In de artikelen 26 tot en met 28 Asiel- en migratiebeheerverordening staan regels opgenomen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van een vreemdeling, als deze vreemdeling gezinsleden heeft in een andere lidstaat.

Wie als gezinslid wordt aangemerkt staat opgenomen in artikel 2, aanhef en onder 8, Asiel- en migratiebeheerverordening.

In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (2) en (3) opgenomen welke directe en indirecte bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen voor toepassing van artikel 26 tot en met 28 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voor het begrip ‘wettig in een lidstaat verblijven’ als bedoeld in artikel 26 wordt door de IND aangesloten bij de letterlijke tekst van het eerste en tweede lid van artikel 26 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voor het vaststellen van de familieband geldt het volgende. Op grond van artikel 7, vierde lid, Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is voor de toepassing van artikel 25, 26, 27, 28 of 34 van de Asiel- en migratiebeheerverordening geen formeel bewijsmiddel, zoals originele bewijsstukken en DNA-onderzoek, vereist, als de indirecte bewijzen coherent, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen bepalen.