1. De burgemeester trekt de vergunning in, indien:

    1. blijkt dat de vergunning is verleend ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave en de vergunning bij een volledige en juiste opgave niet zou zijn verleend;

    2. door de wijze van exploitatie de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    3. de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in het Alcoholbesluit gestelde eisen ten aanzien van het zedelijke gedrag van leidinggevenden.

  2. De burgemeester kan de vergunning intrekken, indien:

    1. naar zijn oordeel de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven, zodanig zijn gewijzigd dan wel de exploitatie van de openbare inrichting op een zodanige wijze plaatsvindt, dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    2. gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen;

    3. er sprake is van een gewijzigde exploitatie waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;

    4. het bij artikel 2.3.1.11 gesteld verbod wordt overtreden;

    5. niet meer wordt voldaan aan de inrichtingseisen, gesteld in artikel 2.3.1.12;

    6. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is en daardoor een aantoonbaar veiligheids- of gezondheidsrisico of een aantoonbaar risico voor de openbare orde;

    7. een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 2.3.1.8a, eerste lid om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2.3.1.8a, tweede lid.