-
In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, lunchroom, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, afhaalcentrum, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen worden bereid of verstrekt dan wel drugs - niet zijnde middelen als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet - voor gebruik ter plaatse worden verstrekt.
-
Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
-
Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel van de inrichting waar sta- of zitgelegenheid wordt geboden en waar de mogelijkheid bestaat vanuit de openbare inrichting verstrekte eet- en drinkwaren te nuttigen.
-
Onder exploitant wordt in deze paragraaf verstaan: de natuurlijke- of rechtspersoon voor wiens rekening en risico een openbare inrichting wordt geëxploiteerd.
-
Onder beheerder wordt in deze paragraaf verstaan: de persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een openbare inrichting.
-
Onder afhaalcentrum wordt in deze paragraaf verstaan: een openbare inrichting zonder terras waar uitsluitend voor gebruik elders dan ter plaatse gerede eetwaren worden bereid en verstrekt.
-
Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:
de exploitant, de beheerder, personeel, de gezinsleden van de exploitant, alsmede zijn elders wonende bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;
de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk Algemene Bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Orde en veiligheid op de weg
Afdeling Betaald-voetbalwedstrijden
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Toezicht op openbare inrichtingen
- Artikel 2.3.1.1
- Artikel 2.3.1.2
- Artikel 2.3.1.3
- Artikel 2.3.1.4
- Artikel 2.3.1.5
- Artikel 2.3.1.6
- Artikel 2.3.1.7
- Artikel 2.3.1.8
- Artikel 2.3.1.8a
- Artikel 2.3.1.9
- Artikel 2.3.1.10
- Artikel 2.3.1.11
- Artikel 2.3.1.12
- Artikel 2.3.1.13
- Artikel 2.3.1.14
- Artikel 2.3.1.15
- Artikel 2.3.1.15a
- Artikel 2.3.1.16
- Artikel 2.3.1.17
- Artikel 2.3.1.18
- Artikel 2.3.1.19
- Artikel 2.3.1.20
Paragraaf Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Paragraaf Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Toezicht op voor het publiek openstaande gebouwen
Paragraaf Tegengaan van een onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, drugsoverlast, gevaar of schade
- Artikel 2.4.1
- Artikel 2.4.1a
- Artikel 2.4.2
- Artikel 2.4.3
- Artikel 2.4.4
- Artikel 2.4.5
- Artikel 2.4.6
- Artikel 2.4.7
- Artikel 2.4.7a
- Artikel 2.4.8
- Artikel 2.4.9
- Artikel 2.4.10
- Artikel 2.4.10a
- Artikel 2.4.11
- Artikel 2.4.11a
- Artikel 2.4.12.a
- Artikel 2.4.12.b
- Artikel 2.4.13
- Artikel 2.4.14
- Artikel 2.4.15
- Artikel 2.4.16
- Artikel 2.4.17
- Artikel 2.4.18
- Artikel 2.4.19
- Artikel 2.4.20
- Artikel 2.4.21
- Artikel 2.4.22
- Artikel 2.4.23
- Artikel 2.4.24
- Artikel 2.4.25
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Bestuurlijke ophouding
Afdeling Preventief fouilleren
Afdeling Cameratoezicht
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijke aanzien van de gemeente
Afdeling Geluidhinder
Afdeling Afvalstoffen
Afdeling Bepalingen over de riolering
Afdeling Bodem, weg en milieuverontreiniging
Afdeling Het bewaren van houtopstanden
Afdeling Bescherming van flora en fauna
Afdeling Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Afdeling Schoonmaakactiviteiten door middel van stralen of reinigen
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Afdeling Parkeerexcessen
Afdeling Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten
Afdeling Openbaar water
Afdeling Woonschepen
Afdeling Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Afdeling Verbod vuur te stoken
Afdeling Verstrooiing van as
Afdeling Evenementen
Afdeling Openluchtrecreatie
Afdeling Meldingsplicht kamergewijze verhuur
Afdeling Verboden reclame
Hoofdstuk Straf, overgangs- en slotbepalingen
Afdeling
Artikel 2.3.1.2
Vergunningplicht
-
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
-
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2.3.1.3
Vrijstelling e.a.
-
De burgemeester kan:
besluiten dat een of meer in het besluit aangeduide soorten openbare inrichtingen in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente zijn vrijgesteld van de in artikel 2.3.1.2 omschreven vergunningplicht;
nadere voorwaarden stellen aan de onder a genoemde vrijstelling;
voor een bepaald gebied en/of een of meer soorten openbare inrichtingen grenzen stellen aan de in de vergunning te vermelden openingstijden;
voor een bepaald gebied en/of een of meer soorten openbare inrichtingen vrijstelling verlenen van de op grond van deze paragraaf voorgeschreven sluitingstijden;
door middel van aan een vergunning te verbinden voorschriften nadere eisen stellen aan de exploitatie van een bepaalde soort openbare inrichting.
-
De exploitatie van een openbare inrichting welke is vrijgesteld van de in artikel 2.3.1.2 omschreven vergunningplicht, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Artikel 2.3.1.4
Aanvraag vergunning
-
De burgemeester stelt voor het indienen van aanvragen voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.1.2 een formulier vast.
-
Bij een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.1.2 worden overgelegd:
een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de openbare inrichting;
een kopie van een identiteitsbewijs van de exploitant en van elke beheerder.
-
Per openbare inrichting kan niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling worden genomen.
Artikel 2.3.1.5
Beslistermijn
-
De burgemeester beslist binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.
-
De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. De aanvrager wordt voor afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van het besluit tot verdaging.
-
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid houdt de burgemeester de beslissing op de aanvraag aan indien met betrekking tot het oprichten van de openbare inrichting of het verbouwen van een gebouw tot openbare inrichting een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of voor het gebruik van de gronden is vereist en over deze vergunning nog niet is beslist.
-
De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 2.3.1.6
Weigeringsgronden
De burgemeester weigert de vergunning, als:
de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan, voorbereidingsbesluit of de Huisvestingswet;
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;
er sprake is van een dusdanige hoge concentratie openbare inrichtingen in een bepaald gebied dat er naar zijn oordeel sprake is van een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat dan wel van een onaanvaardbaar risico van mogelijke verstoringen van de openbare orde;
de openbare inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van andersoortige openbare inrichtingen of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen tot verstoringen van de openbare orde aanleiding kan geven;
de openbare inrichting niet voldoet aan de inrichtingseisen, gesteld in artikel 2.3.1.12;
de exploitant of beheerder onder curatele staat, uit het ouderlijke gezag of voogdij ontzet is dan wel de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet heeft bereikt;
de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in het Alcoholbesluit gestelde eisen ten aanzien van het zedelijke gedrag van leidinggevenden;
redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag voor de vergunning vermelde in overeenstemming zal zijn; of
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is en daardoor een aantoonbaar veiligheids- of gezondheidsrisico of een aantoonbaar risico voor de openbare orde ontstaat.
Artikel 2.3.1.7
Voorschriften en beperkingen
-
De burgemeester kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden.
-
De in het eerste lid bedoelde voorschriften en beperkingen kunnen in ieder geval betrekking hebben op:
de openings- en sluitingstijden van de openbare inrichting;
de verkoop van dranken en eetwaren via een loket of automaat vanuit of van buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting;
de wijze waarop handelsreclame mag worden gevoerd;
afvalpreventie en afvalverwijdering.
-
De burgemeester kan te allen tijde de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen wijzigen of nieuwe voorschriften en beperkingen aan de vergunning verbinden.
-
Het is verboden te handelen in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.
Artikel 2.3.1.8
De vergunning
-
De burgemeester vermeldt in een vergunning:
de exploitant;
tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;
het adres van de openbare inrichting;
de voorschriften
-
De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de beheerders.
