Het gaat in artikel 42, eerste lid, onder j, Procedureverordening om de situatie dat:
De vreemdeling de nationaliteit heeft van, of in het geval van een staatloze zijn gewone verblijfplaats had in een derde land waarvoor volgens de meest recente beschikbare jaargemiddelden van Eurostat voor de gehele Unie, de beslissingsautoriteit in 20% of minder van de gevallen internationale bescherming heeft verleend. Dit percentage is een afspiegeling van de gemiddelde aantallen van verleende internationale bescherming van alle lidstaten.
De IND werpt dit de vreemdeling niet tegen in het geval de IND oordeelt dat zich sinds de publicatie van de betreffende Eurostat-gegevens in het betrokken derde land een belangrijke wijziging heeft voorgedaan.
De IND werpt dit de vreemdeling niet tegen indien de vreemdeling behoort tot een categorie van personen voor wie het erkenningspercentage van 20% of minder niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd, wegens een specifieke vervolgingsgrond.
De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).