-
Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een kabel of leiding gelegd:
buiten de verharding van de weg;
op een afstand van ten minste 2,5 m van de aanwezige bomen, gemeten vanuit de as van de bomenrij als er een bomenrij is;
op een afstand van ten minste 1,5 m van andere beplanting, met uitzondering van gras;
als de kabel of leiding parallel aan een bermsloot wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de insteek van de bermsloot;
als de kabel of leiding parallel aan een talud wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de teen van het talud; en
als de kabel of leiding parallel aan een geleiderailconstructie wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf die constructie.
-
De afstanden worden gemeten tot aan de dichtstbij gelegen zijde van de kabel of leiding.
-
Het vlak, gelegen onder een helling van 1:3 uit de onderkant van de verharding of de fundering, wordt niet doorsneden.
-
In de berm van de weg is de gronddekking boven een kabel of leiding ten minste 0,8 m. De gronddekking bestaat uit twee lagen.
-
Als een kabel of leiding kruist met een bermsloot, is de gronddekking boven de kabel of leiding ten minste 0,8 m.
Inhoud
Artikel 8.24
Tekst van deze versie
-
Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een kabel of leiding gelegd:
buiten de verharding van de weg;
op een afstand van ten minste 2,5 m van de aanwezige bomen, gemeten vanuit de as van de bomenrij als er een bomenrij is;
op een afstand van ten minste 1,5 m van andere beplanting, met uitzondering van gras;
als de kabel of leiding parallel aan een bermsloot wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de insteek van de bermsloot;
als de kabel of leiding parallel aan een talud wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de teen van het talud; en
als de kabel of leiding parallel aan een geleiderailconstructie wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf die constructie.
-
De afstanden worden gemeten tot aan de dichtstbij gelegen zijde van de kabel of leiding.
-
Het vlak, gelegen onder een helling van 1:3 uit de onderkant van de verharding of de fundering, wordt niet doorsneden.
-
In de berm van de weg is de gronddekking boven een kabel of leiding ten minste 0,8 m. De gronddekking bestaat uit twee lagen.
-
Als een kabel of leiding kruist met een bermsloot, is de gronddekking boven de kabel of leiding ten minste 0,8 m.
Nog geen automatische verwijzingen.