Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene Bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Orde en veiligheid op de weg
Afdeling Betaald-voetbalwedstrijden
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, drugsoverlast, gevaar of schade
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Bestuurlijke ophouding
Afdeling Preventief fouilleren
Afdeling Cameratoezicht
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijke aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Artikel 5.1.1

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

  2. voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:

    1. treinen, trolleys en trams;

    2. tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen;

    3. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens;

  3. parkeren: het doen of laten staan van voertuigen, anders dan gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

Artikel 5.1.2

Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

  1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    1. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen, dan wel;

    2. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  2. Onder verhuren wordt mede verstaan het gebruiken van een voertuig voor het geven van rijlessen.

  3. Het is de exploitant van een taxi- en/of vervoerbedrijf verboden drie of meer voertuigen op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen.

  4. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:

    1. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

    2. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.

  5. Het college kan van de in het eerste en derde lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.1.2a

Te koop aanbieden van voertuigen

  1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  2. Het college kan van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.1.3

Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5.1.4

Wrakken

  1. Het is verboden een voertuig of een (brom)fiets die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te plaatsen of te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.1.5

Caravans e.d.

  1. Het is verboden een kampeerwagen, woonwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:

    1. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te parkeren op de weg, met een maximum van zes dagen per maand;

    2. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijke aanzien van de gemeente.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5.1.6

Parkeren van reclamevoertuigen

  1. Het is verboden een voertuig als bedoeld in artikel 1.1, dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.

  2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.1.7

Parkeren van grote voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit parkeren naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijke aanzien van de gemeente.

  2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  4. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

  5. Dit artikel geldt niet voor zover artikel 5.1.5 van toepassing is.

Artikel 5.1.8

Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren binnen een afstand van 10 meter van een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5.1.9

Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen

  1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.

Artikel 5.1.10

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  1. Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of op een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing:

    1. op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder 1;

    2. op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid;

    3. op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.

  3. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.1.11

Overlast van fiets of bromfiets

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijke aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

Artikel 5.2.1

Collecteren

  1. In dit artikel wordt onder collecte verstaan: een openbare inzameling van geld of goederen of het daartoe aanbieden van een intekenlijst. Daaronder wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  2. Het is verboden een collecte te houden.

  3. Het verbod geldt niet voor een collecte die in besloten kring gehouden wordt.

  4. Het verbod geldt niet voor een collecte, die wordt gehouden door:

    1. een landelijk collecterend fonds dat is opgenomen in het door het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) jaarlijks opgestelde collecterooster voor zover de collecte plaatsvindt binnen de daarop voor het betreffende fonds aangegeven periode;

    2. een vereniging of stichting ten behoeve van een liefdadig of ideëel doel in een in voornoemd collecterooster opgenomen vrije periode, mits:

      1. de collecte maximaal 1 week duurt;

      2. de vereniging of stichting in het betreffende kalenderjaar niet eerder een collecte in Arnhem heeft gehouden;

      3. de collectant beschikt over een CBF-Keur of een door het CBF afgegeven Verklaring van geen bezwaar, danwel anderszins publiekelijk verantwoordelijk aflegt over de ingezamelde gelden of goederen en de besteding daarvan;

      4. de collecte niet betrekking heeft op een doel waarvoor al een collecte in het betreffende kalenderjaar in Arnhem wordt of is gehouden;

      5. uiterlijk drie weken voordat wordt begonnen met de collecte hiervan schriftelijk melding bij het college wordt gedaan, onder vermelding van de periode, het liefdadig of ideëel doel en de wijze waarop voldaan wordt aan het bepaalde onder 3;

      6. er geen eerdere melding is ontvangen van een andere vereniging of stichting voor de betreffende periode die voldoet aan het bepaalde in dit lid.

  5. Het college kan binnen twee weken na ontvangst van de melding als bedoeld in het vierde lid, onder b, sub 5, besluiten een collecte te verbieden in het belang van de openbare orde.

