Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene Bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Orde en veiligheid op de weg
Afdeling Betaald-voetbalwedstrijden
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, drugsoverlast, gevaar of schade
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Bestuurlijke ophouding
Afdeling Preventief fouilleren
Afdeling Cameratoezicht
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijke aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf, overgangs- en slotbepalingen

Afdeling

Orde en veiligheid op de weg

Artikel 2.1.1.1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op de weg zich tezamen met anderen te begeven naar of al dan niet tezamen met anderen deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  2. Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleidinggevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie stil te staan, zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2.1.2.1

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging of een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.2.3, eerste lid hierover is bepaald.

  2. Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.

Artikel 2.1.2.2

Afwijking termijn

De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.1.2.1, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2.1.2.3

Te verstrekken gegevens

  1. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  2. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

Artikel 2.1.3.1

Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.

  2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Het verbod geldt niet voor het huisaanhuis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2.1.4.1

Dienstverlening

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg op te treden als dienstverlener of zijn diensten als zodanig aan te bieden.

  2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    1. de openbare orde;

    2. het voorkomen of beperken van overlast;

    3. de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen;

    4. de zedelijkheid of gezondheid.

Artikel 2.1.4.1a

Commercieel aanbieden voertuigen

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college voertuigen op een openbare plaats ter gebruik aan derden aan te bieden tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden.

  2. Het college wijst categorieën voertuigen aan waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid verleend kan worden

  3. De vergunning wordt voor maximaal 2 jaar verleend.

  4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  5. Het college kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:6, een vergunning weigeren of intrekken indien:

    1. de aanvraag een categorie voertuigen betreft die niet is aangewezen op grond van het tweede lid;

    2. een door het college vastgesteld vergunningenplafond of voertuigenplafond door verlenen van de vergunning zou worden overschreden;

    3. het ter gebruik aanbieden van de voertuigen:

      1. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte;

      2. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;

      3. een nadelige invloed heeft op het woon- en leefklimaat,

      4. onevenredige afbreuk doet aan een belang als bedoeld in artikel 2.1.4.1, tweede lid of

      5. de aanvraag in strijd is, of de vergunninghouder in strijd handelt of nalatig is inzake het bij of krachtens dit artikel bepaalde.

  6. Het college kan een maximaal aantal voertuigen of vergunninghouders per categorie voertuigen vaststellen.

  7. Het college kan stallingsplaatsen of openbare plaatsen aanwijzen waar het verboden is om voertuigen als bedoeld in het eerste lid ter gebruik aan te bieden.

  8. Het college kan stallingsplaatsen of openbare plaatsen aanwijzen waar het verbod uit het eerste lid niet geldt voor bepaalde categorieën voertuigen.

  9. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 2.1.4.2

Straatartiest e.d.

  1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen.

  2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 2.1.4.3

Verkoop plaatsbewijzen

Het is aan een ander dan degene, die met de officiële verkoop is belast, verboden op of aan de weg plaatsbewijzen voor een openbare vermakelijkheid of wedstrijd ten verkoop in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of te verkopen.

Artikel 2.1.5.1

Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg

  1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan:

    1. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    3. indien dit leidt tot overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op het op de weg plaatsen of aanbrengen van door het college aangewezen objecten mits het voornemen hiertoe aan het college is gemeld en deze melding uiterlijk twee werkdagen voorafgaand aan het gebruik is gedaan.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  4. Het college kan nadere regels vaststellen omtrent het bepaalde in het eerste en tweede lid.

  5. vervallen

  6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening, op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of voor zover er sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 5.7.2, van een terras als bedoeld in artikel 2.3.1.13 of een standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3.

Artikel 2.1.5.2

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. De vergunning wordt verleend:

    1. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een omgevingsplan of voorbereidingsbesluit;

    2. door het college in de overige gevallen.

  3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.

  4. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.

  5. Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschap verordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2.1.5.3

Maken en veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

    1. een uitweg te maken naar de weg;

    2. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    3. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  3. Een vergunning kan geweigerd worden in het belang van:

    1. de bruikbaarheid van de weg;

    2. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    3. de bescherming van het uiterlijke aanzien van de omgeving;

    4. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  4. Een vergunning moet worden geweigerd indien als gevolg van de aanleg van de uitweg voor wat betreft het gebruik van de aan de uitweg grenzende gronden strijdigheid met het omgevingsplan optreedt.

  5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 2.1.6.1

Veroorzaken van gladheid

  1. Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 427, aanhef en onder 4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.

Artikel 2.1.6.2

Winkelwagentjes

  1. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.

  2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2.1.6.4

Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2.1.6.5

Kelderingangen, koekoeken e.d.

  1. Kelderingangen, koekoeken, indiepingen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 427, aanhef en onder 1e of 3e, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Artikel 2.1.6.6

Rookverbod in bossen en natuurgebieden

  1. Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode.

  2. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  3. Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3e, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

  4. Het in het eerste lid gstelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.

Artikel 2.1.6.7a

Gevaarlijke voorwerpen

  1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.

Artikel 2.1.6.8

Vallende voorwerpen

Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.

Artikel 2.1.6.9

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbare verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2.1.6.10

Verwijdering e.d. voorzieningen voor verlichting

  1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een voorziening ten behoeve van de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Artikel 2.1.6.11

Objecten onder hoogspanningslijn

  1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 2.1.6.12

Veiligheid op het ijs

  1. Het is verboden:

    1. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    2. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  2. Een ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen.

  3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht of het de provinciale omgevingsverordening van toepassing is.

Artikel 2.1.6.13

Opsporen van munitie, wapens of munten met een metaaldetector

  1. Het is verboden op of aan de weg een metaaldetector of enig ander voorwerp, bestemd voor het opsporen van wapens en munitie of munten en dergelijke, te gebruiken.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem