Besluit activiteiten leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 4.117

Het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib

Artikel 4.1200

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib.

  2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    1. bufferstrook: strook grond langs een oppervlaktewaterlichaam;

    2. perceel: aaneengesloten, door wegen, waterwegen, sloten, houtopstanden, muren, wallen of anderszins topografisch begrensde oppervlakte grond.

Artikel 4.1201

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib alleen op landbouwgronden op of in de bodem gebracht.

Artikel 4.1202

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt alleen zuiveringsslib op of in de bodem gebracht dat op grond van hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet mag worden verhandeld.

Artikel 4.1203

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem of van een oppervlaktewaterlichaam wordt zuiveringsslib niet op of in de bodem gebracht als de bovenste laag van de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren of geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw.

Artikel 4.1204

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib niet op of in de bodem gebracht als de bovenste bodemlaag met water is verzadigd.

Artikel 4.1205

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib van 1 september tot en met 31 januari niet op of in de bodem gebracht als:

  1. de bodem tegelijkertijd wordt bevloeid of beregend; of

  2. tegelijkertijd water op of onder het grondoppervlak wordt gebracht door middel van een buizen- of slangenstelsel.

Artikel 4.1206

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt steekvast zuiveringsslib van 1 september tot en met 31 januari niet op of in de bodem gebracht.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van steekvast zuiveringsslib op:

    1. grasland dat ligt op kleigronden of veengronden, in de periode van 1 september tot en met 15 september;

    2. bouwland dat ligt op kleigronden of veengronden; en

    3. bouwland dat ligt op zandgronden of lössgronden, als op die gronden bomen worden geteeld en het op of in de bodem brengen plaatsvindt voorafgaand aan de aanplant van de bomen.

  3. Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van steekvast zuiveringsslib bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om steekvast zuiveringsslib op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.

Artikel 4.1207

  1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vloeibaar zuiveringsslib van 1 augustus tot en met 15 maart niet op of in de bodem gebracht.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vloeibaar zuiveringsslib op:

    1. grasland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart en in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus;

    2. bouwland, in de periode van 1 augustus tot en met 15 september, als hierop:

      1. uiterlijk op 15 september winterkoolzaad voor zaadwinning in het volgende kalenderjaar wordt gezaaid;

      2. uiterlijk op 15 september een groenbemester wordt ingezaaid of geplant die niet eerder dan acht weken na de datum van inzaaien of planten wordt vernietigd; of

      3. in het aansluitende najaar bloembollen worden geplant; of

    3. bouwland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart, als hierop in hetzelfde kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.

  3. Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van vloeibaar zuiveringsslib bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om vloeibaar zuiveringsslib op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.

Artikel 4.1207a

Jaarlijks worden uiterlijk de dag voorafgaand aan het gebruik van zuiveringsslib in de periode van 16 februari tot en met 15 maart aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt als in dat kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen wordt ingezaaid, geplant of gepoot:

  1. de begrenzing van de locatie waarop het gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot; en

  2. welk gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.

Artikel 4.1207b

  1. De gegevens en bescheiden worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een elektronisch formulier die door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beschikbaar worden gesteld.

  2. Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via het elektronisch formulier gelden als ondertekend.

Artikel 4.1208

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt geen zuiveringsslib op of in de bodem gebracht op gronden met een hellingspercentage van ten minste 7% als de bodem is aangetast door de versnelde afvoer van bodemmateriaal door oppervlakkig afstromend water en daarbij geulen van meer dan 30 cm diepte zijn ontstaan.

Artikel 4.1209

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib niet op of in de bodem gebracht op niet-beteelde gronden met een hellingspercentage van ten minste 7%.

Artikel 4.1210

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib niet op bouwland gebracht met een hellingspercentage van ten minste 18%.

Artikel 4.1211

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt na de teelt van mais op zandgronden of lössgronden:

    1. direct aansluitend, en uiterlijk op 1 oktober gras, winterrogge, bladkool, bladrammenas, wintertarwe, wintergerst, triticale of Japanse haver geteeld; of

    2. uiterlijk op 31 oktober spelt, triticale, wintergerst, winterrogge of wintertarwe als hoofdteelt in het volgende jaar geteeld.

  2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing als uiterlijk op 31 oktober spelt, triticale, wintergerst, winterrogge of wintertarwe wordt geteeld direct aansluitend op de teelt van mais, niet zijnde snijmais.

  3. Het gewas dat na mais wordt geteeld, wordt niet voor 1 februari van het volgende kalenderjaar vernietigd.

  4. Bijzondere weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het telen van gewassen na de teelt van maïs bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de uiterlijke datum, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt gewijzigd.

Artikel 4.1212

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, wordt uiterlijk op 1 oktober geïnformeerd als een gewas als bedoeld in artikel 4.1211, eerste lid, onder b, of tweede lid, wordt geteeld.

Artikel 4.1212a

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem wordt zuiveringsslib uitsluitend op of in de bodem gebracht als op landbouwgrond op zandgronden of lössgronden per aaneengesloten periode van vier kalenderjaren, gerekend vanaf 1 januari 2023, ten minste in één kalenderjaar en uiterlijk in het vierde kalenderjaar, op de desbetreffende grond één van de bij ministeriële regeling als rustgewas aangewezen gewassen wordt geteeld.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    1. voor de teelt van gewassen die meer dan vier jaar onafgebroken op een perceel staan; en

    2. voor de teelt van gewassen overeenkomstig de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de bio-verordening.

Artikel 4.1212b

  1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt op landbouwgrond gelegen in een bufferstrook geen zuiveringsslib op of in de bodem gebracht. De breedte van de bufferstrook voldoet aan tabel 4.1212b.

  2. De breedte van de bufferstrook wordt vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en over de grond gemeten. In afwijking hiervan wordt:

    1. bij een oppervlaktewaterlichaam met een flauw talud dat over de grond gemeten vanaf de waterlijn tot aan de insteek ten minste 200 cm breed is en dat een helling heeft die niet steiler is dan 1:3 de bufferstrook gemeten vanaf 100 cm vanaf de waterlijn;

    2. bij een oppervlaktewaterlichaam zonder talud de bufferstrook gemeten vanaf de waterlijn.

  3. In afwijking van het eerste lid is de breedte van de bufferstrook gelijk aan de breedte van de teeltvrije zone, bedoeld in artikel 4.723i, als die teeltvrije zone breder is dan de in dit artikel voorgeschreven breedte van de bufferstrook.

  4. In dit artikel wordt onder landbouwgrond verstaan: grond die de landbouwer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder gg, van de Meststoffenwet, in eigendom, in pacht of in gebruik heeft en voor het beheer waarvan hij rechtstreeks verantwoordelijk is.

  5. Voor de toepassing van dit artikel wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin op het moment van het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt.

Artikel 4.1213

  1. Met het oog op het beperken van emissie in de lucht wordt bij het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib voldaan aan het BBT-document emissiearm aanwenden.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van steekvast zuiveringsslib op landbouwgronden waar het hellingspercentage minder dan 7% is en waarop gras wordt geteeld of waarop alleen fruit wordt geteeld.

Artikel 4.1213a

Artikel 4.1212b wordt tot en met 31 december 2025 niet met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift versoepeld.

Artikel 4.1213b

Het treffen van een gelijkwaardige maatregel is tot en met 31 december 2025 uitgesloten voor artikel 4.1212b.

← terug naar Besluit activiteiten leefomgeving