Vrouwen in het algemeen, als ook een beperkte groep vrouwen, die een bepaald gemeenschappelijk kenmerk delen, kunnen, afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst of in een bepaald gebied in dat land, aangemerkt worden als sociale groep.
De volgende elementen kunnen met name van belang zijn voor de beoordeling of bij vrouwen sprake is van een sociale groep:
culturele, religieuze of traditionele normen (zoals genitale verminking, gedwongen sterilisatie of gedwongen abortus);
onttrekking van vrouwen aan of weigering van een gedwongen huwelijk of het verbreken van een huwelijk; of
het bestaan van huiselijk, seksueel en/of eergerelateerd geweld.
Daarbij zal worden beoordeeld of de groep waar de vrouw toe behoort in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.
De minister kan in de context van specifiek landenbeleid vaststellen of (een groep) vrouwen behoort/behoren tot een sociale groep. Als hiervan sprake is, wordt dat ook opgenomen in het landenbeleid van hoofdstuk C9 Vc.
Voor zover (een specifieke groep) vrouwen behoren tot een sociale groep, dan kan onder andere gendergerelateerd geweld tegen deze vrouwen leiden tot de conclusie dat sprake is van erkenning als vluchteling als bedoeld in artikel 13 Kwalificatieverordening, als dat geweld kan worden aangemerkt als daad van vervolging zoals bedoeld in artikel 9 Kwalificatieverordening. Op de vraag of een vrouw als lid van een sociale groep in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw is het individualiseringsvereiste zoals beschreven in paragraaf C3/2.3 Vc onverkort van toepassing. Op individuele basis zal beoordeeld moeten worden of zij daadwerkelijk te vrezen heeft voor daden van vervolging vanwege het behoren tot een sociale groep.
Vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen
Vrouwen, die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen (verder: vereenzelviging) kunnen al naar gelang de omstandigheden in het land van herkomst behoren tot een ‘sociale groep’. Daarbij is van belang dat het gestelde in paragraaf C3/3.2.5.2 Vc ook van toepassing is op de vraag of een vrouw die een beroep doet op vereenzelviging behoort tot een sociale groep.
Het behoren tot deze sociale groep kan een grond zijn om aan te nemen dat er sprake is van erkenning als vluchteling als bedoeld in artikel 13 Kwalificatieverordening. Het is aan de vrouw die een beroep doet op vereenzelviging om aannemelijk te maken dat hier in haar persoonlijke situatie sprake van is.
De IND toetst aan de hand van een ‘drietrapsbeoordeling’ of een vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging door het behoren tot een sociale groep vanwege vereenzelviging:
vaststellen van de vereenzelviging in het individuele geval;
vaststellen of de groep waartoe de vrouw stelt te behoren, in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd; en
vaststellen of er sprake is van gegronde vrees voor daden van vervolging als gevolg hiervan.
Ad 1.
De IND moet eerst vaststellen of de vrouw in haar individuele geval aannemelijk heeft gemaakt dat de vereenzelviging is te herleiden naar de fundamentele waarde, die de vrouw hecht aan de gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
Bij de vraag of sprake is van vereenzelviging valt te denken aan het maken van zelfstandige en onafhankelijke keuzes die bepalend zijn voor haar identiteit op gebied van onderwijs en beroepsloopbaan, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze.
Bij de beoordeling of sprake is van vereenzelviging betrekt de IND in ieder geval:
of de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat de vereenzelviging fundamenteel is voor de identiteit of morele integriteit van de vrouw;
aannemelijk is gemaakt dat deze vereenzelviging dermate fundamenteel is, dat van haar niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft;
de wijze waarop de vrouw hier in haar dagelijkse leven invulling aan geeft en in het verleden heeft gegeven; en
de wijze waarop de vrouw hier invulling aan wenst te geven bij terugkeer naar land van herkomst.
Daarbij geldt dat als de vrouw nog weinig tot geen invulling aan de vereenzelviging geeft of heeft gegeven van de vrouw verwacht mag worden dat zij kan uitleggen waarom dit het geval is en waarom de vereenzelviging desondanks fundamenteel is voor haar identiteit.
Voor de vrouw die een beroep doet op vereenzelviging geldt dat de gestelde vereenzelviging niet uit politieke of religieuze motieven hoeft voort te komen. Voor zover hier in de praktijk wel sprake van is, wordt verwezen naar paragrafen C3/3.2.5.1 en C3/3.2.5.3 Vc.
Als de IND heeft geoordeeld dat van een geloofwaardige vereenzelviging sprake is, wordt overgegaan tot de volgende stap in de beoordeling.
Ad 2.
Vervolgens beoordeelt de IND of de vrouw als gevolg van de vereenzelviging kan behoren tot een sociale groep. Om als sociale groep aangemerkt te worden, moet de vrouw aannemelijk maken dat zij behoort tot een groep die als gevolg van de vereenzelviging een eigen identiteit heeft, omdat zij als afwijkend wordt beschouwd in de directe omgeving in het land van herkomst.
Dit met name als gevolg van de sociale, morele of juridische normen die in het land van herkomst gelden.
De IND beoordeelt de aannemelijkheid van de verklaringen van de vrouw over waarom de groep als afwijkend wordt beschouwd, in samenhang met de beschikbare landeninformatie.
Ad 3.
Vervolgens beoordeelt de IND of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging vanwege het (toegedicht) behoren tot een sociale groep vanwege vereenzelviging. De IND beoordeelt de vrees voor vervolging aan de hand van door de vrouw verstrekte verklaringen en bewijsmiddelen over wat zij bij terugkeer naar het land van herkomst stelt te vrezen te hebben.
Dat een reden om vanwege vereenzelviging te worden vervolgd kan worden vermeden door zich terughoudend op te stellen, wordt in dit verband niet aan de vrouw tegengeworpen. Van de vrouw mag namelijk niet worden verlangd dat zij een vereenzelviging die fundamenteel is, opgeeft.
Genitale verminking
De IND verleent een vrouw, die zich beroept op een vrees voor genitale verminking, een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
er is een gegronde vrees op genitale verminking;
artikel 7 Kwalificatieverordening is niet van toepassing; en
artikel 8 Kwalificatieverordening is niet van toepassing.
De IND beoordeelt op basis van de individuele verklaringen van de vreemdeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw vanwege een gegronde vrees op genitale verminking bij vrouwen.
De IND weegt daarbij de algemene informatie over genitale verminking bij vrouwen in het land van herkomst mee. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Voor zover de ouder van een meisje dat of vrouw die te vrezen heeft voor genitale verminking, stelt in aanmerking te komen voor bescherming op grond van een (toegedichte) overtuiging, kan beoordeeld worden of de ouder zelfstandig in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van een religieuze overtuiging, het behoren tot een sociale groep en/of een politieke overtuiging.
De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 eerste lid, Vw, vanwege een beroep op een vrees voor genitale verminking (van een familielid) aan de ouder die de genitale verminking zelf uitvoert of de uitvoering ervan mogelijk maakt.