Artikel 5.2.2

Venten

  1. Het is verboden op de door het college aangewezen plaatsen te venten.

  2. Onder venten wordt in dit artikel in ieder geval verstaan het op of aan de weg of een openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:

    • goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven;

    • personeel te werven;

    • marktonderzoek, enquêteren daaronder mede begrepen, te doen;

    • petities ter ondertekening aan te bieden;

    • gratis producten en monsters te verstrekken;

    • leden te werven;

    • abonnementen aan te bieden;

    • diensten aan te bieden.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet:

    • voor het aan huizen van vaste afnemers afleveren van goederen door – of door huisgenoten of personeel van – hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    • voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats die is aangewezen voor het houden van een van gemeentewege ingestelde markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt;

    • voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3;

    • voor het aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen als bedoeld in artikel 2.1.3.1.

Artikel 5.2.3

Standplaatsen: uitstallingen op de weg

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:

    1. met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben;

    2. anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.

  2. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid.

  3. Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Alsdan geldt ook het in het tweede lid gestelde verbod niet.

  4. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een van gemeentewege ingestelde markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt, voor een evenement als bedoeld in artikel 5.7.2.

  5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Omgevingswet, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de provinciale omgevingsverordening van toepassing is

  6. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    1. in het belang van de openbare orde;

    2. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    3. in het belang van de bescherming van het uiterlijke aanzien van de omgeving;

    4. in het belang van de verkeersvrijheid of veiligheid;

    5. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;

    6. vanwege strijd met het omgevingsplan;

    7. indien er één of meer aanvragen voor samenlopende concurrerende standplaatsen zijn ingediend.

  7. Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een activiteit betreft die vergunningplichtig is in het kader van de Omgevingswet en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid, tot de dag waarop de omgevingsvergunning van kracht geworden is.

  8. Het college kan nadere regels vaststellen waaraan getoetst wordt of een standplaatshouder in aanmerking komt voor een vergunning.

Artikel 5.2.4

Aanvraag vergunning

  1. Het college stelt voor het indienen van aanvragen voor een vergunning als bedoeld in artikel 5.2.3 een formulier vast.

  2. Bij een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 5.2.3 worden overgelegd:

    1. een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    2. situatietekening van de locatie;

    3. een foto van de kraam/standplaatswagen;

    4. een bewijs waaruit blijkt dat de aanvrager gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte van de standplaats;

    5. een kopie van een identiteitsbewijs van de aanvrager.

Artikel 5.3.1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder kade: de gehele rechter Rijnoever, met uitzondering van het voormalig Rijksveer Malburgen (kadastraal bekend als gemeente Arnhem, sectie D, nr. 4031), beginnende bij het gedeelte van Onderlangs waar het Rijnhotel, plaatselijk bekend Onderlangs nr. 10 en eindigende bij de Haven van Malburgen, alsmede de gehele wal van de Haven van Malburgen, tussen de waterlijn bij een waterstand van 8,57 + NAP gemeten aan de Rijkspeilschaal aan de Rijnkade bij het Roermondsplein en een evenwijdig daarvan landwaarts gelegen lijn, op een afstand van 30 meter uit die waterlijn, horizontaal gemeten en de Haven van Malburgen.

Artikel 5.3.2

Gebruik van openbaar water

  1. Het is in verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in, of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.

  2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

  3. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbare water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water of niet voldoen aan redelijke eisen van welstand.

  4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet of het Binnenvaartpolitiereglement.

Artikel 5.3.3

Nadere regels

Het college kan voor vaartuigen, alsmede voor het gebruik van de kade en de haven nadere regels stellen.

Artikel 5.3.4

Beschadigen van waterstaatswerken en oevers

  1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de artikelen 161, 166, 167 of 350 van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening van toepassing zijn.

Artikel 5.3.5

Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5.3.6

Veiligheid op het water

  1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbare water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 5.3.7

Overlast aan vaartuigen

  1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5.3a.1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. ligplaats: een gedeelte van het openbare water, bestemd of geschikt om door een woonschip met bijbehorende voorzieningen te worden ingenomen;

  2. bijbehorende voorzieningen: zaken zonder welke het gebruik van het schip als woning niet goed mogelijk is, zoals bijboten, steigers en loopplanken;

  3. woonschip: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd of bestemd is voor bewoning.

Artikel 5.3a.2

Aanwijzing ligplaatsen

  1. Het college wijst gedeelten van het openbare water aan bestemd voor het innemen van een ligplaats met een woonschip.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover dit strijdig is met het bepaalde in het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Rijnvaartpolitiereglement 1995 of het Provinciaal reglement Gelderland.

