1. Het is verboden zonder vergunning van het college een ligplaats in te nemen of te hebben op de op grond van artikel 5.3a.2 aangewezen plaatsen.

  2. De in het eerste lid bedoelde ligplaatsvergunning wordt gesteld op naam van de eigenaar van het woonschip en vermeldt de plaatsaanduiding van de desbetreffende ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het woonschip.

  3. Het college kanten aanzien van de bijbehorende voorzieningen nadere regels stellen.

  4. Een ligplaatsvergunning kan worden geweigerd indien:

    1. voor de ligplaats reeds vergunning is verleend;

    2. het woonschip belemmeringen veroorzaakt aan het verkeer te water of te land;

    3. het uiterlijk van het woonschip afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente;

    4. het woonschip niet voldoet aan eisen van veiligheid;

    5. het niet aannemelijk is dat de aanvrager binnen 26 weken na het indienen van de aanvraag met het woonschip de plaats waarvoor de vergunning is aangevraagd, kan innemen.