Als de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige is, biedt enkel artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening de IND de mogelijkheid om tot overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat over te gaan. De IND maakt, als wordt voldaan aan de relevante criteria zoals opgenomen in artikelen 23 en 25 Asiel- en migratiebeheerverordening, gebruik van deze mogelijkheid. Dit is in lijn met overweging 53 van de preambule van de Asiel- en migratiebeheerverordening, ter ontmoediging van niet-toegestane verplaatsingen van niet-begeleide minderjarigen.
Als een niet-begeleide minderjarige een gezinslid of een broer of zus in een andere lidstaat heeft, en die zich daar wettig ophoudt, geldt die lidstaat als de verantwoordelijke lidstaat.
Als sprake is van een familielid in een andere lidstaat, en die zich daar wettig ophoudt, dan wordt op basis van individueel onderzoek beoordeeld of dit familielid voor de niet-begeleide minderjarige kan zorgen.
Het is in beide gevallen blijkens het tweede en derde lid van artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening aan de niet-begeleide minderjarige om aan te tonen dat overdracht niet in zijn belang is.
In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (1) opgenomen welke directe en indirecte bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen voor toepassing van artikel 25 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Op grond van artikel 7, vierde lid, Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is geen formeel bewijsmiddel, zoals originele bewijsstukken en DNA-onderzoek, vereist, als de indirecte bewijzen coherent, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen bepalen.
Onder ‘wettig ophouden’ in een andere lidstaat in de zin van artikel 25 van de de Asiel- en migratiebeheerverordening verstaat de IND: (procedureel) rechtmatig verblijf op grond van een ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning, op grond van een verleende verblijfsvergunning in een andere lidstaat, op basis van een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in een andere lidstaat, of als burger van een lidstaat.
Bij onvoldoende aanwijzingen over de verblijfplaats van gezins- of familieleden van de niet-begeleide minderjarige wijst de IND de minderjarige op hulp die hij kan inroepen bij het traceren van gezins- of familieleden.
Bij ontstentenis van gezinsleden, broers of zussen of familieleden, is de lidstaat waar het verzoek van de niet-begeleide minderjarige voor het eerst is geregistreerd de verantwoordelijke lidstaat, indien dat in het belang van het kind is. De IND zal dit beoordelen en de conclusie(s) duidelijk vermelden in het overdrachtsbesluit.
Als in een voorkomend geval de conclusie is, dat overdracht aan een andere lidstaat niet in het belang van de niet-begeleide minderjarige is, dan neemt de IND zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling.
Wanneer de IND een verzoek ontvangt tot overname van de aanvraag van een niet-begeleide minderjarige met familieleden in Nederland, voert de Raad voor de Kinderbescherming het individueel onderzoek, genoemd in artikel 25, derde lid van de Verordening, uit waarin wordt vastgesteld of het familielid in Nederland voor de minderjarige vreemdeling kan zorgen.