Artikel 5.3a.3

Verboden ligplaatsen

  1. Het is verboden met een woonschip een permanente ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats beschikbaar te stellen buiten de op grond van artikel 5.3a.2 aangewezen gedeelten van het openbare water.

  2. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op woonschepen die in aanbouw of in reparatie zijn, zolang zij zich op of aan een scheepswerf, dan wel in of bij een reparatie-inrichting bevinden.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of het Binnenvaartpolitiereglement.

Artikel 5.3a.4

Ligplaatsvergunning

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een ligplaats in te nemen of te hebben op de op grond van artikel 5.3a.2 aangewezen plaatsen.

  2. De in het eerste lid bedoelde ligplaatsvergunning wordt gesteld op naam van de eigenaar van het woonschip en vermeldt de plaatsaanduiding van de desbetreffende ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het woonschip.

  3. Het college kanten aanzien van de bijbehorende voorzieningen nadere regels stellen.

  4. Een ligplaatsvergunning kan worden geweigerd indien:

    1. voor de ligplaats reeds vergunning is verleend;

    2. het woonschip belemmeringen veroorzaakt aan het verkeer te water of te land;

    3. het uiterlijk van het woonschip afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente;

    4. het woonschip niet voldoet aan eisen van veiligheid;

    5. het niet aannemelijk is dat de aanvrager binnen 26 weken na het indienen van de aanvraag met het woonschip de plaats waarvoor de vergunning is aangevraagd, kan innemen.

Artikel 5.3a.5

Overdragen ligplaatsvergunning

Op aanvraag van de vergunninghouder en van de rechtverkrijgende schrijft het college de ligplaatsvergunning over op de naam van de rechtverkrijgende van het woonschip.

Artikel 5.3a.6

Intrekking ligplaatsvergunning

Het college kan de ligplaatsvergunning, naast de in artikel 1.5 genoemde gronden, intrekken, indien:

  1. het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft zonder toestemming van het college gedurende een periode langer dan 12 aaneengesloten maanden buiten de gemeente verblijft;

  2. het uiterlijk van het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente;

  3. het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft niet voldoet aan eisen van veiligheid.

Artikel 5.3a.7

Aanwijzingen

  1. Bij het innemen van de ligplaats en bij het uitvoeren van werkzaamheden aan of nabij de ligplaats worden de door het college gegeven aanwijzingen in acht genomen.

  2. De vergunninghouder is verplicht gevolg te geven aan de door het collegegegeven bevelen en aanwijzingen in het belang van de openbare orde, de vrijheid of veiligheid van het verkeer, de volksgezondheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

Artikel 5.3a.8

Aansluiting aan drinkwaterleiding

  1. De vergunninghouder is verplicht ervoor te zorgen dat het woonschip is aangesloten op het distributienet van de openbare waterleiding.

  2. De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet, indien het schip is voorzien van een of meer drinkwatertanks waarvan de gezamenlijke inhoud minimaal 250 liter bedraagt.

Artikel 5.3a.9

Overgangsrecht

  1. De weigeringsgronden als bedoeld in artikel 5.3a.4, vierde lid zijn niet van toepassing op woonschepen, die ten tijde van het nemen van het in artikel 5.3a.2, eerste lid bedoelde aanwijzingsbesluit ligplaats innemen in het bij dat besluit aangewezen gedeelte van het openbare water.

  2. Het college neemt met betrekking tot de in het eerste lid van dit artikel genoemde situatie en besluit inhoudende vaststelling van de bestaande situatie.

  3. Voor die woonschepen waarvoor het college een besluit neemt als bedoeld in het tweede lid, onder A van dit artikel, wordt voor die betreffende situatie een vergunning verleend.

Artikel 5.4.1

Crossterreinen

  1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of een fiets een wedstrijd dan wel een trainings of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig, een bromfiets of een fiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    2. in het belang van de bescherming van het uiterlijke aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    3. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek.

  3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 5.4.2

Beperking verkeer in natuurgebieden

  1. Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan zij verklaren, dat het rijden met een motorvoertuig, een bromfiets of een fiets als bedoeld in artikel 4 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan milieuwaarden.

