De IND sluit de erkenning van internationale bescherming op grond van artikel 32, zesde lid Vw als er sprake is van in ieder geval een van de volgende situaties:

  1. De vreemdeling ziet ondubbelzinnig af van de erkenning van de beschermingsstatus;

  2. De vreemdeling is een onderdaan geworden van een andere lidstaat; of

  3. De vreemdeling heeft na het verkrijgen van internationale bescherming in Nederland in een andere lidstaat internationale bescherming gekregen.

Indien de IND de erkenning van internationale bescherming afsluit, wordt bezien of een terugkeerbesluit kan worden genomen. Met name in de situatie dat de vreemdeling ondubbelzinnig afziet van zijn erkenning, zal het niet altijd op voorhand duidelijk zijn of de vreemdeling nog in Nederland is en of een terugkeerbesluit kan worden genomen. De IND kan er in een voorkomend geval voor kiezen om navraag te doen bij de vreemdeling wat de reden is van het afzien van internationale bescherming en of er wellicht sprake is van rechtmatig verblijf in een andere lidstaat waardoor geen terugkeerbesluit mogelijk is. De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld om redenen aan te voeren waarom aan hem geen terugkeerbesluit mag worden gegeven.

Op grond van artikel 66, zesde lid, Procedureverordening in combinatie met artikel 32, zesde lid, Vw vermeldt de IND de afsluiting en de rechtsgrond voor deze afsluiting in het dossier.

Het ondubbelzinnige afzien van de erkenning als persoon die internationale bescherming geniet blijkt onder andere uit een ondertekende brief van de vreemdeling of diens gemachtigde, toezending van model M53-A, of een verklaring van vrijwillig vertrek, inclusief verklaringen van IOM of DTenV.