Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene Bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Orde en veiligheid op de weg
Afdeling Betaald-voetbalwedstrijden
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, drugsoverlast, gevaar of schade
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Bestuurlijke ophouding
Afdeling Preventief fouilleren
Afdeling Cameratoezicht
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijke aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijke aanzien van de gemeente

Artikel 4.1.1

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  2. inrichting: een inrichting type A en B als bedoeld in het Besluit;

  3. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een openbare inrichting drijft;

  4. collectieve festiviteit: festiviteit als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit;

  5. incidentele festiviteit: festiviteit als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, onder b van het Besluit.

Artikel 4.1.1a

Horecaconcentratiegebied

Als concentratiegebied voor inrichtingen als bedoeld in artikel 2.19 en 2.19a van het Besluit wordt aangewezen het in artikel 2.3.1.15, zesde lid, van deze verordening aangegeven gebied.

Artikel 4.1.2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De waarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit gelden niet op ten hoogste zes, nader door de burgemeester ten behoeve van collectieve festiviteiten aan te wijzen dagen of dagdelen per kalenderjaar.

  2. In deze aanwijzing kan door de burgemeester worden bepaald dat de artikelen 2.17, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet gelden in de gehele gemeente of in een of meer delen daarvan. De bedoelde beperking van zes dagen of dagdelen per kalenderjaar geldt voor elk deel van de gemeente afzonderlijk.

  3. De burgemeester publiceert ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar in één of meer huis-aan-huisbladen welke dagen of dagdelen binnen de gemeente of binnen een deel van de gemeente worden aangemerkt als dagen of dagdelen in het nieuwe kalenderjaar waarop collectieve festiviteiten plaatsvinden.

  4. De burgemeester kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond een festiviteit aanwijzen als collectieve festiviteit.

Artikel 4.1.3

Incidentele festiviteiten

  1. Het is de houder van een openbare inrichting toegestaan maximaal één incidentele festiviteit in zijn openbare inrichting per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits het voornemen hiertoe één week van tevoren schriftelijk aan de burgemeester wordt gemeld.

  2. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4.1.4

Verboden incidentele festiviteiten

Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien:

  1. gehandeld wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 4.1.3;

  2. de houder van de openbare inrichting verzuimt te doen of na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige hinder te voorkomen;

  3. de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft, omdat naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed.

Artikel 4.1.5

Geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het verbod is niet van toepassing:

    1. op toestellen die worden gebruikt ten behoeve van bouw-, sloop- en/of onderhoudswerkzaamheden, met dien verstande dat wordt voldaan aan de navolgende geluidsniveaus op de daarbij genoemde tijdstippen:

      07 – 19 uur: 65 dB(A) voor een maximale aaneengesloten periode van een maand;

      07 - 19 uur: 60 dB(A) voor een maximale aaneengesloten periode langer dan een maand;

      19 – 23 uur: 55 dB(A) voor een maximale aaneengesloten periode van een maand;

      19 – 23 uur: 50 dB(A) voor een maximale aaneengesloten periode langer dan een maand;

      gemeten op een afstand van twee meter van de gevel van de woning.

    2. op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

  3. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4.1.6

Routering

Het is verboden met een vrachtauto, als bedoeld in artikel 1, onder ao, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2 meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een door het college bij openbaar bekend te maken besluit aangewezen weg te rijden.

Artikel 4.2.1.1

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder perceel: perceel waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan.

Artikel 4.2.1.2

Doelstelling

De toepassing van deze afdeling is gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 4.2.2.1

Aanwijzing inzameldienst

  1. Burgemeester en wethouders wijzen de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.

  2. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissing) is niet van toepassing.

  3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de voorbereiding van de aanwijzing en over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 4.2.2.2

Regulering van andere inzamelaars

  1. Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar:

    1. daartoe is aangewezen door burgemeester en wethouders;

    2. verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  2. Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 4.2.2.1, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.2.2.3

Aanwijzing van inzamelplaats

Burgemeester en wethouders dragen zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten.

Artikel 4.2.2.4

Algemene verboden

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen:

  1. ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 4.2.2.2, eerste lid;

  2. over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 4.2.2.2, eerste lid; of

  3. achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 4.2.2.3.

Artikel 4.2.2.5

Afvalscheiding

  1. Burgemeester en wethouders stellen regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel.

  2. In ieder geval de volgende bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld:

    1. groente-, fruit- en tuinafval;

    2. papier en karton;

    3. glas;

    4. textiel;

    5. plastic verpakkingsmateriaal, metalen verpakkingen en drankenkartons;

    6. grof huishoudelijk restafval;

    7. afgedankte elektrische of elektronische apparatuur;

    8. herbruikbaar huisraad;

    9. klein chemisch afval;

    10. grof tuinafval.

  3. In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kunnen burgemeester en wethouders de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het tweede lid, of fracties daarvan, achterwege laten.

Artikel 4.2.2.6

Gescheiden aanbieding

  1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 4.2.2.5, anders dan afzonderlijk:

    1. ter inzameling aan te bieden;

    2. achter te laten op een inzamelplaats, bedoeld in artikel 4.2.2.3.

  2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.2.2.7

Tijdstip van aanbieding

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door burgemeester en wethouders daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld.

Artikel 4.2.2.8

Wijze en plaats van aanbieding

  1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouder te stellen regels over het gebruik van:

    1. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;

    2. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel.

  2. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in artikel 4.2.2.7, buiten een perceel te laten staan.

  3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.

Artikel 4.2.3.1

Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst

Burgemeester en wethouders kunnen bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen krachtens artikel 4.2.2.1 in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens de Verordening reinigingsrechten verschuldigde rechten zijn voldaan.

Artikel 4.2.3.2

Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 4.2.3.1 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, aan de inzameldienst over te dragen of bij de inzamelplaats, bedoeld in artikel 4.2.2.3, achter te laten.

Artikel 4.2.3.3

Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen

  1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouders te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 4.2.3.1 aangewezen bedrijfsafvalstoffen.

  2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, inhouden.

Artikel 4.2.4.1

Dumpingsverbod

  1. Het is verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    1. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening;

    2. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan;

    3. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

    4. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Omgevingswet, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit.

  3. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.

Artikel 4.2.4.2

Zwerfafval in de openbare ruimte

  1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen.

  2. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde.

  3. Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen.

Artikel 4.2.4.2a

Ongeadresseerd drukwerk

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. huis-aan-huisblad: ongeadresseerd blad dat met een vaste frequentie gratis huis aan huis wordt verspreid in een geografisch beperkt gebied, waarvan tenminste 20% van de inhoud bestaat uit informatie over en nieuws uit het eigen verspreidingsgebied, niet zijnde reclame:

    2. ongeadresseerd reclamedrukwerk: reclamedrukwerk of proefmonsters van producten die gratis huis aan huis worden verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde:

      1. een huis-aan-huisblad of andere informatie over werkzaamheden of activiteiten in de buurt die voor de bewoners of gebruikers van een woning, bedrijf of woonschip in die buurt van belang zijn om te weten;

      2. drukwerk van vrijwilligers of niet-commerciële organisaties.

  2. Een huis-aan-huisblad mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan.

  3. Het is verboden ongeadresseerd reclamedrukwerk te bezorgen of laten bezorgen bij een perceel, tenzij de bewoner kenbaar heeft gemaakt prijs te stellen op het ontvangen ervan.

Artikel 4.2.4.3

Zwerfafval rondom inrichtingen

  1. Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.

  2. Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting.

  3. De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 4.2.4.4

Afval en verontreiniging op de weg

  1. Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten.

  2. Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.

Artikel 4.2.4.5

Geen opslag van afval in de open lucht

Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 2 van deze afdeling aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 4.2.4.6

Ontdoen van autowrakken

Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken.

Artikel 4.3.1

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. vuilwaterriool: het niet voor hemelwaterafvoer bedoelde rioolstelsel dan wel gemengde rioolstelsel;

  2. hemelwaterriool: het alleen voor de afvoer van hemelwater bedoelde rioolstelsel.