  2. Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen:

    1. zich met een motorvoertuig, een bromfiets of een fiets als bedoeld in het vorige lid of met een paard te bevinden, dan wel;

    2. zich met een motorvoertuig, een bromfiets of een fiets als bedoeld in het vorige lid of met een paard te bevinden buiten de in die aanwijzing aangeduide en als zodanig gemarkeerde paden; dan wel;

    3. zich met een motorvoertuig, met een bromfiets, met een fiets of met een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen of fietsen en voor berijders van paarden:

    1. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 58 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aangewezen hulpverleningsdiensten;

    2. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het collegeaangewezen plaatsen;

    3. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    4. van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen;

    5. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  4. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet:

    1. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

    2. op wegen gelegen binnen de krachtens de provinciale 'Verordening verkeersbeperking ter bescherming van de natuur' aangewezen natuurgebieden;

    3. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

  5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Artikel 5.5.1

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    2. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

    3. vuur voor koken, bakken en braden.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5.6.1

Begripsomschrijving

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5.6.2

Verboden plaatsen

  1. Incidentele asverstrooiing is verboden:

    1. op verharde delen van de weg;

    2. op de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen en het nationale strooiveld Delhuyzen;

    3. in of boven waterwingebieden;

    4. op de natuurterreinen Landgoed Schaarsbergen, Maasbergse bossen, ‘t Zand, Deelen, Kemperheide, Koningsheide (met uitzondering van het zuidelijk deel), Zonheuvel, Rijk der Heide, Johannahoeve, Grijsoord en Lange Hut.

  2. Incidentele asverstrooiing is verboden zonder toestemming van de rechthebbende op de onroerende zaak waarop de as wordt verstrooid.

  3. Het college kan, eventueel voor een bepaalde termijn, andere plaatsen dan in het eerste lid genoemd aanwijzen waar incidentele asverstrooiing verboden is.

  4. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus, op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

Artikel 5.6.3

Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Artikel 5.7.1

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoop- en theatervoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    5. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1.4.2, 2.2.1 en 2.3.3.1.

    6. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid;

    2. een braderie;

    3. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.1;

    4. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    5. een straatfeest of buurtbarbecue;

    6. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

  3. In deze afdeling worden de volgende evenementen onderscheiden:

    1. 0- evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 250 mensen;

    2. A- evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;

    3. B- evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer;

    4. C- evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer.

  4. Onder evenementenkalender wordt in deze afdeling verstaan een door de burgemeester vast te stellen lijst met A-, B- en C-evenementen die in een kalenderjaar plaatsvinden.

Artikel 5.7.2

Vergunningsplicht

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren (evenementenvergunning).

  2. Geen vergunning als bedoeld in artikel 5.7.2, eerste lid is vereist voor een 0-evenement, als de organisator tenminste acht werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester en het evenement voldoet aan de volgende vereisten:

    • het gedurende het evenement verwachte gelijktijdig aantal aanwezigen bedraagt niet meer dan 249 personen;

    • er wordt voldaan aan de eisen gesteld aan het geluidsniveau zoals neergelegd in nadere regels van het college;

    • het evenement vindt plaats tussen 07.00 en 24.00 uur;

    • het is een eendaags evenement;

    • het evenement vindt niet plaats op de rijbaan, (brom)fietspad, het voetgangersgebied in de binnenstad, in een bos, tijdens het broedseizoen van 1 maart tot 15 augustus in een park of vormt anderszins geen belemmering voor het verkeer en de hulpdiensten;

    • er is een organisator;

    • het voornemen tot het houden van een evenement wordt voorafgaand aan het evenement schriftelijk of via een speciale sectie van de gemeentelijke website aan de burgemeester gemeld; de organisator ontvangt via e-mail een ontvangstbevestiging;

    • de melding bevat de naam van de organisator, het verwachte maximum aantal bezoekers op enig moment en gedurende het gehele evenement, de locatie, de tijdstippen van begin en einde en de aard van het evenement;

    • er worden bij het evenement geen dieren gebruikt los van de dieren die onderdeel uitmaken van de dagelijkse bedrijfsvoering;

    • er is geen eerdere melding ontvangen voor het houden van een 0-evenement voor dezelfde datum, tijd en locatie;

    • er is ten behoeve van het evenement geen artikel 35 ontheffing van de Alcoholwet nodig voor het verstrekken van zwak-alcoholische dranken.

