Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene Bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Orde en veiligheid op de weg
Afdeling Betaald-voetbalwedstrijden
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, drugsoverlast, gevaar of schade
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Bestuurlijke ophouding
Afdeling Preventief fouilleren
Afdeling Cameratoezicht
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijke aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf, overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf

Tegengaan van een onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat

Artikel 2.3.5.1

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  2. beheerder: de exploitant, alsmede de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

  3. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  4. bedrijfspand: het pand waarin het bedrijf gevestigd is.

Artikel 2.3.5.2

Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten

  1. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het eerste lid van artikel 2.3.5.3 van toepassing is.

  2. Een gebouw, gebied of bedrijfsmatige activiteit in een gebouw of in een gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat.

  3. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.

Artikel 2.3.5.3

Vergunning uitoefening bedrijf

  1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    1. in een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2.3.5.2 aangewezen gebouw of gebied; of

    2. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2.3.5.2 aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  2. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren:

    1. in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.

    2. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    3. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    4. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is en daardoor een aantoonbaar veiligheids- of gezondheidsrisico of een aantoonbaar risico voor de openbare orde ontstaat;

    5. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    6. als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    7. als de vestiging of de exploitatie in strijd is met een het omgevingsplan, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 2.3.5.4

Vergunningaanvraag

  1. De vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.3.5.3 dient te worden aangevraagd door de exploitant.

  2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend met een op de gemeentelijke website beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

  3. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens en een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder(s);

    2. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    3. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    4. indien van toepassing de verblijfstitel van de exploitant of beheerder; en indien sprake is van een verblijfstitel: een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    5. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  4. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

Artikel 2.3.5.5

Intrekking en wijziging van een vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.3.5.3 intrekken of wijzigen als:

  1. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

  2. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

  3. de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze paragraaf niet worden nageleefd;

  4. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is en daardoor een aantoonbaar veiligheids- of gezondheidsrisico of een aantoonbaar risico voor de openbare orde ontstaat;

  5. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

  6. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

  7. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

  8. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie;

  9. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;

  10. indien sprake is van strijd met het omgevingsplan, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 2.3.5.6

Sluiting bedrijf en/of bedrijfspand

  1. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het eerste lid van artikel 2.3.5.3 wordt geëxploiteerd of indien één van de situaties als bedoeld in artikel 2.3.5.5, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf en/of het bedrijfspand bevelen.

  2. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

Artikel 2.3.5.7

Geboden en verboden exploitant

  1. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf, waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden.

  2. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, indien zich geen weigeringsgronden uit artikel 2.3.5.3, tweede lid voordoen.

  3. Het is verboden een bedrijfspand voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of een beheerder aanwezig is.

  4. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf en/of in het bedrijfspand geen strafbare feiten plaatsvinden.

Artikel 2.3.5.8

Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande gevallen

In afwijking van het eerste lid van artikel 2.3.5.3 geldt het aldaar gestelde verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het in artikel 2.3.5.2 genoemde aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties niet:

  1. In gevallen waarin nog géén vergunning zoals bedoeld in artikel 2.3.5.3 is aangevraagd: In de eerste drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit;

  2. In gevallen waarin binnen drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit een vergunning zoals bedoeld in artikel 2.3.5.3 is aangevraagd: Tot het besluit tot weigering van een door hem binnen de termijn van drie maanden aangevraagde vergunning.

Artikel 2.3.5.9

Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen

Op de vergunning als bedoeld in artikel 2.3.5.3 is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem