1. De burgemeester kan:

    1. besluiten dat een of meer in het besluit aangeduide soorten openbare inrichtingen in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente zijn vrijgesteld van de in artikel 2.3.1.2 omschreven vergunningplicht;

    2. nadere voorwaarden stellen aan de onder a genoemde vrijstelling;

    3. voor een bepaald gebied en/of een of meer soorten openbare inrichtingen grenzen stellen aan de in de vergunning te vermelden openingstijden;

    4. voor een bepaald gebied en/of een of meer soorten openbare inrichtingen vrijstelling verlenen van de op grond van deze paragraaf voorgeschreven sluitingstijden;

    5. door middel van aan een vergunning te verbinden voorschriften nadere eisen stellen aan de exploitatie van een bepaalde soort openbare inrichting.

  2. De exploitatie van een openbare inrichting welke is vrijgesteld van de in artikel 2.3.1.2 omschreven vergunningplicht, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.