is hierbij ook mogelijk dat er in één jaar enkele maanden geen onregelmatige inkomsten zijn ontvangen.

Inkomen uit arbeid als zelfstandige

De IND beoordeelt aan de hand van de inkomsten uit het verleden van de zelfstandige of de duurzaamheid van zijn inkomen voor de toekomst gewaarborgd is. Deze beoordeling is alleen van toepassing op referenten die arbeid als zelfstandige verrichten.

Eventuele schulden die voortvloeien uit of verband houden met een schenking kunnen afgetrokken worden van de schenking bij de beoordeling van het middelenvereiste.

Inkomsten uit eigen vermogen

De IND merkt inkomsten uit eigen vermogen van de vreemdeling op grond van artikel 3.75, tweede lid, Vb aan als duurzaam als deze op het moment van de aanvraag (of het beoordelen van de aanvraag) gedurende één jaar beschikbaar zijn geweest en nog steeds beschikbaar zijn.

Het inkomen uit eigen vermogen is voldoende als het voordeel uit de grondslag sparen en beleggen, zoals opgegeven aan de Belastingdienst over het fiscale jaar voorafgaand aan de aanvraag, omgerekend per maand ten minste gelijk is aan het van toepassing zijnde normbedrag.

Artikel 1.2.2.3

Voldoende

Voor de beoordeling of referent over voldoende middelen van bestaan beschikt, wordt aansluiting gezocht bij artikel 3.74 Vb. De zinsnede ‘in ieder geval’ uit artikel 3.74, eerste lid, is niet van toepassing. Dat betekent dat de middelen van bestaan slechts voldoende zijn als zij ten minste gelijk zijn aan het minimumloon. De IND past het normbedrag toe dat van toepassing is op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen.

Bij de berekening van de hoogte van het totale inkomen telt de IND alle bestanddelen van het inkomen mee, voor zover die zelfstandig en duurzaam zijn.

Onregelmatige inkomsten

Als er sprake is van onregelmatige inkomsten, dan toetst de IND of het totaal aan inkomsten uitkomt op een bedrag dat voldoet aan de norm die de IND per maand hanteert. De IND berekent het totaal aan inkomsten als volgt. De IND:

  1. telt de vaste maandelijkse inkomsten en de onregelmatige inkomsten, in de twaalf maanden direct voorafgaand aan de aanvraag of het moment van beschikken, bij elkaar op; en

  2. deelt dit getal door twaalf.

Inkomsten uit arbeid als zelfstandige

De IND betrekt het gemiddeld inkomen per boekjaar bij de beoordeling of de inkomsten uit arbeid als zelfstandige voldoende zijn.

Artikel 1.2.3

Huisvesting

De referent moet over huisvesting beschikken. Daarvoor geldt dat de referent op het moment van indiening van de aanvraag voor een redelijke termijn van ten minste zes maanden over huisvesting moet beschikken én op het moment van beslissen nog steeds over huisvesting moet beschikken. Wanneer de referent een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, beoordeelt de IND niet of de referent beschikt over huisvesting.

De IND beoordeelt of de referent beschikt over huisvesting aan de hand van een overgelegde huurovereenkomst, eigendomsakte van een koopwoning of gebruikersovereenkomst. De huurovereenkomst dient in ieder geval de persoonsgegevens van de huurder en verhuurder, het adres, de duur van de huur en de hoogte van de huur te bevatten. De referent dient ook ingeschreven te staan op het genoemde adres van de huisvesting. Het verblijf op een doorstroomlocatie wordt ook gezien als huisvesting. De IND beoordeelt dit aan de hand van een gebruiksovereenkomst of in voorkomende gevallen een huurovereenkomst.

COA opvanglocaties worden in ieder geval niet gezien als huisvesting.

Artikel 2.1.1

Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw staat beschreven in artikel 23 van de Kwalificatieverordening 2024/1347. Artikel 3, lid 9, van de Kwalificatieveroordeling 2024/1347 benoemt wat wordt verstaan onder gezinsleden.

Artikel 2.1.2

Bewijsmaterialen

De bepalingen uit paragraaf C5/1.1.2 Vc zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.1.3

Nader onderzoek

De IND kan in het kader van de familierechtelijke relatie besluiten DNA-onderzoek aan te bieden.

Artikel 2.3.3

De meerderjarige kinderen

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw aan meerderjarige wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen die ten laste komen van de ouder(s) met wie zij zijn meegereisd naar Nederland en ongehuwd zijn.

Voor de ‘ten laste komen van’-beoordeling wordt verwezen naar C5/1.4 Vc. Tevens mag een meerderjarig kind, op grond van punt 17 van de considerans van de Kwalificatieverordening 2024/1347, op basis van een individuele beoordeling alleen als afhankelijk worden beschouwd als het niet in staat is in zijn of haar levensonderhoud te voorzien ten gevolge van een fysieke of mentale staat die verband houdt met een ernstige, niet-tijdelijke ziekte of een zware handicap.

Artikel 2.3.4

De ouder(s) of andere verantwoordelijke van een minderjarige

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw aan de vader, moeder of een andere volwassene – met inbegrip van de meerderjarige broer of zus – die wettelijk of conform de Nederlandse praktijk verantwoordelijk is voor de minderjarige.

Artikel 1.1

Grondslag

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van de artikelen 32, 41 en 45 Vw en van de 3.106 en 3.116 Vb. Het gaat hier om de intrekkingsprocedure van de verblijfsvergunning asiel op grond van vluchtelingschap, subsidiaire bescherming en de afgeleide vergunningen asiel op grond van meereis en nareis.

Artikel 1.3

Meewerkverplichting

Op grond van artikel 66, eerste lid, onder b en c, Procedureverordening is de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw verplicht mee te werken aan alle procedurestappen van de intrekkingsprocedure. Dit betekent dat de vreemdeling beschikbaar is, gevraagde informatie verstrekt en op een (intrekkings)gehoor verschijnt indien hij daarvoor uitgenodigd is.

Het niet medewerken aan de intrekkingsprocedure staat de IND niet in de weg om de procedure te vervolgen of een intrekkingsbeslissing te nemen overeenkomstig artikel 66, vijfde lid, Procedureverordening.

Artikel 1.4

Schriftelijke kennisgeving in de intrekkingsprocedure

Overeenkomstig artikel 66, eerste lid, onder a, Procedureverordening en artikel 41 Vw wordt de vreemdeling schriftelijk in kennis gesteld dat de verleende verblijfsvergunning asiel mogelijk wordt ingetrokken en wat de redenen voor deze mogelijke intrekking zijn en welke rechtsgevolgen de mogelijke intrekking heeft.

Artikel 1.5

Zienswijze

De vreemdeling krijgt op grond van artikel 41 Vw en in samenhang met artikel 3.116, tweede lid, Vb de gelegenheid om binnen een termijn van zes weken zijn zienswijze op de schriftelijke kennisgeving in te dienen.

Artikel 1.6

Uitstel voor het indienen van de zienswijze

De vreemdeling, of diens gemachtigde, kan een verzoek voor uitstel van de zienswijze aanvragen.

De IND verleent in beginsel een termijn van twee weken uitstel als er naar oordeel van de IND toereikende redenen zijn om uitstel te verlenen.

Toereikende redenen kunnen zijn:

  1. Het niet tijdig beschikbaar zijn van een tolk;

  2. Plotselinge ziekte van de vreemdeling als de ziekte door het verstrekken van een medische verklaring is aangetoond;

  3. Overplaatsing van de vreemdeling (door het COA) naar een andere verblijfslocatie als de vreemdeling schriftelijk heeft aangetoond dat de overplaatsing samenviel met de kennisgeving en de termijn om een zienswijze in te dienen en hij deze termijn hierdoor heeft gemist, of deze overplaatsing samenviel met de afspraak met de gemachtigde; of

  4. Plotselinge ziekte van de gemachtigde van de vreemdeling;

  5. Vakantie van de gemachtigde van de vreemdeling als de vakantie ten minste één maand van tevoren en met betrekking tot elke betreffende zaak is gemeld aan de IND.

Artikel 1.7

Het intrekkingsgehoor

Het persoonlijk onderhoud als bedoeld in 66, eerste lid, aanhef en onder d, Procedureverordening wordt in deze paragraaf aangeduid als het intrekkingsgehoor. Voor gezinsleden als bedoeld in artikel 29b, 29c en 29d Vw zal een zelfde intrekkingsgehoor worden gehouden indien de aan hen verleende verblijfsvergunning wordt ingetrokken. Paragraaf C1/5 Vc onder ‘Algemeen’ is van overeenkomstige toepassing op het intrekkingsgehoor. Dit geldt ook voor andere gehoren die binnen de intrekkingsprocedure kunnen plaatsvinden.

De IND stelt de vreemdeling tijdens het intrekkingsgehoor in de gelegenheid om relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen ten aanzien van de kennisgeving om de verblijfsvergunning asiel in te trekken. Indien de vreemdeling het niet eens is met het voornemen om de verblijfsvergunning asiel in te trekken, kan hij in het intrekkingsgehoor naar voren brengen wat zijn bezwaren zijn tegen de intrekking.

Bij het intrekkingsgehoor stelt de IND de vreemdeling ook in de gelegenheid om eventuele andere gronden waarop de IND een verblijfsvergunning asiel kan verlenen naar voren te brengen. Ook wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt naar voren te brengen over de overige onderdelen van de intrekkingsprocedure zoals neergelegd in C6/8 Vc.

Als de vreemdeling niet in de gelegenheid is om te verschijnen op het geplande intrekkingsgehoor, dan moet hij zo snel mogelijk contact met de IND opnemen om een nieuwe afspraak te maken voor het gehoor. Hierbij moet de vreemdeling of zijn gemachtigde aangeven en onderbouwen, waarom het gehoor niet op het geplande moment kan plaatsvinden.

De IND kan de intrekkingsprocedure zonder intrekkingsgehoor voortzetten, als ten minste één van de onderstaande situaties van toepassing is:

  1. de vreemdeling is niet bereikbaar;

  2. de verblijfsplaats van de vreemdeling is niet bekend;

  3. de vreemdeling heeft geen zienswijze ingediend; of

  4. de vreemdeling heeft geen verschoonbare reden voor het niet verschijnen bij een gepland intrekkingsgehoor.

