Artikel 8 Kwalificatieverordening regelt wat wordt verstaan onder een binnenlands beschermingsalternatief.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a, Vw, als de IND tot de conclusie komt dat een binnenlands beschermingsalternatief als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Kwalificatieverordening voor de vreemdeling beschikbaar is.
Op grond van artikel 8, derde lid, Kwalificatieverordening komt de IND pas toe aan de vraag of sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief als vastgesteld is dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In dat geval moet de IND onderzoeken en aannemelijk maken dat een vreemdeling geen internationale bescherming nodig heeft vanwege het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief. In beginsel wordt een binnenlands beschermingsalternatief niet geacht te bestaan als de staat of staatsfunctionarissen de actoren van vervolging of ernstige schade zijn. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt als duidelijk vaststaat dat de bevoegdheid van de betreffende actor duidelijk beperkt is tot een specifiek geografisch gebied of wanneer de staat zelf slechts controle heeft over bepaalde delen van het land.
Als de IND tot de conclusie komt dat een binnenlands beschermingsalternatief beschikbaar is, dan krijgt de vreemdeling de mogelijkheid om bewijzen en elementen te overleggen, waaruit blijkt dat het binnenlands beschermingsalternatief voor hem niet beschikbaar is. Als de vreemdeling hier tijdens het gehoor niet op bevraagd is en niet de gelegenheid heeft gekregen bewijs over aan te leveren, zal de vreemdeling alsnog die mogelijkheid geboden moeten worden. De IND houdt bij de beslissing op het verzoek om internationale bescherming rekening met de door de vreemdeling overgelegde bewijzen en elementen.
Bij het onderzoek naar het bestaan van een binnenlandse beschermingsalternatief, beoordeelt de IND of de vreemdeling zich kan vestigen in een ander deel van het land, dan waar hij vervolging vreest of een reëel risico loopt op ernstig lijden.
Naast het vereiste dat de dreiging in een ander deel van het land niet mag bestaan, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere deel van het land geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Als het aannemelijk is dat de vreemdeling in het andere gebied ook heeft te vrezen voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29 of 29a Vw dan beoordeelt de IND of de vreemdeling bescherming kan inroepen tegen de dreiging in dat gebied (zie paragraaf C3/3.4.1 Vc).
Uit artikel 8, eerste lid, Kwalificatieverordening volgt dat de vreemdeling op een veilige en wettige manier moet kunnen reizen naar en zich toegang moet kunnen verschaffen tot het gebied waar hij wordt geacht binnenlandse bescherming in te kunnen roepen.
De bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen.
Bij de beoordeling van het bestaan van een beschermingsalternatief betrekt de IND in ieder geval:
of de vreemdeling zich in het gebied kan vestigen en een leven kan leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken;
of de vreemdeling in het betreffende gebied niet achtergesteld wordt in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking;
of de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie;
de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling wat betreft factoren zoals gezondheid, leeftijd, gender, inclusief genderidentiteit, seksuele gerichtheid, etnische afkomst en het behoren tot een nationale minderheid; en
of de vreemdeling in zijn eigen basisbehoeften zou kunnen voorzien.
Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor de IND onvoldoende reden om geen binnenlands beschermingsalternatief tegen te werpen.
De IND beoordeelt gelet op artikel 8, vierde lid Kwalificatieverordening aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen of een binnenlands beschermingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is.
In het landgebonden asielbeleid kan de minister het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief op basis van de beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen met inachtneming van de genoemde voorwaarden van tevoren vaststellen dan wel uitsluiten.