1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester de weg of een weggedeelte te gebruiken voor het plaatsen en exploiteren van een bij een openbare inrichting behorend terras.

  2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    1. het terras wordt geplaatst op het voor de voetgangers bestemde gedeelte van de weg;

    2. indien het terras op een weg wordt geplaatst die mede bestemd is voor voertuigen, dient een minimale doorgang van 1,5 meter voor voetgangers te worden vrijgehouden;

    3. op wegen of weggedeelten enkel bestemd voor voetgangers dient te allen tijde een vrije en onbelemmerde doorgang van minimaal 3,5 meter aanwezig te zijn ten behoeve van hulpdiensten;

    4. het terras mag slechts voor en aansluitend aan het pand van de betreffende openbare inrichting worden geplaatst en enkel gedurende de openingstijden daarvan;

    5. het terras mag maximaal twee meter breed zijn;

    6. het terras is niet gelegen in het horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 2.3.1.15, zesde lid, in de Steenstraat noordzijde of in de winkelcentra Kronenburg en Presikhaaf;

    7. de openbare inrichting waar het terras bij wordt geplaatst is geen afhaalcentrum.

  3. De burgemeester weigert de in het eerste lid bedoelde vergunning als de vergunning ex artikel 2.3.1.2 is geweigerd.

  4. De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde vergunning weigeren, als:

    1. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatige beheer en onderhoud van de weg;

    3. het beoogde gebruik – hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving – niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    4. zich ten aanzien van het beoogde gebruik een van de in artikel 2.3.1.6, aanhef en onder a, b, c of d genoemde weigeringsgronden voordoet.

  5. De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde vergunning intrekken, als:

    1. de vergunning als bedoeld in 2.3.1.2 wordt ingetrokken;

    2. naar zijn oordeel de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven, zodanig zijn gewijzigd dan wel de exploitatie van de openbare inrichting op een zodanige wijze plaatsvindt, dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    3. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten - waaronder herinrichting van het openbaar gebied - opgetreden na het verlenen van de vergunning intrekking of wijziging noodzakelijk is;

    4. gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.

  6. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet, voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale omgevingsverordening van toepassing is.