Als de vreemdeling niet verschijnt bij het intrekkingsgehoor, neemt de IND contact op met de vreemdeling of met zijn gemachtigde om navraag te doen naar de redenen hiervoor. Het niet komen opdagen bij een intrekkingsgehoor of op andere wijze geen medewerking verlenen in de zin van artikel 66, eerste lid, onder b en c, Procedureverordening staat de IND niet in de weg om een beslissing op intrekking te nemen.

Als de vreemdeling een verschoonbare reden heeft, dan nodigt de IND de vreemdeling opnieuw uit voor een intrekkingsgehoor. De IND merkt de volgende omstandigheden in beginsel niet aan als verschoonbare redenen voor het niet verschijnen:

  1. vakantie of werk van de vreemdeling;

  2. detentie van de vreemdeling;

  3. nalatigheid; of

  4. de vreemdeling heeft de uitnodigingsbrief na ontvangst niet gelezen.

Artikel 1.8

Reactietermijn intrekkingsgehoor

De IND geeft de vreemdeling in beginsel een termijn van twee weken om schriftelijk op het rapport van het intrekkingsgehoor te reageren. Paragraaf C1/5.4 Vc is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.9

Afsluiting verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 66, zesde lid, Procedureverordening en artikel 32, zesde lid, Vw

De IND sluit de erkenning van internationale bescherming op grond van artikel 32, zesde lid Vw als er sprake is van in ieder geval een van de volgende situaties:

  1. De vreemdeling ziet ondubbelzinnig af van de erkenning van de beschermingsstatus;

  2. De vreemdeling is een onderdaan geworden van een andere lidstaat; of

  3. De vreemdeling heeft na het verkrijgen van internationale bescherming in Nederland in een andere lidstaat internationale bescherming gekregen.

Indien de IND de erkenning van internationale bescherming afsluit, wordt bezien of een terugkeerbesluit kan worden genomen. Met name in de situatie dat de vreemdeling ondubbelzinnig afziet van zijn erkenning, zal het niet altijd op voorhand duidelijk zijn of de vreemdeling nog in Nederland is en of een terugkeerbesluit kan worden genomen. De IND kan er in een voorkomend geval voor kiezen om navraag te doen bij de vreemdeling wat de reden is van het afzien van internationale bescherming en of er wellicht sprake is van rechtmatig verblijf in een andere lidstaat waardoor geen terugkeerbesluit mogelijk is. De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld om redenen aan te voeren waarom aan hem geen terugkeerbesluit mag worden gegeven.

Op grond van artikel 66, zesde lid, Procedureverordening in combinatie met artikel 32, zesde lid, Vw vermeldt de IND de afsluiting en de rechtsgrond voor deze afsluiting in het dossier.

Het ondubbelzinnige afzien van de erkenning als persoon die internationale bescherming geniet blijkt onder andere uit een ondertekende brief van de vreemdeling of diens gemachtigde, toezending van model M53-A, of een verklaring van vrijwillig vertrek, inclusief verklaringen van IOM of DTenV.

Artikel 2.3

Overige (oude) vergunningen op grond van internationale bescherming

Er kunnen zich situaties voordoen waarop de vreemdeling mogelijk in aanmerking komt voor de intrekking van een vergunning (bepaalde of onbepaalde tijd) die gebaseerd is op het recht dat nog verder in het verleden ligt. Voor die vergunningen geldt de bepaling dat per geval wordt beoordeeld welk recht van toepassing is om een verblijfsvergunning asiel op grond van internationale bescherming afgegeven voor 12 juni 2026, in te trekken. Dit met inachtneming van eerdere overgangsrechtelijke bepalingen.

Artikel 3.1

Indiening aanvraag om verlenging van de verblijfstitel

De vreemdeling dient de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel in met het vereiste aanvraagformulier.

Als de vreemdeling de aanvraag te vroeg indient, dan stuurt de IND de vreemdeling een brief dat de aanvraag te vroeg is ingediend.

De aanvraag is te vroeg ingediend als de vreemdeling de aanvraag voor verlenging van de verblijfstitel meer dan drie maanden voor afloop van de geldigheidsduur heeft ingediend.

De IND doet de zaak dan niet inhoudelijk af en de vreemdeling moet een nieuwe aanvraag indienen op zijn vroegst drie maanden voordat de geldigheidsduur zal verlopen.

Artikel 3.2

Duur verlenging verblijfstitel

Op grond van artikel 9, derde lid Vw verlengt de IND de verblijfstitel van de vreemdeling met de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus voor een periode van drie jaar en geeft een nieuw verblijfsdocument af.

Op grond van artikel 9, vierde lid, Vw, verlengt de IND de verblijfstitel van mee- of nareizende gezinsleden als bedoeld in artikel 29b, 29c of 29d, Vw, voor de duur van de verblijfstitel die aan de vreemdeling met de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus is verleend en geeft een nieuw verblijfsdocument af.

Artikel 4

Algemeen

De IND kan op grond van artikel 32 Vw een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, 29a, 29b, 29c of 29d Vw intrekken. De volgende artikelen zijn van toepassing:

  1. artikel 14 Kwalificatieverordening indien de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw (vluchtelingschap);

  2. artikel 19 Kwalificatieverordening indien de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a Vw (subsidiaire bescherming);

  3. artikel 32, derde en vierde lid, Vw en artikel 23, derde tot en met vijfde lid Kwalificatieverordening indien de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw (afgeleide asielvergunning meereizend gezinslid).

  4. Artikel 32, derde en vijfde lid, Vw indien de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of 29d Vw (afgeleide asielvergunning nareizend gezinslid).

Artikel 4.1

Intrekkingsgronden volgend uit de Kwalificatieverordening (artikel 14 en 19 Kwalificatieverordening)

De IND trekt de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus van een vreemdeling in als:

  1. de vreemdeling is opgehouden vluchteling te zijn of niet meer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming (conform artikel 11 en 16, Kwalificatieverordening);

  2. de vreemdeling uitgesloten is of had moeten zijn van de erkenning als vluchteling of subsidiaire bescherming (conform artikel 12 en 17, Kwalificatieverordening);

  3. de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of valse documenten heeft gebruikt of feiten heeft achtergehouden, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus;

  4. er redelijke gronden zijn de vluchteling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid;

  5. de vluchteling definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap van de lidstaat waar de vreemdeling zich op dat moment bevindt;

  6. er ernstige redenen bestaan dat de subsidiair beschermde een gevaar vormt voor de nationale veiligheid;

  7. de subsidiair beschermde een ernstig misdrijf heeft gepleegd voorafgaand aan zijn of haar aankomst in Nederland of voor een ernstig misdrijf is veroordeeld na zijn of haar aankomst;

Imperatief

Al deze gronden zijn imperatief voor de vluchtelingstatus en de subsidiairebeschermingsstatus. Dit betekent dat het intrekken van de vergunning asiel dwingend wordt voorgeschreven als wordt voldaan aan minimaal één van de gronden. De IND voert voor deze intrekkingsgronden geen evenredigheidstoets uit. Er bestaat geen discretionaire bevoegdheid om van deze bepaling af te wijken.

Artikel 4.2

Meerdere intrekkingsgronden

Als er meerdere intrekkingsgronden van toepassing zijn, trekt de IND de verblijfsvergunning in per datum van de intrekkingsgrond die chronologisch het verst teruggrijpt in het verblijfsrecht.

Indien één van de intrekkingsgronden ziet op het gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid, en deze al dan niet het verst teruggrijpt in het verblijfsrecht, vermeldt de IND deze intrekkingsgrond in ieder geval in het intrekkingsbesluit. De IND betrekt de openbare orde of nationale veiligheidsaspecten altijd bij de besluitvorming.

Artikel 5.3

Onjuiste gegevens (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening)

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw in als er sprake is van een situatie waarin de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of valse documenten heeft gebruikt of feiten heeft achtergehouden, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingstatus.

Bij de beoordeling of sprake is van deze intrekkingsgrond, wordt beoordeeld of de nieuw bekend geworden gegevens, wanneer ze op het moment van inwilligen bekend waren geweest, hadden geleid tot een afwijzing. Daarbij wordt getoetst aan de hand van het beleid dat op het moment van inwilliging geldig was en op basis van de informatie over het land van herkomst dat op dat moment bekend was.

Wanneer de IND overgaat tot het intrekken van de vluchtelingstatus, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de vluchtelingstatus toegekend had mogen krijgen.

Artikel 5.4

Gevaar voor de nationale veiligheid (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening)

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw in als er redelijke gronden bestaan de vreemdeling te beschouwen als gevaar voor de nationale veiligheid.

Het beleid in paragraaf C4/3.6.8 Vc en paragraaf B1/4.4 Vc onder nationale veiligheid is van overeenkomstige toepassing.

Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken, reeds bestonden bij verlening van de vergunning, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de vluchtelingstatus toegekend had mogen krijgen.

Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken nog niet bestonden bij verlening van de vergunning, maar pas na verlening van de vergunning zijn ontstaan, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop de intrekkingsgrond van toepassing is (geworden). De IND beoordeelt en bepaalt dit aan de hand van de individuele omstandigheden in de zaak.

Artikel 5.5

Gevaar voor de openbare orde (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening)

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw in als de vreemdeling definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap. De vreemdeling vormt dan namelijk een gevaar voor de openbare orde.

Bij de beoordeling of sprake is van een intrekkingsgrond omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, is paragraaf C4/3.6.7 Vc van overeenkomstige toepassing.

Wanneer de IND overgaat tot het intrekken van de vluchtelingstatus, wordt de eerdere beslissing om de vluchtelingstatus te verlenen herroepen. De IND trekt in die gevallen met terugwerkende kracht in tot de datum waarop de veroordeling voor het bijzonder ernstig misdrijf definitief geworden is, overeenkomstig artikel 14, eerste lid en onder e, Kwalificatieverordening. Dit houdt in dat indien de veroordeling voor het bijzonder ernstig misdrijf definitief geworden is voor de vergunningverlening, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de vluchtelingstatus toegekend had mogen krijgen.

Indien de veroordeling voor het bijzonder ernstig misdrijf definitief is geworden na het verlenen van de vluchtelingstatus, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de datum van definitief worden van de veroordeling. De feiten en omstandigheden waarop de vluchtelingstatus moet worden ingetrokken zijn immers ontstaan na verlening van de vluchtelingstatus.

Artikel 6.3

Onjuiste gegevens (artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening)

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a Vw in als er sprake is van een situatie waarin de IND heeft beoordeeld dat de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of valse documenten heeft gebruikt of feiten heeft achtergehouden, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de subsidiaire beschermingsstatus.

Hetgeen is opgenomen onder paragraaf 2.3 is van overeenkomstige toepassing bij de intrekking van de subsidiairebescherminggstatus op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening.

Artikel 7

Intrekken afgeleide asielvergunning van mee- of nareizende gezinsleden

Imperatief

Als de verblijfsvergunning asiel van de hoofdpersoon (referent) wordt ingetrokken, dan trekt de IND gelijktijdig de verblijfsvergunning asiel van het gezinslid in. Dit volgt uit artikel 32, derde lid, Vw. Vanwege de aard van de afgegeven vergunning aan het gezinslid is er geen sprake van (zelfstandige) asielmotieven. Het intrekken van de vergunning asiel op grond van meereis en/of nareis wordt in die gevallen dwingend voorgeschreven. De IND voert voor deze intrekkingsgronden geen evenredigheidstoets uit. Er bestaat geen discretionaire bevoegdheid om van deze bepaling af te wijken. Wel kan het gezinslid tijdens de intrekkingsprocedure zelfstandige asielmotieven zelf naar voren brengen. De IND betrekt dit bij de ex nunc beoordeling. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf C6/8.1 Vc.

Niet-imperatief

Indien de IND beoordeelt dat de vergunning asiel van het gezinslid, die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b, 29c of 29d Vw, op eigen merites kan worden ingetrokken, is het aan de vreemdeling om in de zienswijze en tijdens het gehoor te verklaren over redenen waarom de vergunning niet zou mogen worden ingetrokken. Eventuele zelfstandige asielmotieven moet de vreemdeling zelf naar voren brengen. Deze betrekt de IND bij de beoordeling. In deze gevallen voert de IND wel een evenredigheidstoetsing uit. Indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, wordt voor de evenredigheidstoets aangesloten bij het beoordelingskader van C4/3.6.5 en C4/3.6.6.

Artikel 7.1

Intrekking verblijfsvergunning asiel meereizend gezinslid (art. 29b Vw)

Intrekking van artikel 29b Vw is op grond van artikel 32, vierde lid, Vw, mogelijk wanneer de gevallen zich voordoen zoals genoemd in artikel 23, derde tot en met vijfde lid, van de Kwalificatieverordening.

Als het om redenen van nationale veiligheid of openbare orde noodzakelijk wordt geacht, wordt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw ingetrokken of niet verlengd op grond van artikel 23, vijfde lid Kwalificatieverordening. Voor de beoordeling van de openbare orde wordt aangesloten bij paragraaf C4/3.6.5 Vc. Paragraaf B1/4.4 Vc onder nationale veiligheid is van overeenkomstige toepassing. Voor de invulling van de ex nunc toets wordt verwezen naar paragraaf C6/8.1 Vc.

Artikel 7.2

Intrekking verblijfsvergunning asiel nareizend gezinslid (art. 29c en 29d Vw)

Intrekking van artikelen 29c en 29d Vw is op grond van artikel 32, vijfde lid, Vw, mogelijk wanneer:

  1. achteraf blijkt dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt of achterhouden;

  2. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

  3. de gronden voor verlening zijn komen te vervallen voor de vreemdeling; of

  4. de vreemdeling niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt.

In geval van een intrekking op grond van artikel 32, vijfde lid, aanhef en onder b, Vw, trekt de IND de afgeleide verblijfsvergunning asiel in beginsel in met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de verblijfsvergunning had mogen krijgen.

In geval van een intrekking op grond van artikel 32, vijfde lid, aanhef en onder d, Vw trekt de IND de afgeleide verblijfsvergunning asiel in beginsel in met terugwerkende kracht tot aan de vastgestelde datum waarop de huwelijks- of gezinsband is verbroken.

Indien de erkenning van internationale bescherming op grond van artikel 32, zesde lid Vw wordt afgesloten van de hoofdpersoon, volgt ten aanzien van diens gezinsleden die een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29b, 29c of 29d Vw hebben een intrekkingsbesluit gelet op het bepaalde in artikel 32, derde lid Vw. Eventuele zelfstandige asielmotieven moet de vreemdeling zelf naar voren brengen.

Voor de invulling van de ex nunc toets wordt verwezen naar paragraaf C6/8.1 Vc.

Openbare orde en nationale veiligheid

Indien sprake is van een gevaar voor de openbare orde beoordeelt de IND of de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c en 29d Vw kan worden ingetrokken op grond van artikel 32, vijfde lid, onder b, Vw. Voor de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde wordt aangesloten bij paragraaf C4/3.6.6 Vc.

Indien sprake is van een verblijfsvergunning asiel op grond van 29c of 29d Vw toetst de IND aan artikel 3.86, eerste tot en met het twaalfde en zeventiende lid, Vb alsmede artikel 3.87 Vb en paragraaf B1/6.2.2 Vc zijn van overeenkomstige toepassing.

Indien sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid, beoordeelt de IND of de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c en 29d kan worden ingetrokken op grond van artikel 32, vijfde lid, onder b, Vw. Paragraaf B1/4.4 Vc onder nationale veiligheid is van overeenkomstige toepassing.

Huwelijks- of gezinsband

Voor het beoordelen van de feitelijke gezinsband tussen echtgenoten wordt verwezen naar paragraaf C5/1.4 Vc.

Voor het beoordelen van de feitelijke gezinsband tussen ouders en hun biologische kinderen wordt verwezen naar paragraaf C5/1.4 Vc.

De IND beschouwt de gezinsband tussen ouders en kinderen niet als verbroken als de nareizende gezinsleden wegens een tekort aan passende woonruimte noodgedwongen op een ander adres dan de referent worden gehuisvest.

Bij het verbreken van de huwelijks- of gezinsband trekt de IND de verblijfsvergunning asiel in ieder geval niet in of wijst de aanvraag om verlenging van de verblijfstitel in ieder geval niet af als:

  1. het minderjarig of meerderjarig kind op het moment van het verbreken van de gezinsband langer dan één jaar houder is van de afgeleide verblijfsvergunning asiel in het kader van nareis bij zijn of haar ouder(s);

  2. de ouder(s) op het moment van verbreken van de gezinsband langer dan één jaar houder zijn van de afgeleide verblijfsvergunning in het kader van nareis bij hun (minderjarige) kind; of

  3. een situatie zoals bedoeld in artikel 3.106 Vb zich voordoet.

Artikel 8

Overige onderdelen van de toets

Indien de IND heeft geconcludeerd dat een intrekkingsgrond van toepassing is en heeft geconcludeerd dat de verleende verblijfsvergunning asiel ingetrokken moet worden, kan de intrekkingsprocedure de volgende onderdelen bevatten:

  1. de ex-nunc beoordeling;

  2. de ambtshalve toets;

  3. de beoordeling van de actuele vrees bij terugkeer (terugkeerbeletsel);

  4. het nemen van een terugkeerbesluit; en

  5. het opleggen van een maatregel.

Deze worden hieronder verder uitgewerkt. Vervolgens wordt toegelicht hoe de beoordeling er in verschillende situaties uit komt te zien.

Artikel 8.1

De ex nunc beoordeling

De ex nunc beoordeling houdt in dat de IND beoordeelt of op het moment van herbeoordelen alsnog aannemelijk is dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst en op grond daarvan in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw. Dit geldt voor vreemdelingen die een internationale beschermingsstatus hebben, maar ook voor vreemdelingen die op dit moment een afgeleide asielstatus hebben op grond van meereis of nareis en waarvan de vergunning wordt ingetrokken.

Het is aan de vreemdeling om gedurende de intrekkingsprocedure aannemelijk te maken dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling kan dit op ieder gewenst moment doen, waaronder in de zienswijze en tijdens het gehoor. De IND betrekt deze gronden in de besluitvorming van het intrekkingsbesluit. In deze beoordeling betrekt de IND of de eerdere intrekkingsgrond alsnog in de weg staat aan de verlening van de status en de daarmee samenhangende vergunning. Indien de vreemdeling niet meewerkt, vormt het ontbreken van een verklaring, conform artikel 66, vijfde lid, Procedureverordening geen beletsel om een beslissing tot intrekking van de internationale bescherming te nemen.

Indien de IND tot de conclusie komt dat de vreemdeling in aanmerking komt voor bescherming op een andere grond dan waarvoor de huidige vergunning is afgegeven, maakt de IND een tweeledig besluit op waarin de IND de huidige asielstatus intrekt op grond van de intrekkingsgrond die van toepassing is. Tegelijk wordt gemotiveerd op welke grond de vreemdeling (alsnog) in aanmerking komt voor een internationale beschermingsstatus.

Een ex nunc toets wordt niet gedaan om te beoordelen of de vreemdeling opnieuw in aanmerking komt voor een afgeleide vergunning. In het kader van ex nunc wordt namelijk beoordeeld of er sprake is van een actuele vrees bij terugkeer. Bij de afgeleide vergunning is vanwege de aard van de vergunning geen sprake van (zelfstandige) vrees bij terugkeer.

Openbare orde

Indien er sprake is van openbare orde aspecten die een eerste indicatie geven voor een herbeoordeling van de status, beoordeelt de IND of er sprake is van één of meerdere intrekkingsgronden. Indien de vreemdeling opgehouden is vluchteling of subsidiair beschermde te zijn, wordt in beginsel ingetrokken op het vervallen van de verleningsgrond. De IND betrekt de openbare orde of nationale veiligheidsaspecten wel bij de beoordeling of een maatregel opgelegd moet worden.

Artikel 8.2

Ambtshalve toets

Als de IND de verblijfsvergunning asiel intrekt, beoordeelt de IND of de vreemdeling in aanmerking komt voor:

  1. een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste en vijfde lid, Vb en de onder de in dit artikel genoemde beperkingen; of

  2. uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw (zie verder paragraaf C1/7 Vc onder ‘ambtshalve toets’).

Als er een zwaar inreisverbod is of wordt opgelegd, laat de IND de ambtshalve toets op grond van artikel 3.6a Vb achterwege, behoudens de beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM. Zie hiervoor C1/7 Vc.

Daarnaast blijft bij het vervallen van de verleningsgrond de ambtshalve toets achterwege in de situatie wanneer de vreemdeling niet in Nederland verblijft.

