1. Met het oog op de naleving van het in artikel 3.2.6, eerste lid, gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  2. Met het oog op de in artikel 3.2.6, vijfde lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en gebieden als bedoeld in artikel 3.2.6, tweede lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  3. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.2.6, vijfde lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het eerste lid bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan bij dit besluit aan te wijzen wegen of gebieden. De burgemeester beperkt het verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene noodzakelijk is.

  4. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het derde lid.