1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de artikelen 161, 166, 167 of 350 van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening van toepassing zijn.