Artikel 8.3

Beoordeling actuele vrees bij terugkeer (terugkeerbeletsel)

Aan de hand van de ex nunc beoordeling, concludeert de IND of de vreemdeling een (actuele) gegronde vrees heeft om vervolgd te worden of een (actueel) reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst of derde land. Indien dat het geval is, is er sprake van een terugkeerbeletsel. Indien de IND beoordeelt dat er sprake is van een terugkeerbeletsel, legt de IND geen terugkeerbesluit op. Paragraaf C3/3.3.2.3 Vc is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.4

Het nemen van een terugkeerbesluit

Indien de IND de verblijfsvergunning asiel intrekt en heeft beoordeeld dat er geen sprake is van een terugkeerbeletsel, neemt de IND een terugkeerbesluit. Paragraaf A3/1.1 Vc is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.5

Het opleggen van een maatregel

Indien de IND de verblijfsvergunning asiel heeft ingetrokken, heeft beoordeeld dat er geen sprake is van een terugkeerbeletsel en daarom een terugkeerbesluit genomen heeft, beoordeelt de IND of er een maatregel opgelegd moet worden. Het kan hier gaan om een (zwaar) inreisverbod, een ongewenstverklaring en een Besluit tot Signalering. Zie hiervoor hoofdstuk A4 Vc.

Als de IND de verblijfsvergunning asiel intrekt en heeft beoordeeld dat er wel sprake is van een terugkeerbeletsel, beoordeelt de IND of er een Besluit tot Signalering dan wel ongewenstverklaring moet worden opgelegd. Zie hiervoor paragrafen A4/3 en A4/4 Vc.

Artikel 3

Vertrekmoratorium

De vreemdeling die onder de werking van het vertrekmoratorium valt, maar geen opvang of voorzieningen meer heeft, kan deze verkrijgen door zich in persoon te melden bij AC Ter Apel. De vreemdeling hoeft geen aanvraag in te dienen voor opvang of voorzieningen. Evenmin hoeft de vreemdeling een aanvraag in te dienen voor een verblijfsvergunning asiel.

De IND verstrekt een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ aan de vreemdeling.

De vreemdeling valt niet onder de werking van het vertrekmoratorium als de vreemdeling aantoonbaar uit Nederland is vertrokken na de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.

Aantoonbaar vertrek uit Nederland kan in ieder geval blijken uit de volgende situaties:

  1. een lidstaat heeft een verzoek tot terugname of overname op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening ingediend bij Nederland;

  2. er is sprake van een geëffectueerde of gefaciliteerde terugkeer;

  3. er heeft een overdracht plaatsgevonden op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;

  4. er is een hitmelding in EURODAC.

Wanneer het vertrekmoratorium eindigt, eindigt het recht op opvang en voorzieningen van rechtswege.

Artikel 2

Tijdelijke bescherming

De Raad van de EU kan op grond van richtlijn 2001/55 besluiten een nader omschreven groep vreemdelingen voor een bepaalde periode tijdelijke bescherming te verlenen. De IND biedt een vreemdeling die in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, in Nederland de mogelijkheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in te dienen. De vreemdeling van wie de opvang op grond van de meeromvattende asielbeschikking is beëindigd, hoeft geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in te dienen, als de vreemdeling zich op het moment waarop tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55 wordt ingesteld nog in Nederland bevindt.

De vreemdeling, die meent in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, meldt zich op een daartoe aangewezen plaats om tijdelijke bescherming te krijgen. De IND moet beoordelen of de vreemdeling valt onder Richtlijn 2001/55, de specifieke groep vreemdelingen zoals omschreven in een besluit van de Raad van de Europese Unie als bedoeld in artikel 5, derde lid van richtlijn 2001/55 of een op grond van artikel 3.1a Vb, eerste lid aanhef en onder e Vb aangewezen groep vreemdelingen in combinatie met artikel 3.9a VV. De IND moet tevens de voor die beoordeling noodzakelijke gegevens registreren. De IND verlengt overeenkomstig artikel 43a Vw de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor de duur van de tijdelijke bescherming.

De IND is bevoegd een beslissing te nemen op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voordat de termijn voor de tijdelijke bescherming is beëindigd.

De vreemdeling heeft het recht op opvang zolang de tijdelijke bescherming van kracht is.

De IND weigert tijdelijke bescherming indien:

  1. de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden om voor tijdelijke bescherming in aanmerking te komen;

  2. aangenomen kan worden dat de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde;

  3. er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in artikel 1F (zie paragraaf C4/3.6.9 Vc); of

  4. er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid (paragraaf B1/4.4 Vc)

Bij de vraag of er redelijke gronden zijn om een gevaar voor de openbare orde aan te nemen, wordt er aangesloten bij de criteria om vluchtelingschap te onthouden. Er moet derhalve sprake zijn van een onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordeling wegens een bijzonder ernstig misdrijf. Hierbij wordt aangesloten bij hetgeen in paragraaf C4/3.6.3 Vc is neergelegd, inclusief de daarin opgenomen evenredigheidstoets.

De IND beëindigt of trekt de tijdelijke bescherming in als de vreemdeling niet (langer) aan de voorwaarden voldoet voor tijdelijke bescherming danwel één van de overige weigeringsgronden zich voordoet.

Artikel 1

Landgebonden asielbeleid algemeen

Het landgebonden asielbeleid bevat beleidsregels ten aanzien van het land van herkomst van de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend.

In deze paragraaf kunnen daarnaast de veilige landen van herkomst worden opgesomd, met vermelding van relevante bijzonderheden.

Als een algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de situatie in een land beschikbaar is, dan wordt dat betrokken bij het asielbeleid ten aanzien van dat land.

Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid in de hoofdstukken C1 tot en met C8 Vc en betreft geen uitzonderingsregeling.

De opbouw van de paragrafen van dit hoofdstuk wijkt af van de opbouw van de hoofdstukken C1 tot en met C8 Vc en is conform de volgorde van toetsing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. Zie ook paragraaf C3/2 Vc.

Artikel 1.2

Veilige landen van herkomst

Albanië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

Armenië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  1. LHBTIQ+;

  2. personen van wie aannemelijk is dat ze in strafrechtelijke detentie worden geplaatst.

Bosnië en Herzegovina

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

Brazilië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  1. journalisten die berichten over corruptie, criminaliteit en/of zich kritisch uitlaten over de regering;

  2. milieuactivisten die zich, in gebieden waarin dat aan de orde is, actief verzetten tegen (illegale) mijnbouw en landontginning;

  3. LHBTIQ+.

Georgië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  1. personen die afkomstig zijn uit de gebieden die niet onder de effectieve controle van de centrale autoriteiten staan, te weten de Georgische regio’s Abchazië en Zuid-Ossetië;

  2. LHBTIQ+.

Ghana

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  1. LHBTIQ+;

  2. journalisten.

India

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  1. vreemdelingen die afkomstig zijn uit de ‘union territory’ Jammu en Kasmir;

  2. religieuze minderheden die vanwege het behoren tot die religieuze minderheid problemen hebben ondervonden;

  3. Dalit-vrouwen en -meisjes;

  4. journalisten;

  5. personen die zich kritisch hebben getoond over de Indiase overheid en het overheidsbeleid, en als gevolg daarvan problemen hebben ondervonden (bijvoorbeeld mensenrechtenactivisten, academici en demonstranten).

Jamaica

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  1. LHBTIQ+.

Kosovo

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

Marokko

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  1. LHBTIQ+;

  2. (online) journalisten en (mensenrechten)activisten, die kritiek uitoefenen op de Islam, het koningshuis en/of de Marokkaanse regering – onder meer vanwege het officiële standpunt van de regering betreffende de Westelijke Sahara;

  3. de Hirak Rif-activisten en journalisten die verslag deden over de situatie in het Rifgebergte en de demonstraties aldaar;

  4. personen die te maken krijgen met strafrechtelijke vervolging, en die concreet aannemelijk kunnen maken dat de in Marokko bestaande wettelijke waarborgen tegen schendingen van de rechten en vrijheden in hun individuele geval niet worden geboden.

Mongolië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

Montenegro

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

Noord-Macedonië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

Oekraïne

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van Oekraïne als veilig land van herkomst is opgeschort.

Senegal

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  1. LHBTIQ+;

  2. personen die te maken krijgen met strafrechtelijke vervolging, en die concreet aannemelijk kunnen maken dat de in Senegal bestaande wettelijke waarborgen tegen schendingen van de rechten en vrijheden in hun individuele geval niet worden geboden.

Servië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  1. journalisten;

  2. personen van wie aannemelijk is dat ze in strafrechtelijke detentie zullen worden geplaatst;

  3. LHBTIQ+.

Tunesië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  1. LHBTIQ+;

  2. personen die aannemelijk kunnen maken dat ze een zogenoemde S17-maatregel op hun naam hebben staan;

  3. journalisten, activisten en politiek opponenten, die kritiek uitten op de president en/of regering;

  4. personen die te maken krijgen met (strafrechtelijke) vervolging, en die concreet aannemelijk kunnen maken dat de in Tunesië bestaande wettelijke waarborgen tegen schendingen van de rechten en vrijheden in hun individuele geval niet worden geboden.

Verenigde Staten

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

Artikel 2.2

Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND neemt in de regel ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C4/3.6.10 Vc aan:

  1. onderofficieren en officieren van de KhaD en de WAD;

  2. de volgende leden van de Hezb-i-Wahdat:

    1. alle leden van het Centrale Leiderschapsorgaan, Shura-i-Markazi;

    2. de leden van het Militair Comité van Shura-i-Markazi;

    3. de leden van het Politiek Comité van Shura-i-Markazi;

    4. de hoofden van de Provinciale Vertegenwoordigingen;

    5. alle commandanten van een ferq’a; en

    6. hoge officieren van de strijdkrachten van Hezb-i-Wahdat.; en

  3. hoofd- en opperofficieren van de volgende afdelingen van de Afghaanse politie in de periode 1978–1996:

    1. de Kumandani-ye Umumi-ye Defa-ye Inquelab;

    2. de Riasat-e-Makhsous; en

    3. de Operatifi-ye Mahabas.

Artikel 2.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2.3 Vc

Groepsvervolging wordt aangenomen voor tolken die hebben gewerkt voor internationale militaire- of politiemissies in Afghanistan.

Artikel 2.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C2/2.4 Vc

De IND merkt voor Afghanistan uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen aan als risicoprofiel:

  1. vrouwen;

  2. mensenrechtenactivisten;

  3. journalisten en personen werkzaam in de media;

  4. niet-moslims, waaronder bekeerlingen, afvalligen, christenen, bahai en sikhs/hindoes;

  5. LHBTIQ+.

Artikel 2.3.2.1

Toelichting vrouwen

Gelet op het samenstel van discriminerende ernstige maatregelen die ten aanzien van Afghaanse vrouwen thans gelden, verleent de IND in beginsel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan een Afghaanse vrouw. Er wordt niet verlangd dat zij bij terugkeer haar levensstijl noodgedwongen aanpast aan deze regels. Er blijft echter een individuele toetsing plaatsvinden, zoals beschreven in paragraaf C3/2.3 Vc. Als op grond van haar individuele asielrelaas is gebleken dat zij geen bescherming op grond van de discriminerende maatregelen van de Taliban nodig heeft, wordt geen asielbescherming verleend.

Artikel 2.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 2.4.1.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 2.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Afghanistan aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de provincies Badakhshan, Kabul, Kandahar, Khost, Kunar, Nangahar, Paktia, Paktika en Takhar.

Artikel 2.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen.

Artikel 2.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat in Afghanistan geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is voor personen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade door de Taliban.

Voor vrouwen en meisjes geldt dat van een binnenlands beschermingsalternatief geen sprake is.

Voor vreemdelingen die een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening kan in beginsel worden aangenomen dat er een beschermingsalternatief elders in Afghanistan is, voor zover wordt voldaan aan de algemeen geldende voorwaarden.

Voor personen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade door andere partijen, zoals ISKP, NRF, AFF of is gerelateerd aan bijvoorbeeld bloed en eerwraak, kan in individuele gevallen wel sprake zijn van een binnenlands beschermingsalternatief.

Artikel 2.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Afghanistan geldt in ieder geval dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 5.2

Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

Artikel 5.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 5.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Azerbeidzjan uitsluitend de volgende categorie vreemdelingen aan als risicoprofiel:

  1. personen die actief zijn in de politiek, journalistiek, of op het gebied van mensenrechten.

Artikel 5.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 5.4.1.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 5.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 5.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:

  1. personen die behoren tot de Armeense bevolkingsgroep;

  2. LHBTIQ+;

  3. personen die actief zijn in de politiek, journalistiek, of op het gebied van mensenrechten en om die reden in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan.

Artikel 5.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 5.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Azerbeidzjan geldt in zijn algemeenheid dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 6.2

Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

Artikel 6.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 6.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Belarus de volgende groepen vreemdelingen aan als risicoprofiel:

  1. oppositieleden, politieke activisten, journalisten en mensenrechtenactivisten;

  2. transgenders.

Artikel 6.4.1

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 6.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 6.4.1.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 6.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 6.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 6.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 6.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Ten aanzien van adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc geldt het volgende.

In Belarus zijn er opvangvoorzieningen waarvoor de autoriteiten zorg dragen. Dat deze opvang in het algemeen toereikend is, staat niet vast.

In een voorkomend geval kan – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 9.2

Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

Artikel 9.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:

  1. Tibetanen die te maken hebben met repressie;

  2. Oeigoeren; en

  3. actieve aanhangers van religieuze en spirituele bewegingen die door de Chinese autoriteiten zijn aangemerkt als xie jiao;

Artikel 9.3.1.1

Toelichting Tibetanen

Tibetanen kunnen te maken hebben met repressie in China, als zij:

  1. als advocaat, politiek activist of blogger actief zijn geweest;

  2. verdacht worden van separatistische sympathieën;

  3. steun hebben betuigd aan de dalai lama in China, of daarvan verdacht worden;

  4. te maken hebben gehad met religieuze activiteiten die door de overheid worden gezien als uitingen van politieke onvrede of streven naar onafhankelijkheid; of

  5. om andere redenen de negatieve aandacht van de Chinese autoriteiten hebben getrokken dan wel zullen trekken en de overheid deze zien als uitingen van politieke onvrede of streven naar onafhankelijkheid.

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan de Tibetaan afkomstig uit China die aannemelijk maakt dat hij tot een of meerdere van deze groepen behoort.

Artikel 9.3.1.2

Toelichting Xie jiao

Door de Chinese autoriteiten als xie jiao aangemerkt zijn in ieder geval de groepen die in bijlage 13.2 van het algemeen ambtsbericht China juli 2020 worden genoemd.

Ten aanzien van ‘actieve’ aanhangers: het gaat hierbij nadrukkelijk niet alleen om leiders en personen die zich bezighouden met ledenwerving, maar ook om actieve beoefenaars en actieve ‘gewone’ leden van wie bij de autoriteiten bekend is dat zij behoren tot een als xie jiao aangemerkte beweging.

Artikel 9.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor China de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  1. leden van oppositiepartijen;

  2. politieke activisten;

  3. dissidenten;

  4. mensenrechtenverdedigers;

  5. aanhangers van ‘grijze’ kerkgenootschappen; en

  6. (etnische) moslimgroeperingen uit Xinjiang, zoals Kazachen, Kirgiezen, Oezbeken en Hui-moslims.

Artikel 9.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 9.4.1.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 9.4.1.3

Vreemdelingen die illegaal China zijn uitgereisd

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw aan de Tibetaan afkomstig uit China die aannemelijk heeft gemaakt dat hij illegaal China is uitgereisd.

Artikel 9.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 9.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 9.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 9.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In China is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.

Artikel 9.8

Bijzonderheden

De IND betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van met name Oeigoeren de vraag of Turkije of een ander land als eerste land van asiel of veilig derde land kan worden aangemerkt zoals beschreven in paragraaf C4/2 Vc.

De IND houdt er bij de behandeling van individuele asielaanvragen van inwoners van Hongkong rekening mee dat verblijf in Hongkong geen belemmering vormt voor vervolging door de Chinese autoriteiten in Peking.

Artikel 10.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 10.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 10.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 10.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Colombia aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de departementen Antioquia, Arauca, Bolivar, Cauca, Choco, Magdalena Valle del Cauca, Nariño en Putumayo.

Artikel 10.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het voor een Colombiaanse vreemdeling in het algemeen mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen.

Voor de volgende categorieën neemt de IND aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:

  1. vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor gendergerelateerd geweld; en

  2. transpersonen.

Artikel 10.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt ten aanzien van Colombia in het algemeen een binnenlands beschermingsalternatief aan.

De IND neemt aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is voor personen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade door:

  1. de centrale overheid; of

  2. (gewapende) groeperingen die landelijk opereren.

Artikel 10.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Colombia geldt in ieder geval dat algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn.

Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 11.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 11.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 11.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 11.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Congo DRC aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de provincies Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri.

Artikel 11.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  1. LHBTIQ+; en

  2. minderjarigen (jongens en meisjes) en vrouwen, die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging.

Artikel 11.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor Congo DRC geen binnenlands beschermingsalternatief aan, als de IND heeft geconcludeerd dat de vreemdeling op basis van de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel ernstige schade.

De IND neemt voor Congo DRC een binnenlands beschermingsalternatief in Kinshasa aan als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  1. de vreemdeling had voor vertrek uit DRC zijn normale woon- en verblijfsplaats in een gebied waarvan in paragraaf C9/11.4.2 Vc is vermeld dat er sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;

  2. het reële risico op ernstige schade is niet gebaseerd op omstandigheden die de vreemdeling zelf betreffen, maar is alleen een gevolg van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de zin van paragraaf C3/3.3.3 Vc en in combinatie met C9/11.4.2 Vc; en

  3. de voorwaarden zoals genoemd in artikel 8 Kwalificatieverordening.

Artikel 11.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Congo DRC geldt in zijn algemeenheid dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 12.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 12.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Egypte de volgende categorieën vreemdelingen aan als risicoprofiel:

  1. (online) journalisten, mensenrechtenverdedigers of politieke opposanten/activisten

  2. LHBTIQ+.

Artikel 12.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 12.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 12.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Van personen behorend tot een van de hierboven genoemde risicoprofielen, die een gegronde vrees hebben voor vervolging, wordt niet verlangd dat zij de bescherming van de autoriteiten inroepen.

Geen bijzonderheden.

Artikel 12.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Ten aanzien van personen behorend tot een van de hierboven genoemde risicoprofielen, die een gegronde vrees hebben voor vervolging, wordt geen binnenlands beschermingsalternatief aangenomen.

Geen bijzonderheden.

Artikel 12.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Egypte geldt in zijn algemeenheid dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 13.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

De IND beschouwt de volgende groep als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:

  1. Personen die het militaire of civiele onderdeel van de nationale dienstplicht hebben ontdoken of hieruit zijn gedeserteerd.

Artikel 13.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 13.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw:

  1. personen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij het militaire of civiele onderdeel van de nationale dienstplicht moeten vervullen.

Artikel 13.4.1.3

Illegale uitreis

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw aan de Eritrese vreemdeling die:

  1. aannemelijk maakt illegaal Eritrea uitgereisd te zijn.

Artikel 13.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 13.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming wel mogelijk is.

Artikel 13.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat in Eritrea geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat een binnenlands beschermingsalternatief wel voorhanden is.

Artikel 13.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Eritrea geldt in zijn algemeenheid dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 13.8

Bijzonderheden

Gedwongen terugkeer van vreemdelingen naar Eritrea zal niet plaatsvinden. De IND neemt aan dat bij gedwongen terugkeer, zowel na legale als na illegale uitreis, een reëel risico op ernstige schade aanwezig is.

Uitgangspunt is echter dat een vreemdeling die legaal, met een geldig document voor grensoverschrijding en uitreisvisum, is uitgereisd, zelfstandig kan terugkeren. Bij deze groep neemt de IND niet op voorhand aan dat bij terugkeer naar Eritrea sprake is van ernstige schade.

Artikel 14.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 14.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Ethiopië uitsluitend de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  1. journalisten;

  2. oppositieleden;

  3. academici;

  4. activisten;

  5. vreemdelingen die (vermeend) lid of aanhanger zijn van OLF-Shene (OLA);

  6. vreemdelingen die (vermeend) lid of aanhanger zijn van de Fano.

Artikel 14.4.1

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 14.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 14.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Ethiopië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio’s Amhara en Oromia.

Artikel 14.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:

  1. LHBTIQ+;

  2. meisjes en vrouwen die vrezen het slachtoffer te worden van genitale verminking; en

  3. meisjes en vrouwen die vrezen het slachtoffer te worden van seksueel geweld.

Verder neemt de IND aan dat de vreemdeling die, voorafgaande aan het vertrek uit Ethiopië, zijn normale woon- of verblijfplaats buiten Addis Abeba had, geen bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties kan verkrijgen. Dit is mogelijk alleen anders als uit individuele omstandigheden blijkt dat het voor de vreemdeling wel mogelijk is om de bescherming van de autoriteiten te verkrijgen en de actor van vervolging niet de overheid zelf is.

Artikel 14.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND toetst conform paragraaf C3/3.4 Vc of gelet op de individuele omstandigheden een binnenlands beschermingsalternatief in Addis Abeba kan worden tegengeworpen.

Artikel 14.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Ethiopië is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.

Artikel 15.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 15.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 15.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 15.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 15.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:

  1. minderjarigen en vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging;

  2. (minderjarige) vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor genitale verminking; of

  3. LHBTIQ+.

Artikel 15.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor de volgende categorieën aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is:

  1. minderjarigen en vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging; of

  2. (minderjarige) vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor genitale verminking.

Het vorenstaande geldt niet als bij de beoordeling van de asielaanvraag door de IND blijkt dat op grond van individuele omstandigheden geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich elders in Guinee kan vestigen.

Artikel 15.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Guinee is adequate opvang beschikbaar in de zin van paragraaf B8/6 Vc.

Artikel 16.2

Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND neemt in de regel in ieder geval ten aanzien van de volgende categorieën ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C4/3.6.10 Vc aan:

  1. hoofden van de volgende inlichtingen- en veiligheidsdiensten ten tijde van het Baath-regime:

    1. de Algemene Inlichtingendienst;

    2. de Militaire Inlichtingendienst;

    3. de Speciale Veiligheidsdienst;

    4. de Algemene Veiligheidsdienst; en

    5. de Militaire Veiligheidsdienst; en

  2. officieren van de Speciale Veiligheidsdienst ten tijde van het Baath-regime.

Artikel 16.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:

  1. LHBTIQ+.

Artikel 16.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Irak uitsluitend de volgende categorie vreemdelingen voor geheel Irak (inclusief KAR) aan als risicoprofiel:

  1. politiek activisten;

  2. mensenrechtenactivisten;

  3. journalisten; en

  4. alleenstaande vrouwen.

De IND merkt voor Federaal Irak (exclusief KAR) de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  1. shabak;

  2. kaka’i; en

  3. bahai.

Artikel 16.3.2.1

Toelichting alleenstaande vrouwen

Aan een alleenstaande vrouw uit Irak verleent de IND in de regel een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw.

Bij de beoordeling of een vrouw in Irak als alleenstaand wordt gezien en op die grond bescherming behoeft, wordt in ieder geval meegewogen dat:

  1. zij geen echtgenoot heeft – of geen persoon met wie zij een duurzame relatie heeft – in Irak met wie zij kan gaan samenleven;

  2. de gezinsband met haar ouderlijk gezin is verbroken en zij aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet kan worden hersteld; of

  3. er geen familielid of sociaal netwerk is waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of en hoe zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in het land van herkomst.

Artikel 16.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 16.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Irak aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio’s Diyala, Dohuk, Erbil en Ninewa.

Artikel 16.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het voor de vreemdeling afkomstig uit Irak in beginsel niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties in Irak.

Artikel 16.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 16.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Irak is adequate opvang beschikbaar in de zin van paragraaf B8/6 Vc.

Artikel 16.8

Bijzonderheden

Fayli-Koerden

De IND merkt Fayli-Koerden van wie de Iraakse nationaliteit is ontnomen tijdens het regime van Saddam Hoessein, niet aan als staatloos. De IND neemt aan dat zij de Iraakse nationaliteit hebben.

Artikel 17.1

Besluitmoratorium

Er geldt een besluitmoratorium in de zin van artikel 43 Vw voor vreemdelingen afkomstig uit Iran. De beslistermijnen van lopende asielaanvragen en van aanvragen die tijdens het besluitmoratorium worden ontvangen, worden verlengd met 12 maanden. De maximale beslistermijn van 21 maanden kan hierbij niet worden overschreden.

Artikel 17.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

De IND beschouwt de volgende groep als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:

  1. christenen die evangeliseren.

Artikel 17.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Iran de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  1. bahai’s;

  2. christenen die nieuwe kerken of huiskerken bezoeken;

  3. personen die actief zijn in de politiek, journalistiek, op het gebied van de mensenrechten of een ander maatschappelijk terrein (in het bijzonder op het terrein van vrouwenrechten en de rechten van etnische minderheden); en

  4. LHB.

Artikel 17.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 17.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 17.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt uitsluitend voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:

  1. slachtoffers van eergerelateerd geweld;

  2. slachtoffers van seksueel geweld; of

  3. LHBTIQ+.

Artikel 17.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 17.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Iran is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.

Artikel 17.7

Vertrekmoratorium

Er geldt een vertrekmoratorium in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw voor vreemdelingen afkomstig uit Iran.

Artikel 18.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 18.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 18.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 18.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:

  1. Ivorianen die deel uitmaken van een etnische minderheid;

  2. LHBTIQ+;

  3. vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor geweldpleging;

  4. vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor genitale verminking; en

  5. minderjarigen.

Artikel 18.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 18.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is. Voor Ivoorkust geldt in ieder geval dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Artikel 19.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 19.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Jemen uitsluitend de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  1. muhammasheen;

  2. christenen;

  3. baha’i;

  4. LHBTIQ+;

  5. journalisten, activisten en personen die actief zijn in de politiek; en

  6. alleenstaande vrouwen en vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt te vrezen voor gender-gerelateerd geweld.

Artikel 19.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 19.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Jemen aan dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in de provincies Abyan, Aden, Al Bayda, Al Dhale, Al Hudayda, Al Jawf, Ibb, Lahj, Marib, Sa’da, Sana’a (stad), Sana’a (provincie), Shabwa en Taiz.

De IND neemt voor Jemen aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de provincies Al Mahwit, Amran, Dhamar, Hajjah en Raymah.

Voor de overige provincies Al Mahra, Hadramaut en Socotra geldt dat er geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De IND toetst met betrekking tot de laatstgenoemde drie provincies niet op basis van individuele omstandigheden of de vreemdeling een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Artikel 19.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor vreemdelingen afkomstig uit Jemen aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties.

Artikel 19.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor Jemen in beginsel een binnenlands beschermingsalternatief aan in de provincies Al Mahra en Hadramaut voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit de provincies Abyan, Aden, Al Bayda, Al Dhale, Al Hudayda, Al Jawf, Ibb, Lahj, Marib, Sa’da, Sana’a (stad), Sana’a (provincie), Shabwa, Taiz, Al Mahwit, Amran, Dhamar, Hajjah en Raymah, en die enkel een reëel risico lopen op ernstige schade vanwege het willekeurige geweld in deze regio’s in de zin van paragraaf C3/3.3.3.3 Vc.

Artikel 19.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Jemen geldt in zijn algemeenheid dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 20.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 20.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 20.4.1

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 20.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 20.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Kameroen aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de provincies North-West en South-West (tezamen bekend als: NWSW).

Artikel 20.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 20.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor Kameroen in ieder geval een binnenlands beschermingsalternatief in Yaoundé, Douala en Bafoussam aan, als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  1. de vreemdeling had voor vertrek uit Kameroen zijn normale woon- en verblijfsplaats in een gebied waarvan in paragraaf C9/20.4.2 Vc is vermeld dat er sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;

  2. het reële risico op ernstige schade is niet gebaseerd op omstandigheden die de vreemdeling zelf betreffen, maar is alleen een gevolg van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de zin van paragraaf C3/3.3.3 Vc en in combinatie met C9/20.4.2 Vc; en

  3. de voorwaarden zoals genoemd in artikel 8 Kwalificatieverordening.

Als de vreemdeling, al dan niet afkomstig uit een gebied waarvan in paragraaf C9/20.4.2 Vc is vermeld dat er sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld, op individuele gronden te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade, zal op individuele basis bezien worden of er een binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is.

Artikel 20.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Geen bijzonderheden.

Artikel 21.1

Besluitmoratorium

Er geldt een besluitmoratorium in de zin van artikel 43 Vw voor vreemdelingen afkomstig uit Libanon. De beslistermijnen van lopende asielaanvragen en van aanvragen die tijdens het besluitmoratorium worden ontvangen, worden verlengd met 12 maanden. De maximale beslistermijn van 21 maanden kan hierbij niet worden overschreden.

Artikel 21.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 21.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 21.4.1

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 21.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 21.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Libanon aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de gouvernementen Zuid, Nabatiye en Baalbek-Hermel.

Artikel 21.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën in het algemeen aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:

  1. (geregistreerde en niet-geregistreerde) Libanese Palestijnen;

  2. niet-Libanese Palestijnen.

Het vorenstaande geldt niet als op grond van het individuele asielrelaas aannemelijk is dat de vreemdeling de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties kan verkrijgen.

Artikel 21.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor de volgende categorieën in het algemeen aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is:

  1. (geregistreerde en niet-geregistreerde) Libanese Palestijnen;

  2. niet-Libanese Palestijnen.

Het vorenstaande geldt niet als op grond van het individuele asielrelaas aannemelijk is dat de vreemdeling zich elders in Libanon kan vestigen.

Artikel 21.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Geen bijzonderheden.

Artikel 21.7

Vertrekmoratorium

Er geldt een vertrekmoratorium in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw voor vreemdelingen afkomstig uit Libanon.

Artikel 21.8

Bijzonderheden

Terugkeer naar Libanon

De IND neemt voor niet-Libanese Palestijnen, die voorafgaand aan hun komst naar Nederland Libanon als land van gebruikelijke verblijfplaats hadden, aan dat zij bij terugkeer naar Libanon een reëel risico op uitzetting lopen en beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden of een dergelijke uitzetting leidt tot (indirect) refoulement.

De IND verleent aan de volgende categorieën een verblijfsvergunning asiel:

  1. Niet-Libanese Palestijnen uit Libanon waarvan aannemelijk is dat zij zullen worden uitgezet naar een tweede/eerdere land van gebruikelijke verblijfplaats waarvoor geldt dat zij aldaar een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade hebben.

Artikel 22.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 22.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Libië uitsluitend de volgende risicoprofielen aan:

  1. (vermeende) opposanten van een feitelijke machthebber, inclusief gewapende groeperingen en milities;

  2. mensenrechtenactivisten en mensenrechtenadvocaten;

  3. leden van het justitieel apparaat;

  4. vrouwen die maatschappelijk of politiek actief zijn;

  5. journalisten;

  6. werknemers van non-gouvernementele organisaties;

  7. LHBTIQ+;

  8. (bekeerde) christenen; en

  9. Gaddafi-loyalisten die voorafgaand aan vertrek uit Libië hun normale woonplaats hadden in gebieden waar milities en brigades die behoren tot de voormalige GNA de macht hebben.

Artikel 22.3.2.1

Toelichting Gaddafi-loyalisten

De IND beschouwt in ieder geval vreemdelingen die behoren tot de volgende stammen als Gaddafi-loyalisten:

  1. Warfalla;

  2. Warshefana;

  3. Si’an;

  4. Tarhuna;

  5. Tawergha’s;

  6. Gwelish;

  7. Mashashiya’s;

  8. Toearegs; en

  9. Tobu’s.

Artikel 22.4.1

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 22.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 22.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Libië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in het noordwesten van Libië (inclusief Tripoli en Sirte) en Benghazi.

Artikel 22.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen.

Artikel 22.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief in Libië aanwezig is voor vreemdelingen behorend tot de in dit hoofdstuk genoemde risicoprofielen, tenzij uit het individuele dossier blijkt dat de vreemdeling zich elders kan vestigen.

Artikel 22.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Libië geldt in zijn algemeenheid dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 23.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 23.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 23.4.1

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 23.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 23.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Mali aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de regio’s Gao, Kidal, Mopti en Tombouctou.

De IND neemt voor Mali aan dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in de regio’s Ménaka en Ségou.

De IND neemt voor Mali aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio Koulikoro.

Artikel 23.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 23.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor Mali geen binnenlands beschermingsalternatief aan, als de IND heeft geconcludeerd dat de vreemdeling op basis van individuele omstandigheden een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel reëel risico op ernstige schade.

De IND neemt voor Mali in beginsel een binnenlands beschermingsalternatief in het district Bamako aan voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit de regio’s Gao, Kidal, Mopti, Tombouctou, Ménaka, Ségou en Koulikoro, en die enkel een reëel risico lopen op ernstige schade vanwege het willekeurige geweld in deze regio’s in de zin van paragraaf C3/3.3.3.3 Vc.

Artikel 23.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Geen bijzonderheden.

Artikel 24.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 24.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 24.4.1

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 24.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 24.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 24.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:

  1. vreemdelingen die deel uitmaken van een nationale, raciale of etnische minderheid;

  2. vrouwen; en

  3. LHBTIQ+.

Artikel 24.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 24.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Nepal geldt in ieder geval dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Artikel 25.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 25.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Nigeria uitsluitend de volgende groep aan als risicoprofiel:

  1. LHBTIQ+.

Artikel 25.4.1

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 25.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 25.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 25.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten en/of internationale organisaties, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming mogelijk is.

Artikel 25.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat er voor de volgende groep geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is:

  1. LHBTIQ+.

Ook neemt de IND aan dat er voor de volgende groep geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is, tenzij op grond van individuele omstandigheden geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich elders in Nigeria kan vestigen:

  1. (alleenstaande) (minderjarige) vrouwen zonder beschermend netwerk of beschermende familie die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging en/of genitale verminking.

Artikel 25.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Nigeria geldt in zijn algemeenheid dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 26.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 26.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 26.4.1

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 26.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 26.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Oekraïne aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de oblasten Kharkiv, Luhansk, Donetsk, Zaporizhzhia, Kherson, Dnipropetrovs en Sumy.

De IND neemt voor Oekraïne aan dat sprake is van een situatie van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in de oblasten Mykolaiv en Chernihiv.

De IND neemt voor Oekraïne aan dat sprake is van een situatie van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de overige delen van Oekraïne.

Artikel 26.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 26.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in beginsel voor Oekraïne een binnenlands beschermingsalternatief aan in de delen van Oekraïne waar sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld voor personen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij in een ander deel van Oekraïne een reëel risico lopen op ernstige schade door willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, onder c, Kwalificatieverordening. De IND merkt de Krim en Sevastopol niet aan als binnenlands beschermingsalternatief.

Als de vreemdeling op individuele gronden te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade, beoordeelt de IND op individuele gronden of er aanleiding is af te zien van het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief.

Artikel 26.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Geen bijzonderheden.

Artikel 27.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 27.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Pakistan uitsluitend de volgende categorieën als risicoprofielen aan:

  1. ahmadi’s;

  2. christenen;

  3. afvalligen van het islamitisch geloof;

  4. hazara’s;

  5. LHBTIQ+;

  6. leiders en leden van Pakistan Thereek-e-Insaf (PTI);

  7. journalisten en mensenrechtenverdedigers.

Artikel 27.4.1

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 27.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 27.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor de provincies Balochistan en Khyber-Pakhtunkhwa (KP) aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.

Voor de verdere beoordeling of de vreemdeling een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc wordt verwezen naar paragraaf C3/3.3.3 Vc. Voor overige provincies in Pakistan geldt dat er geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De IND toetst in dit geval niet op basis van individuele omstandigheden of de vreemdeling een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Artikel 27.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en internationale organisaties te verkrijgen voor:

  1. ahmadi’s;

  2. christenen;

  3. afvalligen van het islamitisch geloof;

  4. hazara’s;

  5. LHBTIQ+;

  6. leiders en leden van Pakistan Thereek-e-Insaf (PTI);

  7. journalisten en mensenrechtenverdedigers; en

  8. vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging.

Artikel 27.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief in Pakistan aanwezig is voor de volgende categorieën:

  1. ahmadi’s;

  2. afvalligen van het islamitisch geloof;

  3. hazara’s;

  4. LHBTIQ+;

  5. leiders en leden van Pakistan Thereek-e-Insaf (PTI);

  6. journalisten en mensenrechtenverdedigers; en

  7. vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging.

Artikel 27.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Er is in Pakistan sprake van adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

Artikel 28.2

De (staatloze) Palestijn uit de Palestijnse Gebieden die kort voor indiening van de asielaanvraag in Nederland daadwerkelijk bescherming of bijstand heeft genoten van de UNRWA

Voor wat betreft de (staatloze) Palestijn die onder het mandaat van de UNRWA valt, is het gestelde in paragraaf C3/3.2.2.1 Vc onder de titel ‘artikel 1D Vluchtelingenverdrag’ van toepassing.

Voor Gaza neemt de IND aan dat UNRWA weliswaar aldaar actief is maar dat zij geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden.

Voor de Westelijke Jordaanoever neemt de IND aan dat de UNRWA weliswaar aldaar actief is maar dat zij in het algemeen geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden, tenzij er individuele indicaties zijn dat de UNRWA wel voldoende bijstand of bescherming kan bieden aan de (staatloze) Palestijn. Als een (staatloze) Palestijn stelt dat de UNRWA in de Westelijke Jordaanoever niet de levensomstandigheden kan bieden die stroken met de opdracht waarmee zij is belast, vindt een individuele beoordeling plaats als bedoeld in C3/3.2.2.1 Vc.

Artikel 28.3

Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)

Het beleid in deze paragraaf is van toepassing op (staatloze) Palestijnen die niet onder het mandaat van de UNRWA vallen en (staatloze) Palestijnen die wel onder het mandaat van de UNRWA vallen maar aan wie artikel 1D niet kan worden tegengeworpen.

Artikel 28.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 28.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 28.4

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)

Het beleid in deze paragraaf is van toepassing op alle (staatloze) Palestijnen, ongeacht of zij onder het mandaat van de UNRWA vallen.

Artikel 28.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 28.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor de Palestijnse Gebieden aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in Gaza.

Artikel 28.5

Bescherming

Het beleid in deze paragraaf is eveneens van toepassing op alle (staatloze) Palestijnen.

Artikel 28.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het voor (staatloze) Palestijnen uit de Palestijnse Gebieden niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen. Dit is alleen anders als uit concrete en individualiseerbare aanknopingspunten blijkt dat het voor de vreemdeling wel mogelijk is om de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen. De bewijslast voor het tegenwerpen van de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties ligt in eerste instantie bij de IND.

Artikel 28.5.2

(Binnenlands) beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat er voor (staatloze) Palestijnen uit de Palestijnse Gebieden geen (binnenlands) beschermingsalternatief aanwezig is. Tenzij uit de individuele zaak blijkt dat er concrete aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de vreemdeling zich wel elders binnen de Palestijnse Gebieden kan vestigen. De bewijslast voor het tegenwerpen van een (binnenlands) beschermingsalternatief ligt in eerste instantie bij de IND.

Artikel 28.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

In zijn algemeenheid geldt in de Palestijnse Gebieden dat:

  1. de algemene opvangvoorzieningen voor de opvang van alleenstaande minderjarigen vreemdelingen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

In individuele gevallen kan echter uit nader onderzoek blijken dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 29.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

De IND beschouwt de volgende groep als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:

  1. LHBTIQ+ die afkomstig zijn uit Tsjetsjenië.

Artikel 29.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor de Russische Federatie de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  1. LHBTIQ+ afkomstig uit alle delen van de Russische Federatie, met uitzondering van Tsjetsjenië;

  2. politieke activisten;

  3. mensenrechtenactivisten;

  4. personen die actief zijn in de journalistiek;

  5. jehova’s getuigen;

  6. advocaten; en

  7. medewerkers van ngo’s.

Artikel 29.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 29.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 29.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:

  1. LHBTIQ+; en

  2. vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor huiselijk geweld.

Artikel 29.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor de volgende categorieën in het algemeen aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is in de Russische Federatie:

  1. vrouwen afkomstig uit Tsjetsjenië, Ingoesjetië en Dagestan, die aannemelijk hebben gemaakt te vrezen voor huiselijk of seksueel geweld; of

  2. LHBTIQ+.

Het vorenstaande geldt niet als bij de beoordeling van de asielaanvraag door de IND blijkt dat op grond van individuele omstandigheden geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich elders in de Russische Federatie kan vestigen.

Artikel 29.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor de Russische Federatie geldt in zijn algemeenheid dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 30

Het asielbeleid ten aanzien van Somalië

Het onderstaande beleid is van toepassing op geheel Somalië, tenzij anders is vermeld. Voor de verschillende gebiedsaanduidingen wordt verwezen naar het algemeen ambtsbericht Somalië van 4 april 2025 van de Minister van Buitenlandse zaken.

Artikel 30.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 30.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt uitsluitend de volgende risicoprofielen aan voor geheel Somalië:

  1. mensenrechtenactivisten en journalisten; en

  2. alleenstaande vrouwen.

De IND merkt gebieden in Somalië die (deels) onder controle staan van Al-Shabaab de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  1. personen die werken bij, of door Al-Shabaab geassocieerd worden met, de overheid, ATMIS/AUSSOM of andere internationale actoren;

  2. verkiezingsafgevaardigden en hooggeplaatste politici;

  3. militairen van het Somalische regeringsleger (SNL) en politieagenten;

  4. medewerkers van ngo’s die in de negatieve belangstelling staan van Al-Shabaab.

Artikel 30.3.2.1

Toelichting personen die werken bij, of door Al-Shabaab geassocieerd worden met, de overheid, ATMIS/AUSSOM of andere internationale actoren

Een vreemdeling die afkomstig is uit een gebied dat niet (deels) onder controle staat van Al-Shabaab (inclusief Mogadishu) en die zich erop beroept dat hij door Al-Shabaab geassocieerd wordt met de overheid, ATMIS/AUSSOM of andere internationale actoren moet dit aannemelijk maken. Daarnaast moet hij aannemelijk maken dat juist hij zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab. De enkele terugkeer uit het Westen is daartoe onvoldoende.

Voor een vreemdeling die afkomstig is uit gebied waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied (deels) controleert geldt dat hij aannemelijk moet maken dat hij door Al-Shabaab geassocieerd wordt met de overheid, ATMIS/AUSSOM of andere internationale actoren. De enkele terugkeer uit het Westen is daartoe onvoldoende.

Artikel 30.3.2.2

Toelichting alleenstaande vrouwen

Aan een alleenstaande vrouw uit Somalië verleent de IND in de regel een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw.

Bij de beoordeling of een vrouw in Somalië als alleenstaand wordt gezien en op die grond bescherming behoeft, wordt in ieder geval in samenhang bezien of:

  1. zij in Somalië geen echtgenoot heeft – of geen persoon met wie zij een duurzame relatie heeft met wie zij kan gaan samenleven; en

  2. er geen grootfamilie – tot de grootfamilie kunnen naast vader, moeder en kinderen ook grootouders, ooms, tantes, neven en nichten behoren – en eventueel een (plaatselijke) meerderheidsclan is waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of, en hoe, zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in Somalië.

Artikel 30.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

In gebieden in Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert, is de mensenrechtensituatie zodanig dat voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw. Dit risico op ernstige schade wordt ook aangenomen voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is of het gebied controleert, maar over land moeten reizen door een gebied waar Al-Shabaab wel de macht heeft of het gebied controleert.

Onder voorwaarden kan een binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen in een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is (zie paragraaf C9/30.5.2 Vc).

Artikel 30.4.1.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor gebieden in Somalië die (deels) onder controle staan van Al-Shabaab de volgende groep aan als risicoprofiel:

  1. clanouderen die de regering of verkiezingen (onder)steunen, of andere vooraanstaande personen in Somalië met een groot publiek bereik.

Artikel 30.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Somalië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio’s Benadir (inclusief de hoofdstad Mogadishu), Galgaduud, Hiraan, Mudug, Lower Juba, Lower Shabelle en Middle Shabelle.

Artikel 30.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval aan dat het voor de volgende categorieën niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:

  1. vreemdelingen die afkomstig zijn uit Zuid- en Centraal-Somalië inclusief Mogadishu;

  2. vrouwen uit Somalië die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging; en

  3. vrouwen uit Somalië die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor genitale verminking.

Artikel 30.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief in Somalië aanwezig is voor:

  1. vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging; en

  2. vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor genitale verminking.

In de overige gevallen toetst de IND conform paragraaf C3/3.4 Vc of, gelet op de individuele omstandigheden, een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. Bij deze beoordeling dienen de volgende aanknopingspunten te worden betrokken:

  1. eerder verblijf in het gebied buiten het gebied van herkomst; en

  2. de aanwezigheid van grootfamilie.

Onder dezelfde voorwaarden kan een binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen aan:

  1. vreemdelingen die afkomstig zijn uit gebieden waar Al-Shabaab aan de macht is of de gebieden controleert;

  2. vreemdelingen die bij terugkeer naar hun herkomstgebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is, maar over land moeten reizen door een gebied waar Al-Shabaab de macht heeft of het gebied controleert;

  3. vreemdelingen die afkomstig zijn uit Puntland (met uitzondering van Noord-Galkayo), in de periode vanaf 1991;

  4. vreemdelingen die afkomstig zijn uit Somaliland, in de periode vanaf 1997;

  5. vreemdelingen die afkomstig zijn uit Sool (met uitzondering van het Las Anod district); of

  6. vreemdelingen die afkomstig zijn uit Sanaag.

Artikel 30.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Somalië geldt in zijn algemeenheid dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 32.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

De IND beschouwt de volgende groep als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:

  1. Afrikaanse bevolkingsgroepen in het controlegebied van de Rapid Support Forces.

Artikel 32.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Sudan de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  1. politiek opposanten;

  2. mensenrechtenactivisten;

  3. personen die actief zijn in de journalistiek;

  4. vrouwen en meisjes;

  5. LHBTIQ+; en

  6. Kanabi.

Artikel 32.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 32.4.1.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Sudan de volgende groep aan als risicoprofiel:

  1. humanitaire hulpverleners.

Artikel 32.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Sudan aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de staten Khartoum, Noord-, Zuid-, West- en Centraal-Darfur, Kordofan en El Gezira.

De IND neemt voor Sudan aan dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in de staten Oost-Darfur, Blauwe Nijl, Witte Nijl en Sennar.

De IND neemt voor Sudan aan dat in de staten Abyei, Noordelijke Staat, Nijl, Rode Zee, Gedaref en Kassala sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.

Artikel 32.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen, tenzij er individuele aanknopingspunten zijn op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming wel mogelijk is.

Artikel 32.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor Sudan geen binnenlands beschermingsalternatief aan als is geconcludeerd dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging of ernstige schade, tenzij uit het individuele dossier blijkt dat de vreemdeling zich elders kan vestigen.

Artikel 32.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Sudan geldt in zijn algemeenheid dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 33.3

De (staatloze) Palestijn uit Syrië die kort voor indiening van de asielaanvraag in Nederland daadwerkelijk bescherming of bijstand heeft genoten van de UNRWA

Voor wat betreft de (staatloze) Palestijn die onder het mandaat van de UNRWA valt, is het gestelde in paragraaf C3/3.2.2.1 Vc onder de titel ‘artikel 1D Vluchtelingenverdrag’ van toepassing.

Voor Syrië neemt de IND aan dat de UNRWA weliswaar aldaar actief is maar dat zij in het algemeen geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden, tenzij er individuele indicaties zijn dat de UNRWA wel voldoende bijstand of bescherming kan bieden aan de (staatloze) Palestijn. Als een (staatloze) Palestijn stelt dat de UNRWA in Syrië niet de levensomstandigheden kan bieden die stroken met de opdracht waarmee zij is belast, vindt een individuele beoordeling plaats als bedoeld in C3/3.2.2.1 Vc.

Artikel 33.4.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 33.4.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Syrië de volgende categorieën vreemdelingen aan als risicoprofiel:

  1. Alawieten;

  2. Druzen; en

  3. LHBTIQ+.

Artikel 33.5.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 33.5.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor heel Syrië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.

Artikel 33.6.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het in Syrië niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen.

Artikel 33.6.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 33.7

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Syrië geldt in zijn algemeenheid dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

Artikel 34.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 34.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Turkije de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  1. personen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van mensenrechten;

  2. DEM-leden en -activisten (voormalig HDP); en

  3. (toegedichte) Gülen-aanhangers.

Artikel 34.3.3

Vervolging vanwege dienstweigering of desertie

Het algemene beleid in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc is van toepassing.

De IND neemt ten aanzien van dienstplichtige Koerden in beginsel niet aan dat zij een gegronde vrees hebben in een conflict te worden ingezet tegen eigen volk of familie.

Artikel 34.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 34.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het voor LHBTIQ+ niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties, tenzij sprake is van concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming mogelijk is.

Artikel 34.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 34.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Er is in Turkije sprake van adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

Artikel 35.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 35.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Uganda de volgende categorie vreemdelingen aan als risicoprofiel:

  1. LHBTIQ+.

Artikel 35.3.2.1

Toelichting LHBTIQ+

De IND beoordeelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel van Ugandese LHBTIQ+ op basis van de individuele omstandigheden, afgezet tegen de positie van deze groep in Uganda.

De IND beoordeelt of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot deze groep en dat hij – met in achtneming van het beleid dat volgt uit paragraaf C3/3.2.3 Vc – bij terugkeer wordt blootgesteld aan vervolging.

Gelet op de zeer fragiele positie van LHBTIQ+ in Uganda, ook als gevolg van de ondertekening van de anti-homoseksualiteitswet, betekent dit dat de IND aan Ugandese LHBTIQ+ een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw verleent, tenzij contra-indicaties de verlening van een verblijfsvergunning asiel in de weg staan.

Artikel 35.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 35.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 35.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het in ieder geval voor LHBTIQ+ niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen.

Artikel 35.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt ten aanzien van de Ugandese LHBTIQ+ geen binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief aan in Uganda.

Artikel 35.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Uganda geldt in ieder geval dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Artikel 36.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 36.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Venezuela de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  1. transgenders;

  2. oppositieleden;

  3. dissidenten en politiek activisten;

  4. personen die actief zijn in de journalistiek; en

  5. personen die actief zijn op het gebied van de mensenrechten.

Artikel 36.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 36.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 36.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming mogelijk is.

Artikel 36.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is indien de vreemdeling in de negatieve belangstelling staat van de (centrale) autoriteiten, daaraan gelieerde gewapende groepen, colectivos of soortgelijke gewapende groepen, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat de vreemdeling zich elders in Venezuela kan vestigen.

Artikel 36.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Venezuela geldt in ieder geval dat:

  1. algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn.

Artikel 37.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 37.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 37.4.1

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 37.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 37.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 37.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 37.5.2

Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

Artikel 37.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Gambia is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.

← terug naar wetten