-
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot de Noordzee:
het bouwen, in stand houden of slopen van bouwwerken;
het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten.
-
Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte afkomstig van het bouwen, reinigen, conserveren of slopen van bouwwerken in de Noordzee.
-
Het eerste en tweede lid gelden niet voor:
een windpark als bedoeld in artikel 7.33;
een uitstroomvoorziening als bedoeld in de artikelen 7.48, tweede lid, en 7.59, tweede lid;
een installatie voor het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren, het telen van waterplanten of het invangen van mosselzaad als bedoeld in artikel 7.55;
een mijnbouwinstallatie; en
een pijpleiding als bedoeld in de artikelen 94 en 95 van het Mijnbouwbesluit.
-
Het eerste lid geldt ook niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Besluit activiteiten leefomgeving Actueel
Inhoud
§ 7.2.1
Artikel 7.17
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, die worden verricht in de Noordzee buiten de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn, voor zover het gaat om:
het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een bodemverharding;
het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een kunstmatig eiland, een installatie of een inrichting als bedoeld in artikel 60 van het VN-Zeerechtverdrag;
het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een kabel of leiding; en
het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met c.
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, die worden verricht in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn van de Noordzee, voor zover het gaat om:
het in de periode van 1 oktober tot 1 april bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden van een bouwbord of het plaatsen van materiaal en materieel om een werk te kunnen aanleggen, plaatsen of veranderen of onderhouden;
het bouwen of in stand houden van een niet-permanent bouwwerk van 1 oktober tot 1 april;
het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een kabel of leiding; en
het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met c.
Artikel 7.18
-
Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
-
Een melding bevat:
de oppervlakte van het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is, of het andere object; en
een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
-
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
-
Dit artikel is niet van toepassing:
als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.17;
op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten; en
op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg.
Artikel 7.19
-
Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 7.16, tweede lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
-
Een melding bevat:
als het gaat om het lozen afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken: de werkinstructie, bedoeld in artikel 7.22; of
als het gaat om het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van bouwwerken: de werkinstructie, bedoeld in artikel 7.23.
-
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
-
Dit artikel is niet van toepassing op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 7.20
-
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.16worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de verwachte datum van het begin van de activiteit;
de verwachte duur ervan; en
als het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 7.16, tweede lid: de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
-
Dit artikel is niet van toepassing:
als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.17;
op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten;
op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg; en
op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 7.21
Het afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd, tenzij het gaat om:
afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of
afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.
Artikel 7.22
-
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de Noordzee bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:
is een werkinstructie opgesteld; en
wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
-
In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:
welke technieken worden toegepast;
welke stoffen worden gebruikt; en
welke stoffen kunnen vrijkomen.
-
Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook beschreven:
op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;
de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd en de omvang van de hulpconstructie;
of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;
als natte technieken worden gebruikt: de wijze van opvang van afvalwater; en
als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s: de aanvullende maatregelen die worden getroffen.
Artikel 7.23
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de Noordzee bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is beschreven:
op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en
welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in de Noordzee terechtkomen.
Artikel 7.24
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de Noordzee bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.
Artikel 7.25
Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.