-
De vergunning en het daarbij horende aanhangsel, of afschriften daarvan, zijn in de openbare inrichting aanwezig.
-
De vergunning wordt op naam van de exploitant gesteld en is niet overdraagbaar.
Artikel 2.3.1.8a
Melding nieuwe beheerder
-
Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens:
een persoon als beheerder te laten bijschrijven;
een persoon als beheerder te laten uitschrijven.
-
Deze melding geldt als een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.
-
De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan de in het Alcoholbesluit gestelde eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden.
Artikel 2.3.1.9
Intrekkingsgronden
-
De burgemeester trekt de vergunning in, indien:
blijkt dat de vergunning is verleend ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave en de vergunning bij een volledige en juiste opgave niet zou zijn verleend;
door de wijze van exploitatie de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;
de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in het Alcoholbesluit gestelde eisen ten aanzien van het zedelijke gedrag van leidinggevenden.
-
De burgemeester kan de vergunning intrekken, indien:
naar zijn oordeel de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven, zodanig zijn gewijzigd dan wel de exploitatie van de openbare inrichting op een zodanige wijze plaatsvindt, dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;
gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen;
er sprake is van een gewijzigde exploitatie waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;
het bij artikel 2.3.1.11 gesteld verbod wordt overtreden;
niet meer wordt voldaan aan de inrichtingseisen, gesteld in artikel 2.3.1.12;
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is en daardoor een aantoonbaar veiligheids- of gezondheidsrisico of een aantoonbaar risico voor de openbare orde;
een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 2.3.1.8a, eerste lid om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2.3.1.8a, tweede lid.
Artikel 2.3.1.10
Vervallen van de vergunning
De vergunning vervalt, indien:
sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
de op de vergunning vermelde beheerder deze hoedanigheid heeft verloren;
een vergunning, strekkende tot vervanging van de eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
Artikel 2.3.1.11
Aanwezigheid beheerder
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in de openbare inrichting aanwezig is.
Artikel 2.3.1.12
Inrichtingseisen
-
De openbare inrichting moet voldoen aan de inrichtingseisen, zoals deze bij of op grond van de Alcoholwet en het Besluit bouwwerken leefomgeving worden gesteld.
-
Het in het eerste lid gestelde gebod is niet van toepassing op openbare inrichtingen voor de exploitatie waarvan tevens een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet is vereist en op openbare inrichtingen die als afhaalcentrum worden aangemerkt.
-
In bijzondere gevallen kan de burgemeester voor wat betreft openbare inrichtingen die niet vergunningplichtig zijn op grond van de Alcoholwet vrijstelling verlenen van een of meerdere inrichtingseisen zoals bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.3.1.13
Terrassen
-
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester de weg of een weggedeelte te gebruiken voor het plaatsen en exploiteren van een bij een openbare inrichting behorend terras.
-
Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
het terras wordt geplaatst op het voor de voetgangers bestemde gedeelte van de weg;
indien het terras op een weg wordt geplaatst die mede bestemd is voor voertuigen, dient een minimale doorgang van 1,5 meter voor voetgangers te worden vrijgehouden;
op wegen of weggedeelten enkel bestemd voor voetgangers dient te allen tijde een vrije en onbelemmerde doorgang van minimaal 3,5 meter aanwezig te zijn ten behoeve van hulpdiensten;
het terras mag slechts voor en aansluitend aan het pand van de betreffende openbare inrichting worden geplaatst en enkel gedurende de openingstijden daarvan;
het terras mag maximaal twee meter breed zijn;
het terras is niet gelegen in het horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 2.3.1.15, zesde lid, in de Steenstraat noordzijde of in de winkelcentra Kronenburg en Presikhaaf;
de openbare inrichting waar het terras bij wordt geplaatst is geen afhaalcentrum.
-
De burgemeester weigert de in het eerste lid bedoelde vergunning als de vergunning ex artikel 2.3.1.2 is geweigerd.
-
De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde vergunning weigeren, als:
het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatige beheer en onderhoud van de weg;
het beoogde gebruik – hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving – niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
zich ten aanzien van het beoogde gebruik een van de in artikel 2.3.1.6, aanhef en onder a, b, c of d genoemde weigeringsgronden voordoet.
-
De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde vergunning intrekken, als:
de vergunning als bedoeld in 2.3.1.2 wordt ingetrokken;
naar zijn oordeel de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven, zodanig zijn gewijzigd dan wel de exploitatie van de openbare inrichting op een zodanige wijze plaatsvindt, dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten - waaronder herinrichting van het openbaar gebied - opgetreden na het verlenen van de vergunning intrekking of wijziging noodzakelijk is;
gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.
-
Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet, voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale omgevingsverordening van toepassing is.
Artikel 2.3.1.14
Geslotenverklaring
-
De burgemeester kan bij een handelen in strijd met het bepaalde in artikel 2.3.1.2 of artikel 2.3.1.7, vierde lid, de openbare inrichting, al dan niet voor een bepaalde termijn, gesloten verklaren.
-
De sluiting wordt geacht openbaar bekend te zijn zodra een afschrift van het bevel tot sluiting op of nabij de toegang of de toegangen van de openbare inrichting is aangebracht.
-
Zolang het bevel tot sluiting van kracht is, is het verboden bezoekers tot de inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven en is het verboden deze inrichting als bezoeker te betreden of daarin als bezoeker te verblijven.
-
Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b Opiumwet voorziet.
Artikel 2.3.1.15
Sluitingsuur openbare inrichtingen en terrassen
-
Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met donderdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op vrijdag, zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur.
-
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven buiten de in het eerste lid genoemde sluitingstijden.
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden.
-
Het is verboden om een bij de openbare inrichting behorend terras voor bezoekers tussen 00.00 uur en 06.00 uur geopend te hebben en daar bezoekers plaats te laten nemen of te laten verblijven.
-
In afwijking van het eerste lid zijn de openingstijden voor een openbare inrichting in het horecaconcentratiegebied vrij.
-
In afwijking van het vierde lid is het verboden om in de binnenstad op maandag tot en met donderdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op vrijdag, zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur een bij een openbare richting behorend terras voor bezoekers geopend te hebben en daar bezoekers plaats te laten nemen of te laten verblijven.
-
Een in het horecaconcentratiegebied gelegen openbare inrichting die na 03.00 uur geopend blijft voor bezoekers, is verplicht vanaf 00.00 uur tot het moment van sluiting een portier toezicht te laten houden ter bewaking van de veiligheid, tenzij:
het een openbare inrichting betreft waarin ten hoogste vijftig personen tegelijk aanwezg zullen zijn; of
het een openbare inrichting is niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet.
In gevallen waarin hij dit noodzakelijk oordeelt met het oog op de veiligheid, kan de burgemeester in de vergunning bepalen dat deze portierplicht ook geldt voor een openbare inrichting waarin ten hoogste vijftig personen aanwezig zullen zijn.
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het op grond van het eerste lid geldende sluitingsuur voor een in de binnenstad gelegen openbare inrichting, die een inrichting is als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, mits aannemelijk is dat de openbare inrichting ook na verlening van de ontheffing kan voldoen aan de eisen die bij of krachtens de Omgevingswet zijn gesteld met betrekking tot geluid. Een ontheffing wordt geweigerd, indien in de directe omgeving reeds meerdere ontheffingen zijn verleend en verlening van een verdere ontheffing naar het oordeel van de burgemeester zou leiden tot een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat of een onaanvaard risico van mogelijke verstoringen van de openbare orde.
-
In een ontheffing als bedoeld in het achtste lid wordt in ieder geval bepaald dat:
de openbare inrichting, indien zij na 03.00 uur geopend blijft voor bezoekers, verplicht is vanaf 00.00 uur tot het moment van sluiting een portier toezicht te laten houden ter bewaking van de veiligheid, tenzij in de openbare inrichting ten hoogste vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn;
de ontheffing wordt verleend voor de duur van een jaar, en dat zij kan worden ingetrokken of geweigerd voor een volgend jaar op grond van belangen die zijn gelegen op het gebied van de openbare orde, de veiligheid of de bescherming van het woon- en leefklimaat;
de ontheffing niet geldt voor een bij de openbare inrichting behorend terras.
-
In de ontheffing als bedoeld in het achtste lid kunnen te allen tijde aanvullende voorschriften of beperkingen worden gesteld in het belang van de openbare orde, de veiligheid of de bescherming van het woon- en leefklimaat. Deze voorwaarden zijn afhankelijk van de soort openbare inrichting, de omgeving waarin deze gelegen is en de mate van overlast die bewoners van de openbare inrichting ondervinden.
-
De burgemeester kan voor een afzonderlijke openbare inrichting of voor een daartoe behorend terras andere sluitingsuren vaststellen.
-
Onder horecaconcentratiegebied wordt in dit artikel verstaan: het gebied dat begrensd wordt door- en met inbegrip van de Varkensstraat, Grote Oord, Jansstraat, Jansplaats, Jansplein, Janslangstraat, Jansstraat, Willemsplein (van huisnummer 1 tot en met 10), Korenstraat, Molenstraat en Hoogstraat (inclusief Korte Hoogstraat).
-
Onder binnenstad wordt in dit artikel verstaan: het gebied - met uitzondering van het horecaconcentratiegebied - dat begrensd wordt door- en met inbegrip van Rijnkade, Roermondsplein, Nieuwe Plein, Willemsplein, Jansbinnensingel, Velperbuitensingel, Eusebiusbuitensingel en Ooststraat, alsmede de Steenstraat (tot het spoor), de Spijkerlaan en de Spijkerstraat (vanaf de Spijkerlaan).
-
Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.
-
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2.3.1.15a
Melding afwijking sluitingsuur
-
Onder cultureel uitgaanscentrum wordt in dit artikel verstaan een openbare inrichting geëxploiteerd door een instelling waarvan de kernactiviteiten in de culturele sfeer zijn gelegen en die de beschikking heeft over een concert-, dans- en/of theaterzaal.
-
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.1.15, eerste lid, is het de exploitant van een openbare inrichting toegestaan éénmaal per kwartaal zijn openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben buiten de reguliere sluitingstijden en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
het voornemen tot de langere openstelling moet tenminste één week van tevoren schriftelijk aan de burgemeester worden gemeld;
voor de openbare inrichting dient een vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoolwet te zijn verleend;
de openbare inrichting is niet gelegen in het horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 2.3.1.15, zesde lid.
-
De burgemeester kan besluiten de langere openstelling als bedoeld in het tweede lid te verbieden in het belang van de openbare orde en veiligheid of de aantasting van het woon- en leefklimaat.
-
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.1.15, eerste lid, is het de exploitant van een cultureel uitgaanscentrum toegestaan zijn openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben buiten de reguliere sluitingstijden en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
de langere openstelling wordt tenminste drie weken van tevoren schriftelijk gemeld bij de burgemeester;
bij de melding wordt duidelijk omschreven welke activiteit het betreft;
e onder b genoemde activiteit is een activiteit in de culturele sfeer en sector waar het cultureel uitgaanscentrum zich op richt.
-
De burgemeester kan besluiten de langere openstelling als bedoeld in het vierde lid te verbieden in het belang van de openbare orde en veiligheid of de aantasting van het woon- en leefklimaat.
-
Van een besluit als bedoeld in het vijfde lid wordt uiterlijk twee weken na ontvangst van de melding schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 2.3.1.16
Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen, tijdelijk andere sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b Opiumwet voorziet.
Artikel 2.3.1.17
Handel binnen openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid,van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige anere wijze overdraagt.
Artikel 2.3.1.18
Ordeverstoring
Het is verboden in een openbare inrichting:
de orde te verstoren;
zicht te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of zich te bevinden gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn krachtens artikel 2.3.1.15 of op grond van een besluit krachtens 2.3.1.16;
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die heen gebruik maken van het terras.
Artikel 2.3.1.19
Toegang ambtenaren van politie
-
De exploitant en beheerder van een openbare inrichting zijn verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerde toegang hebben tot de inrichting:
gedurende de tijd dat de openbare inrichting voor bezoekers geopend is, dan wel;
gedurende de tijd dat het bedrijf gesloten dient te zijn en indien die ambtenaren van politie hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Artikel 2.3.1.20
Bevoegd bestuursorgaan
Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college met betrekking tot uitoefening van de in deze paragraaf toegekende bevoegdheden op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2.3.1a.1
Begripsbepaling
-
In deze afdeling wordt verstaan onder:
alcoholhoudende drank;
horecabedrijf;
horecalokaliteit;
inrichting;
paracommerciële rechtspersoon;
sterke drank;
slijtersbedrijf;
zwak- alcoholhoudende drank;
dat wat wordt verstaan in de Alcoholwet.
-
Onder binnenstad wordt verstaan het gebied dat begrensd wordt door de Rijnkade, Roermondsplein, Nieuwe Plein, Willemsplein, Jansbinnensingel, Velperbuitensingel, Eusebiusbuitensingel en Ooststraat, alsmede de Steenstraat (tot het spoor), de Spijkerlaan en de Spijkerstraat (vanaf de Spijkerlaan), met inbegrip van het horecaconcentratiegebied, zoals omschreven in artikel 2.3.1.15, zesde lid.
Artikel 2.3.1a.2
Verbod tot het verstrekken van sterke drank in inrichtingen van een bepaalde aard
-
Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in inrichting van de volgende aard:
waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe eetwaren, zoals belegde broodjes, patates frites en kroketten e.d. worden verkocht voor gebruik ter plaatse en elders dan ter plaatse;
welke deel uitmaakt van een gebouw waarin uitsluitend of in hoofdzaak onderwijs wordt gegeven;
welke deel uitmaakt van een gebouw dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of –instellingen;
welke deel uitmaakt van een gebouw dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of –instellingen;
die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar middel van vervoer;
die gelegen is op of nabij een kampeer- of caravanterrein;
die in gebruik is als foyer van een bioscoop of een schouwburg.
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.
Artikel 2.3.1a.3
Ontheffing
De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van een op grond van artikel 2.3.1a.2 geldend verbod om in een inrichting sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken.
Artikel 2.3.1a.4
Tijdelijke verboden tot het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse en/of elders dan ter plaatse
-
Het is verboden om in een door de burgemeester aangewezen tijdsruimte in een in de binnenstad gelegen inrichting bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken.
-
Het is verboden om in een door de burgemeester aangewezen tijdsruimte in de binnenstad bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse.
-
Het is verboden om in een door de burgemeester aangewezen tijdsruimte in de binnenstad bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken.
Artikel 2.3.1a.5
Aanwijzing
-
Een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.1.a.4, eerste of tweede lid, kan worden gegeven in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid
-
Een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.1a.4, derde lid, wordt eerst gegeven indien het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid dringend tot het geven van een dergelijke aanwijzing vordert.
Artikel 2.3.1a.6
Regulering paracommerciële rechtspersonen
-
Paracommerciële rechtspersonen kunnen onverminderd het bepaalde in het artikel 2.3.1.15 alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één (1) uur voor de aanvang, tijdens en tot uiterlijk één (1) uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.
-
Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
-
De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid geldende verbod.
Artikel 2.3.1a.7
Inperking prijsacties
Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.
Artikel 2.3.2.1
Definitie
In deze paragraaf wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2.3.2.2
Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2.3.2.3
Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Artikel 2.3.3.1
Speelgelegenheden
-
Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
-
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:
speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;
speelgelegenheden waarvoor de Minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;
speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
-
De burgemeester weigert de vergunning:
indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;
indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
-
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel 2.3.3.2
Kansspelen
Het is verboden op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats buitenshuis gelegenheid te geven tot of deel te nemen aan enig spel om geld of geldwaarde.
Artikel 2.3.3.3
Speelautomaten in openbare inrichting
-
Dit artikel verstaat onder:
Speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet op de kansspelen;
Hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen;
Laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen.
-
In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee speelautomaten toegestaan.
-
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Artikel 2.3.4.1
Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen
-
De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in een bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.
-
Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.
-
Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
-
Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.
-
Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.
-
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2.3.5.1
Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
beheerder: de exploitant, alsmede de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
bedrijfspand: het pand waarin het bedrijf gevestigd is.
Artikel 2.3.5.2
Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten
-
De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het eerste lid van artikel 2.3.5.3 van toepassing is.
-
Een gebouw, gebied of bedrijfsmatige activiteit in een gebouw of in een gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat.
-
Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.
Artikel 2.3.5.3
Vergunning uitoefening bedrijf
-
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:
in een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2.3.5.2 aangewezen gebouw of gebied; of
indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2.3.5.2 aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
-
De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren:
in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is en daardoor een aantoonbaar veiligheids- of gezondheidsrisico of een aantoonbaar risico voor de openbare orde ontstaat;
als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
als de vestiging of de exploitatie in strijd is met een het omgevingsplan, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 2.3.5.4
Vergunningaanvraag
-
De vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.3.5.3 dient te worden aangevraagd door de exploitant.
-
Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend met een op de gemeentelijke website beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
-
Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
de persoonsgegevens en een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder(s);
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
indien van toepassing de verblijfstitel van de exploitant of beheerder; en indien sprake is van een verblijfstitel: een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
-
Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
Artikel 2.3.5.5
Intrekking en wijziging van een vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.3.5.3 intrekken of wijzigen als:
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;
door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze paragraaf niet worden nageleefd;
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is en daardoor een aantoonbaar veiligheids- of gezondheidsrisico of een aantoonbaar risico voor de openbare orde ontstaat;
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie;
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;
indien sprake is van strijd met het omgevingsplan, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 2.3.5.6
Sluiting bedrijf en/of bedrijfspand
-
Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het eerste lid van artikel 2.3.5.3 wordt geëxploiteerd of indien één van de situaties als bedoeld in artikel 2.3.5.5, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf en/of het bedrijfspand bevelen.
-
De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
Artikel 2.3.5.7
Geboden en verboden exploitant
-
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf, waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden.
-
De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, indien zich geen weigeringsgronden uit artikel 2.3.5.3, tweede lid voordoen.
-
Het is verboden een bedrijfspand voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of een beheerder aanwezig is.
-
De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf en/of in het bedrijfspand geen strafbare feiten plaatsvinden.
Artikel 2.3.5.8
Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande gevallen
In afwijking van het eerste lid van artikel 2.3.5.3 geldt het aldaar gestelde verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het in artikel 2.3.5.2 genoemde aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties niet:
In gevallen waarin nog géén vergunning zoals bedoeld in artikel 2.3.5.3 is aangevraagd: In de eerste drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit;
In gevallen waarin binnen drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit een vergunning zoals bedoeld in artikel 2.3.5.3 is aangevraagd: Tot het besluit tot weigering van een door hem binnen de termijn van drie maanden aangevraagde vergunning.
Artikel 2.3.5.9
Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen
Op de vergunning als bedoeld in artikel 2.3.5.3 is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.