Artikel 4.3.2

Rioolaansluiting

  1. Het is verboden een rioolaansluiting te maken of te wijzigen op het gemeentelijk riool.

  2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    1. het voornemen tot het maken of wijzigen van de rioolaansluiting dient tenminste drie weken van tevoren schriftelijk te worden gemeld aan het college, onder vermelding van in ieder geval:

      1. een schets of foto van de locatie;

      2. het adres van de eventueel aan te sluiten woning;

      3. een tekening en beschrijving van de wijze waarop de aansluiting wordt gerealiseerd;

      4. de diameter van de buis en de hoeveelheid te lozen vuil- en regenwater;

      5. de datum en het tijdstip van uitvoering;

      6. de gegevens van de aannemer die het werk zal uitvoeren;

    2. de hoogte en het aansluitpunt van de leidingen op de erfgrens hebben de instemming van de betrokken grondeigenaar;

    3. er wordt binnen circa een halve meter van de erfgrens van het betreffende perceel een ontstoppingsstuk geplaatst in elke afvoerleiding, die te allen tijde bereikbaar is;

    4. de vuilwaterafvoerleiding dient te worden uitgevoerd in de kleur grijs en mag enkel op het gemeentelijk vuilwaterriool worden aangesloten voor zover ter plaatse een gescheiden rioolstelsel aanwezig is;

    5. de hemelwaterafvoerleiding dient te worden uitgevoerd in de kleur roodbruin en mag enkel worden aangesloten op het hemelwaterriool, voor zover ter plaatse een gescheiden rioolstelsel aanwezig is;

    6. binnen drie weken na het maken of wijzigen van een aansluiting dient een revisietekening van de aansluiting aan het college te worden overgelegd.

  3. Het is verboden een rioolaansluiting op het gemeentelijk riool te hebben.

  4. Het bepaalde in het derde lid geldt niet als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    1. regenwater mag enkel op het hemelwaterriool worden geloosd en er mag geen ander water op het hemelwaterriool worden geloosd;

    2. er mag op geen enkele wijze afvalwater en/of afvalstoffen worden geloosd die door samenstelling, aard of hoeveelheid:

      1. gevaar, schade of hinder kan opleveren voor de riolering dan wel de goede werking daarvan, of voor de daarop aangeslotenen of

      2. een nadelige invloed kan hebben op de verwerking van het uit de riolering te verwijderen slib;

    3. er mag niet op zodanig wijze afvalwater en/of afvalstoffen worden geloosd dat daardoor de goede werking van de riolering kan worden belemmerd;

    4. er mogen op de riolering geen stoffen, in welke vorm dan ook, worden geloosd:

      1. met een sulfaatgehalte van meer dan 300 mg per liter;

      2. die verstopping of beschadiging van de riolering of daarmee verbonden installaties kunnen veroorzaken;

      3. die worden versneden door middel van versnijdende apparatuur, tenzij het stoffen betreft die ook zonder te zijn versneden geloosd mogen worden;

      4. die brand- of explosiegevaar kunnen veroorzaken;

      5. die stankoverlast kunnen veroorzaken.

  5. Het college bericht de melder binnen uiterlijk twee weken na ontvangst van de melding als bedoeld in het tweede lid, onder a, of de melding voldoet aan het daar bepaalde.

  6. Het college kan nadere regels stellen omtrent het in het tweede en vierde lid bepaalde.

Artikel 4.3.3

Hemelwaterafvoer

Het is verboden zonder vergunning van het college een hemelwaterafvoer aan te sluiten of aangesloten te hebben op het vuilwaterriool van het gescheiden stelsel.

Artikel 4.3.4

Lozing van afvalwater uit beer- zinkputten, rioolwater, grondwater of spoelwater op inspectieputten

Het is verboden zonder vergunning van het college afvalwater uit beer- of zinkputten, rioolwater, grondwater of spoelwater op inspectieputten te lozen.

Artikel 4.3.5

Aanvraag vergunning

  1. Een vergunning dient te worden aangevraagd door middel van een daartoe door het college vastgesteld formulier onder bijvoeging van een rioleringsplan.

  2. Het college kan nadere eisen stellen met betrekking tot het in het eerste lid genoemd rioleringsplan.

Artikel 4.3.6

Vergunningvoorschriften

Het college kan aan een vergunning voorschriften verbinden die in ieder geval betrekking kunnen hebben op de verplichting aan te sluiten op een verbeterd gescheiden stelsel inclusief het treffen van de daarvoor vereiste voorzieningen op eigen terrein.

Artikel 4.4.9

Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van of namens het cluster Openbare Ruimte aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4.4.10

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.

Artikel 4.4.12

Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4.5.1

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. boom: een houtig opgaand gewas zowel levend als afgestorven.

  2. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen.

  3. beschermde houtopstand: een houtopstand die is vastgelegd op de lijst met waardevolle bomen.

  4. lijst met waardevolle bomen: register met daarop aangegeven houtopstand met overzichtskaart.

  5. vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, de ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

  6. boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen.

  7. Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een boom, op basis van landelijke richtlijnen.

  8. vervallen.

Artikel 4.5.2

Lijst met waardevolle bomen

  1. Het college stelt een lijst met waardevolle bomen vast. De lijst wordt jaarlijks aangepast.

  2. De eigenaar van een beschermde houtopstand is verplicht het bevoegd gezag onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van:

    1. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een beschermde houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende ontheffing.

    2. de dreiging dat de beschermde houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.

Artikel 4.5.3

Kapverbod

  1. Het is verboden beschermde houtopstand te vellen of te doen vellen.

  2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  3. Het in het eerste lid bedoelde verbod behoudens ontheffing geldt eveneens voor:

    1. houtopstand die is aangelegd op basis van een herplant- en instandhoudingsplicht op grond van de artikelen 4.5.8 en 4.5.10;

    2. houtopstand die is aangelegd op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan.

  4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor:

    1. een beschermde houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving van het college, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4.5.10 en 4.5.11;

    2. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    3. het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    4. houtopstand ten aanzien waarvan bij het omgevingsplan of bij een geldend voorbereidingsbesluit is bepaald dat het verboden is deze te vellen zonder schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag.

Artikel 4.5.4

Aanvraag

De ontheffing moet schriftelijk en gemotiveerd worden aangevraagd, onder verwijzing naar de redengevende beschrijving van de beschermde houtopstand door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de beschermde houtopstand te beschikken, onder overlegging van een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project.

Artikel 4.5.5

Criteria

  1. Het bevoegd gezag kan de ontheffing om te vellen weigeren dan wel onder voorschriften verlenen.

  2. Een ontheffing voor het vellen van een beschermde houtopstand kan, mits alternatieven voor behoud uitputtend zijn onderzocht, slechts bij uitzondering worden verleend indien:

    1. een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand of;

    2. naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.

  3. Het college kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van acuut gevaar of vergelijkbaar spoedeisend belang van openbare orde of veiligheid.

Artikel 4.5.6

Beperking geldigheidsduur

  1. De omgevingsvergunning tot vellen zoals bedoeld in artikel 4.5.3, tweede lid, vervalt indien daarvan niet binnen maximaal één jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt, tenzij een langere termijn noodzakelijk is vanwege de voorzienbare langere uitvoeringstermijn van een project.

  2. In het geval het een ontheffing voor het vellen van meer dan één beschermde boom betreft, is de omgevingsvergunning voor alle beschermde bomen slechts één jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één of enkele beschermde bomen al geveld zijn, behoudens de in het eerste lid gestelde bevoegdheid tot het voorschrijven van een langere termijn.

Artikel 4.5.7

Schadevergoeding

Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 17 van de Boswet.

Artikel 4.5.8

Bijzondere voorschriften

  1. Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  2. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan tot de aan een omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat een geldelijke bijdrage gestort dient te worden in een voorziening van de gemeente die dient ter instandhouding en uitbreiding van het bomenbestand en groenvoorzieningen in de gemeente.

  3. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid kan telkens worden bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  4. Tot aan de omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de beschermde houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

  5. Tot aan de omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren tot het opstellen en overleggen van een Bomen Effect Analyse in geval van bouw of aanleg van werken nabij te behouden bomen.

  6. Het college stelt nadere regels vast voor het bepalen van de waarde van de in dit artikel lid 2 en artikel 4.5.10 lid 2 bedoelde houtopstand.

Artikel 4.5.9

Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.

Artikel 4.5.10

Herplant-/instandhoudingsplicht

  1. Indien een beschermde houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder ontheffing van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

  2. Indien niet ter plaatse kan worden herplant wordt een financiële bijdrage gestort in een voorziening van de gemeente die dient ter instandhouding en uitbreiding van het bomenbestand en groenvoorzieningen in de gemeente.

  3. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  4. Indien een beschermde houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

    1. overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;

    2. een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag.

  5. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4.5.11

Bestrijding van boomziekten en ziekteverspreiders

  1. Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. de boom te vellen;

    2. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde boom direct zodanig de behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  2. Het is verboden zonder vergunning van het college gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte of de ziekteverspreiders kan verspreiden

Artikel 4.6.1

Bescherming groenvoorzieningen

Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem of heesterperk, dan wel aldaar bloemen te plukken.

Artikel 4.6.2

Beschermde planten; hout sprokkelen; verwijderen van paddenstoelen; verzamelen van zaden en vruchten

  1. Het college is bevoegd:

    1. plaatsen aan te wijzen waar het ter bescherming van het natuur, landschaps of dorps/ stadsschoon verboden is daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken of bij zich te hebben;

    2. bosgebieden of gedeelten daarvan aan te wijzen, waar het om redenen van milieubeheer verboden is hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben en paddenstoelen van hun groeiplaats te verwijderen of bij zich te hebben en zaden en vruchten van bomen en struiken te verzamelen of bij zich te hebben voor commerciële doeleinden.

  2. Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats:

    1. de daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken, bij zich te hebben, dan wel;

    2. hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben en paddenstoelen van hun groeiplaats te verwijderen of bij zich te hebben en zaden en vruchten van bomen en struiken te verzamelen of bij zich te hebben voor commerciële doeleinden.

  3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet:

    1. ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel elders afkomstige bloemen of planten, hout, paddenstoelen of zaden en vruchten;

    2. indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden;

    3. voor zover de Omgevingswet van toepassing is.

  4. Het in het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalde geldt voorts niet:

    1. ten aanzien van hout afkomstig van houtopstanden waarop het in artikel 4.5.2 gestelde verbod niet van toepassing is;

    2. ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd krachtens een verordening van het Bosschap.

  5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

  6. Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend, dood hout.

Artikel 4.6.3

Wedstrijden, wandel-, fiets, trim- en ruitertochten

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college wedstrijden, wandel-, fiets, trim- en ruitertochten te organiseren of te houden in parken, bossen en natuurgebieden.

  2. Een vergunning wordt geweigerd voor de tijd tussen zonsondergang en zonsopgang.

Artikel 4.6.4

Beperkte openstelling

Het college kan, ter bescherming van flora en fauna, voor publiek toegankelijke natuurgebieden of gedeelten daarvan aanwijzen waar een beperkte openstelling geldt.

Artikel 4.6.5

Lichthinder

  1. In dit artikel wordt onder lichthinder verstaan: hinder voor mens en dier als gevolg van het gebruik van kunstlicht na zonsondergang bij maneges en paardenbakken.

  2. Het is verboden lichthinder te veroorzaken binnen door het college aangewezen gebieden en plaatsen.

  3. Bepaalde in dit artikel geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing is.

Artikel 4.7.1

Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    4. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.

  3. Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof:

    1. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, dan wel;

    2. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels.

  4. Het in dit artikel bepaalde ziet niet op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet het Besluit activiteiten leefomgeving of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4.7.1a

Stankoverlast door gebruik van meststoffen

  1. Dit artikel verstaat onder:

    1. meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet;

    2. emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e gelezen moet worden: ‘tijdens het uitrijden van de mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt’;

    3. grond: landbouwgrond, maïsland en grasland.

  2. Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is het verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, zondag en op de algemeen erkende feest en gedenkdagen.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid gestelde verboden.

  5. Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat verkeren.

Artikel 4.7.2

Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames e.d.