  3. In bijzondere gevallen kan de burgemeester ten gunste van de melder van meldingstermijn afwijken.

  4. De burgemeester kan binnen vijf werkdagen na ontvangst van de melding als bedoeld in het tweede lid van dit artikel besluiten een 0-evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  5. Geen vergunning als bedoeld in artikel 5.7.2, eerste lid, en geen melding als bedoeld in artikel 5.7.2, tweede lid, is vereist voor een 0-evenement waarbij gelijktijdig maximaal 20 personen aanwezig zijn, mits voldaan wordt aan de overige vereisten genoemd in artikel 5.7.2, tweede lid.

  6. Het tweede lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 5.7.1, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

  7. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  8. De burgemeester kan bij openbare kennisgeving bepalen dat één of meer (categorieën van) evenementen zijn vrijgesteld van de vergunningplicht zoals bedoeld in het eerste lid.

  9. De burgemeester kan bij openbare kennisgeving gebouwen, locaties en gebieden aanwijzen waar het houden van één of meer (categorieën van) evenementen voor een periode van maximaal twee jaar is vrijgesteld van de vergunningplicht zoals bedoeld in het eerste lid.

  10. De burgemeester kan besluiten de categorie van het evenement aan te passen indien de feiten en omstandigheden hiertoe nopen.

Artikel 5.7.3

Evenementenvergunning

  1. Een aanvraag voor een evenementenvergunning wordt minimaal voor de onderstaande termijn ingediend bij de burgemeester:

    A-evenement vier weken voor aanvang van het evenement;

    B-evenement acht weken voor aanvang van hte evenement;

    C-evenement twaalf weken voor aanvang van het evenement.

    In bijzondere gevallen kan de burgemeester ten gunste van de aanvrager van deze bepaling afwijken.

  2. Een evenementenvergunning wordt verleend aan een organisator en bevat een beschrijving van het gebied waarbinnen het evenement plaatsvindt (evenemententerrein), het tijdstip en de duur van het evenement, alsmede een beschrijving van de activiteiten en handelingen die in het kader van het evenement mogen plaatsvinden.

  3. Activiteiten, die deel uitmaken van een evenementenvergunning, zijn niet afzonderlijk vergunningsplichtig uit hoofde van andere gemeentelijke publiekrechtelijke regelingen.

  4. Op het evenemententerrein mogen geen activiteiten plaatsvinden die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningsplichtig zijn, tenzij die activiteiten zijn vermeld in de evenementenvergunning.

  5. Tenzij de burgemeester anders bepaalt geldt het verbod in het vierde lid niet voor activiteiten waarvan aannemelijk is dat zij krachtens een voor onbepaalde tijd, dan wel voor een periode langer dan drie maanden verleende vergunning ook op het evenemententerrein zouden plaatsvinden als daar geen evenement zou worden gehouden.

  6. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

  7. Een beslissing op een aanvraag voor een evenement wordt opgeschort, indien de milieuwetgeving eisen stelt aan het betreffende evenement en zolang de organisator niet heeft voldaan aan die eisen.

  8. De burgemeester kan een vergunning weigeren, indien:

    1. er, gelet op de aard van het evenement, onevenredig veel beslag wordt gelegd op de openbare ruimte, gemeentelijke diensten of hulpdiensten;

    2. het aantal bezoekers dat wordt verwacht onevenredig veel beslag legt op de ruimte, gemeentelijke diensten of hulpdiensten;

    3. de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie;

    4. er gevaar bestaat voor de openbare orde, zedelijkheid, gezondheid of veiligheid, waaronder de brandveiligheid en het belang van het voorkomen van wanordelijkheden;

    5. er gevaar bestaat voor ernstige verkeersbelemmeringen;

    6. er gevaar bestaat voor een onaanvaardbare belasting voor de omgeving als gevolg van het evenement;

    7. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement;

    8. de organisator onvoldoende waarborgen biedt om schade aan het milieu te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken;

    9. er gevaar bestaat voor verontreiniging;

    10. er gevaar bestaat voor de beschadiging van gemeentelijke dan wel particuliere eigendommen;

    11. de organisator niet aantoont dat hij voldoet aan de eisen van de milieuwetgeving, indien van toepassing;

    12. er één of meer aanvragen voor samenlopende concurrerende evenementen zijn ingediend;

    13. de weigering in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt is;

    14. onvoldoende aannemelijk is dat voldaan wordt aan de eisen die het college in nadere regels stelt aan het geluidsniveau van het programma tijdens het evenement indien het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtredingvan de Omgevingswet, niet van toepassing is.

  9. De burgemeester kan ter verzekering van de nakoming van de voorschriften in de vergunning bepalen dat een waarborgsom moet worden voldaan voordat het evenement wordt gehouden.

  10. De burgemeester is bevoegd tot het vaststellen van de evenementenkalender.

  11. De burgemeester kan ter regulering van het evenement aan de vergunning voorschriften verbinden die betrekking hebben op het geluidsniveau van het programma tijdens het evenement, voor zover het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtredingvan de Omgevingswet, niet van toepassing is. Hiervoor stelt het college nadere regels vast.

  12. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

Artikel 5.7.4

Behoud privaatrechtelijke bevoegdheden (gebruiksovereenkomst)

De voorgaande artikelen laten onverlet de bevoegdheid van de gemeente om voorwaarden te stellen aan het gebruik van gemeentegrond of openbaar water als evenemententerrein. Het sluiten van een gebruiksovereenkomst kan als voorwaarde in de evenementenvergunning worden opgenomen. In deze gebruiksovereenkomst kunnen onder meer voorwaarden worden opgenomen die zien op de in art 5.7.3, achtste lid genoemde belangen.

Artikel 5.7.5

Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Artikel 5.7.6

Onnodig opdringen, uitdagend gedrag e.d. bij een evenement

  1. Het is verboden bij een evenement onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.

  2. Het is verboden bij een evenement messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar kan komen.

  3. Een ieder is verplicht bij een evenement alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.

  4. Het in het tweede lis gesteld everbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of eviligheid niet in gevaar komt of kan komen.

Artikel 5.8.1

Begripsomschrijvingen

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. kampeerterrein: terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf;

    2. kampeermiddel: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig dat bestemd is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

    3. caravan: al dan niet uitklapbare wagen of voertuig, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon-, dag- of nachtverblijf van een of meerdere personen en die bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grote afstanden, als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen;

    4. beheerder: de persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent over een kampeerterrein.

  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden niet als kampeermiddelen beschouwd vaartuigen, woonwagens, tenten in gebruik voor het houden van bijeenkomsten, tentoonstellingen of voorstellingen, en voertuigen in gebruik als directiekeet.

Artikel 5.8.2

Kampeerverbod

Het is verboden zonder vergunning van het college een kampeerterrein te houden.

Artikel 5.8.3

Vergunningplicht

Een vergunning voor het houden van een kampeerterrein kan slechts worden verleend indien de aanvraag betrekking heeft op gronden die in het omgevingsplan op enigerlei wijze zijn aangewezen voor kamperen.

Artikel 5.8.4

Vergunningvoorschriften

  1. Het college verbindt aan een vergunning als bedoeld in artikel 5.8.2 voorschriften over de soort en het aantal van de op het kampeerterrein toe te laten kampeermiddelen. Het college kan deze voorschriften wijzigen of intrekken.

  2. Het college kan in het belang van de orde, de rust, de veiligheid, de natuur- en landschapsbescherming, de bescherming van het milieu, de hygiëne en de gezondheid, alsmede overige onderwerpen betreffende het kamperen aan een vergunning als bedoeld in artikel 5.8.2 beperkingen of voorschriften verbinden, dan wel deze beperkingen of voorschriften wijzigen of intrekken.

Artikel 5.8.5

Aanvraagformulier

  1. Het college kan ten behoeve van de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 5.8.2 een formulier vaststellen.

  2. Bij een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 5.8.2 worden in ieder geval overgelegd:

    1. gegevens betreffende naam en adres van de natuurlijke of rechtspersoon die houder is van het kampeerterrein en van de beheerder van het kampeerterrein; en

    2. een situatietekening van het kampeerterrein waarop zijn aangegeven de kadastrale omschrijving van het terrein, de plaats van de bestaande en op te richten bouwwerken en hun functies en de wijze waarop in parkeergelegenheid is voorzien.

Artikel 5.8.6

Kamperen buiten kampeerterreinen

  1. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod bedoeld in artikel 5.8.2 voor het gelegenheid geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen buiten de in artikel 5.8.2 bedoelde kampeerterreinen door groepen uitgaande van een vereniging of andere organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard, gedurende een in de ontheffing aangegeven korte, aaneengesloten periode.

  2. Het bepaalde in artikel 5.8.4 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.8.7

Verbodsbepaling

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf op of aan de weg kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden dan wel daartoe gelegenheid te geven buiten kampeerterreinen waarvoor een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 5.8.2 onderscheidenlijk artikel 5.8.6 is verleend.

  2. Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod genoemd in het eerste lid niet van toepassing is.

  3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot tijdstippen, perioden en soort kampeermiddel voor de plaatsen bedoeld in het tweede lid.

Artikel 5.9.1

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem;

  2. wooneenheid: gedeelte van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur dat bestemd is voor afzonderlijke bewoning;

  3. kamergewijze verhuur: verhuur van een niet-gemeenschappelijk deel van een woonfunctie waarin zich vijf of meer wooneenheden bevinden.

Artikel 5.9.2

Kamergewijze verhuur

Kamergewijze verhuur is verboden indien er niet is voldaan aan de volgende eisen:

  1. Er iemand is aangesteld, niet zijnde een huurder die:

  2. toeziet op de hygiëne en de veiligheid;

  3. aanspreekpunt is voor bewoners, omwonenden en overheden bij klachten;

  4. elke dag van de week bereikbaar is;

  5. een actueel overzicht bijhoudt van de namen van de bewoners van het pand.

  6. Van kamergewijze verhuur van een pand is melding gedaan conform artikel 5.9.3.

Artikel 5.9.3

Meldingsplicht bij kamergewijze verhuur

Degene die kamergewijze verhuur van een pand wil realiseren, meldt dit tenminste vier weken voor de eerste verhuur aan het college.

Artikel 5.9.4

Gegevensverstrekking

Een melding van kamergewijze verhuur wordt ingediend door gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier. Bij de melding worden tenminste de volgende gegevens verstrekt:

  1. de naam en het adres van de verhuurder;

  2. indien van toepassing het nummer van de Kamer van Koophandel van de verhuurder;

  3. adres en kadastrale gegevens van het te verhuren pand;

  4. de datum waarop de eerste verhuur plaats zal vinden;

  5. de naam, het emailadres en het telefoonnummer van de persoon die is aangesteld ex artikel 5.9.2, van deze verordening.

Artikel 5.9.5

Overgangsbepaling

Bij bestaande kamergewijze verhuur op het moment van inwerkintreding van deze regeling, dient de melding vier weken na inwerkintreding van deze regeling plaats te hebben gevonden.

Artikel 5.10.1

[Dit artikel treedt in werking op 13 maart 2027]

  1. In dit artikel wordt verstaan onder Fossiele reclame: handelsreclame, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen, voor de volgende producten en diensten: fossiele brandstoffen, vliegvakanties, vliegtickets, grijze stroomcontracten, gascontracten, cruisereizen of auto’s met een fossiele of hybride brandstofmotor.

  2. Het is verboden op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is fossiele reclame aan te brengen, tenzij het gaat om:

    1. bedrijfsnamen, bedrijfslogo’s en reclames aan of in de directe nabijheid van het pand waar de activiteiten plaatsvinden waar de reclame betrekking op heeft;

    2. bedrijfsnamen en bedrijfslogo’s op wegwijzers op bedrijventerreinen en wegen.

Artikel 5.10.2

[Dit artikel treedt in werking op 13 maart 2027]

  1. In dit artikel wordt verstaan onder Vlees- of visreclame (hierna vleesreclame): handelsreclame waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen, voor vlees- of visproducten en maaltijden voor menselijke consumptie waar vlees of vis in verwerkt is.

  2. Het is verboden op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is vleesreclame aan te brengen, tenzij het gaat om:

    1. bedrijfsnamen, bedrijfslogo’s en reclames aan of in de directe nabijheid van het pand waar de activiteiten plaatsvinden waar de reclame betrekking op heeft;

    2. bedrijfsnamen en bedrijfslogo’s op wegwijzers op bedrijventerreinen en wegen.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem