1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. kampeerterrein: terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf;

    2. kampeermiddel: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig dat bestemd is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

    3. caravan: al dan niet uitklapbare wagen of voertuig, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon-, dag- of nachtverblijf van een of meerdere personen en die bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grote afstanden, als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen;

    4. beheerder: de persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent over een kampeerterrein.

  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden niet als kampeermiddelen beschouwd vaartuigen, woonwagens, tenten in gebruik voor het houden van bijeenkomsten, tentoonstellingen of voorstellingen, en voertuigen in gebruik als directiekeet.