  1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak alsmede de hoofdgebruiker van die zaak verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag deze zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van:

    1. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak;

    2. opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren of andere constructies, aangewezen door de overheid;

    3. opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op:

      • openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

      • het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op het onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd, zomede op naamborden;

    4. mits deze opschriften en aankondigingen gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,15 m2 en geen van alle een grotere afmeting in een richting hebben dan 1,00 meter en mits deze opschriften en aankondigingen zijn aangebracht op of aan het onroerend goed;

    5. opschriften betrekking hebbend op de naam en/of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken en/of op de namen van degenen die bij het ontwerp en/of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet verlicht zijn, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

    6. opschriften en aankondigingen aan gebouwen en inrichtingen van openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer;

    7. opschriften en aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits van het aanbrengen ervan tevoren door of vanwege de rechthebbende of de hoofdgebruiker van de onroerende zaak schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het bevoegd gezag en het bevoegd gezag niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken. Zodanige opschriften en aankondigingen worden geacht hun tijdelijk karakter te hebben verloren, wanneer deze gedurende meer dan 9 weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.

  3. Het in het eerste lid gesteld verbod geldt voorts niet voor zover de Omgevingswet, de gemeentelijke Erfgoedverordening of artikel 2.1.5.1 van toepassing is.

  4. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    1. indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    2. in het belang van de verkeersveiligheid;

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

Artikel 4.7.3

Aanschrijving

Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede lid van artikel 4.7.2, dan wel aangebracht voor een ander doel dan handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt, is het college bevoegd de rechthebbende onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van de onroerende zaak aan te schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze hinder. Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger, is verplicht deze aanschrijving op te volgen.

Artikel 4.8.1

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. stralen: droog- of semi-droogstralen;

  2. reinigen: al of niet onder hoge druk reinigen met water met of zonder voorbehandeling van te behandelen gebouwen, bouwwerken of wegen;

  3. droogstralen: het mechanisch reinigen van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het onder druk spuiten van vaste stoffen zonder toevoeging van water;

  4. semi-droogstralen: het mechanisch reinigen van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het onder druk spuiten van vaste stoffen met toevoeging van water en het vervolgens schoonspuiten;

  5. hogedruk reinigen: het reinigen van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het onder druk spuiten van water, zonder toevoegingen;

  6. hogedruk reinigen met voorbehandeling object: het reinigen van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het opbrengen van een stof met een chemische of fysische werking en het vervolgens onder druk schoonspuiten;

  7. wet: Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 4.8.2

Verbodsbepaling

  1. Het is verboden schoonmaakactiviteiten door middel van stralen of reinigen uit te voeren:

    1. in een milieubeschermingsgebied zoals aangewezen in de Omgevingsverordening Gelderland;

      • op werkdagen buiten de periode van 07.00 uur tot 19.00 uur;

      • op zaterdag of zondag;

      • op algemeen erkende feestdagen;

    2. gedurende meer dan tien, al dan niet volledige, werkdagen binnen een tijdsbestek van zes maanden;

    3. in nader door het college bij openbare kennisgeving aan te wijzen situaties.

  2. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 4.8.3

Melding

  1. Voor andere dan in artikel 4.8.2 bedoelde schoonmaakactiviteiten door middel van stralen of reinigen kan worden volstaan met een melding.

  2. Een melding, zoals bedoeld in het eerste lid, geschiedt ten minste twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan het collegedoor middel van een standaard meldingsformulier.

  3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het stralen of reinigen of de activiteiten die hiermee samenhangen.

Artikel 4.8.4

Uitzonderingen

Het in artikel 4.8.2 en artikel 4.8.3, eerste en tweede lid, gestelde geldt niet indien:

  1. de schoonmaakactiviteit door particulieren, anders dan bedrijfsmatig, wordt uitgevoerd;

  2. voor de schoonmaakactiviteit door middel van stralen of reinigen reeds een vergunning op basis van de wet is verleend;

  3. een gemeentelijke instelling of een bedrijf als gevolg van een ongewoon voorval een gebouw, bouwwerk of weg in het belang van de verkeersveiligheid of bij verstoring van de openbare orde terstond moet reinigen of stralen. Laatstgenoemde werkzaamheden moeten zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vóór de aanvang van de werkzaamheden worden gemeld bij de milieuklachtentelefoon van de gemeente.

Artikel 4.8.5

Verhouding met andere artikelen uit deze verordening

De artikelen 4.1.5 (geluidhinder) en 4.2.4.1 (dumpingsverbod) van deze verordening zijn niet van toepassing op stralen en reinigen zoals bedoeld in deze afdeling.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem