-
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1135, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:
de verwachte datum van het begin van:
- 1°
het boren;
- 2°
het aanleggen van het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem; en
- 3°
het aanleggen van het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem;
- 1°
de naam en het adres van degene die:
- 1°
het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;
- 2°
het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;
- 3°
de boringen verricht;
- 4°
het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt; en
- 5°
het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt;
- 1°
de soort circulatievloeistof die in het bodemenergiesysteem wordt toegepast;
gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;
een verklaring van degene die het bodemenergiesysteem ontwerpt of aanlegt over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen; en
informatie over het bodemzijdig vermogen van het bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem volgens het ontwerp zal voorzien.
-
Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Inhoud
Artikel 4.1137
Tekst van deze versie
-
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1135, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:
de verwachte datum van het begin van:
- 1°
het boren;
- 2°
het aanleggen van het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem; en
- 3°
het aanleggen van het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem;
- 1°
de naam en het adres van degene die:
- 1°
het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;
- 2°
het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;
- 3°
de boringen verricht;
- 4°
het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt; en
- 5°
het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt;
- 1°
de soort circulatievloeistof die in het bodemenergiesysteem wordt toegepast;
gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;
een verklaring van degene die het bodemenergiesysteem ontwerpt of aanlegt over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen; en
informatie over het bodemzijdig vermogen van het bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem volgens het ontwerp zal voorzien.
-
Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Nog geen automatische verwijzingen.