Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 13-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betogingen
Afdeling Verspreiding van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen, voorstellingen en dergelijke op een openbare plaats
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats
Afdeling Veiligheid van/op de openbare plaats
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen en terrassen
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Afdeling Toezicht Kansspelautomaten
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE e.d.
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK

ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE

Artikel 5:1

Begripsbepalingen

  1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    1. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    2. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    1. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

    2. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

Artikel 5:2

Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke

Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, niet toegestaan:

  1. 3 of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd op de weg te parkeren;

  2. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

Artikel 5:3

Verbod te koop aanbieden van voertuigen

Het is niet toegestaan een voertuig te parkeren op de weg en deze plaats te gebruiken met het kennelijke doel om deze auto te koop aan te bieden of te verhandelen.

Artikel 5.4

Verbod parkeren van defecte voertuigen

Het is niet toegestaan om een voertuig op de weg te parkeren:

  1. zonder kenteken als voor het rijden met het betrokken voertuig het voeren van zodanig kenteken wettelijk verplicht is;

  2. op de weg te parkeren langer dan drie achtereenvolgende dagen als er niet mee kan of mag worden gereden.

Artikel 5:5

Verbod parkeren voertuigwrakken

  1. Het is niet toegestaan om een autowrak op de weg te parkeren en/of achter te laten.

  2. Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rij technisch in onvoldoende staat van onderhoud is, er niet mee kan of mag worden gereden en/of in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.

  3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Bruidsschat Omgevingsplan.

Artikel 5:6

Verbod parkeren van autoweeswrakken

  1. Het is niet toegestaan om een autoweeswrak op de weg te parkeren en/of achter te laten.

  2. Onder autoweeswrak wordt verstaan een voertuigwrak waarvan de eigenaar van het autowrak op de weg niet kan worden achterhaald omdat zowel het kenteken als het chassisnummer niet te herleiden is.

  3. Het college kan voor de artikelen 5.4 tot en met 5.6 nadere regels stellen.

Artikel 5.7

Beperking parkeren kampeermiddelen

  1. Het is niet toegestaan een voertuig dat voor de recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    1. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

    2. op de weg te parkeren bij, voor, naast of achter een bewoond perceel op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht vanuit dat perceel voor de bewoners op hinderlijke wijze wordt belemmerd;

    3. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte en/of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  2. Het college kan ontheffing verlenen:

    1. van het in het eerste lid onder a gestelde verbod voor de overige maanden dan die genoemd in het tweede lid;

    2. van het in het eerste lid onder c gestelde verbod.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 5:8

Verbod parkeren van caravans, aanhangwagens in een parkeerschijfzone

Onverminderd het bepaalde in artikel 5:7 van deze Verordening is het de eigenaar of houder van een geheel of ten dele voor recreatie bestemd voertuig of een aanhangwagen niet toegestaan deze te parkeren in een parkeerschijfzone, als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, gedurende het (de) daarop aangegeven tijdvak(ken).

Artikel 5:9

Verbod parkeren van reclamevoertuigen

Het is niet toegestaan een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.

Artikel 5:10

Verbod parkeren van grote voertuigen

  1. Het is niet toegestaan een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  2. Het is niet toegestaan een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  3. Het verbod in het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  4. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde ontheffing verlenen.

  5. Het college kan nadere regels in het belang van het woon- en leefklimaat, veiligheid en ruimtelijke ordening opstellen ten aanzien van het verlenen van de ontheffing.

Artikel 5:11

Verbod parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen

  1. Het is niet toegestaan een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  2. Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:12

Verbod parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval

Het is niet toegestaan op een door het college ten behoeve van de inzameldienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan op een daarbij aangeduide tijdsperiode en/of dag.

Artikel 5:13

Parkeren anders dan op de rijbaan

  1. Op een door het college aangewezen plaats, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte, is het niet toegestaan een voertuig te parkeren.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Artikel 5:14

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  1. Het is niet toegestaan door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook met een voertuig te rijden of het daar te plaatsen en/of te laten staan.

  2. Het college kan een ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    1. de weg;

    2. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

    3. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

Artikel 5:15

Overlast van (elektrische) fiets of bromfiets

  1. Het is niet toegestaan op door het college, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare ruimte of gezondheid, aangewezen plaatsen (elektrische) fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

  2. Het is niet toegestaan (elektrische) fietsen en bromfietsen, die rij technisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, in de openbare ruimte laten staan.

  3. Het is verboden op door het college, in het belang van het beheer van de openbare ruimte, aangewezen plaatsen (elektrische) fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

  4. Het is niet toegestaan om op of aan de weg (elektrische) fietsen of bromfietsen te parkeren:

    1. op een zodanige wijze voor of tegen een gebouw, dat daardoor voor een bewoner of gebruiker van dat gebouw de toegang of het uitzicht wordt belemmerd;

    2. op een zodanige wijze op een voetpad of trottoir, dat daardoor de doorgang wordt gehinderd of belemmerd;

    3. op geleide lijnen die op de weg zijn aangebracht ten behoeve van visueel gehandicapten;

    4. op zodanige wijze dat daardoor het in- en uitstappen bij tram, bus taxi of gehandicaptenplaats gehinderd of belemmerd wordt;

    5. op zodanige wijze dat daardoor de functie van straatmeubilair gehinderd of belemmerd wordt;

    6. tegen monumenten of gedenktekens; of

    7. op een zodanige wijze dat daardoor de doorgang en opbouw op een markt wordt gehinderd of belemmerd.

Artikel 5:16

Verbod inzameling van geld of goederen of leden- of donateur werving

  1. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:

    1. in besloten kring;

    2. door instellingen die zijn ingedeeld op het thans geldende landelijke collecte- en wervingsrooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving en die geld of goederen inzamelen of werven in de aan hen door het Centraal Bureau Fondsenwerving toegewezen periode;

    3. door een andere, door het college aangewezen instelling.

  4. Het college kan bij het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen.

Artikel 5:17

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en/of in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  2. Onder venten wordt niet verstaan:

    1. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    2. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet;

    3. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in dit artikel.

Artikel 5:18

Venten en dergelijke

  1. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college te venten.

  2. Voorts is het niet toegestaan te venten op zondagen en op maandag tot en met zaterdag voor 9.00 uur en na 22.00 uur.

  3. Het college kan beleidsregels opstellen met betrekking tot venten en dergelijke.

Artikel 5:19

Vrijheid van meningsuiting

  1. Het verbod bedoeld in artikel 5:18, eerste lid van deze Verordening is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet niet toegestaan op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid.

Artikel 5:20

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats of op een openbare en in de openlucht gelegen plaats met als doel:

    1. te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel:

    2. gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken beperkt tot 2 sta-tafels en zonder terras.

  2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    1. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

    2. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:21 van deze Verordening.

  3. Het college kan beleidsregels opstellen met betrekking tot standplaatsen.

Artikel 5:21

Vereisten standplaatsen en weigeringsgronden

  1. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd:

    1. Indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    2. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

  4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.

Artikel 5:22

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel niet toegestaan toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats is of wordt ingenomen.

Artikel 5:23

Afbakeningsbepalingen

  1. Op beperkingengebiedactiviteiten is het verbod van artikel 5:21, eerste lid van deze Verordening niet van toepassing, met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland.

  2. De weigeringsgrond van artikel 5:21, derde lid, onder a van deze Verordening, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:24

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water niet toegestaan een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  2. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland of de Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Havenbeheersverordening Maassluis, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur (AVOI).

Artikel 5:25

Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

  1. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het eerste lid aangewezen gebieden:

    1. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

    2. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

  3. Op beperkingengebiedactiviteiten is het eerste en tweede lid bepaalde niet van toepassing met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland, de Wet milieubeheer, de Waterschapsverordening, het Binnenvaartpolitiereglement Zuid-Holland of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5:26

Aanwijzingen ligplaats

  1. Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

  2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

  3. Op beperkingengebiedactiviteiten is het in het eerste en tweede lid bepaalde niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland, de Waterschapsverordening, de Wet milieubeheer, de Havenbeheersverordening, het Binnenvaartpolitiereglement of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5:27

Verbod innemen ligplaats

  1. Het is niet toegestaan een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:25 en 5:26 van deze Verordening bepaalde.

  2. Daarnaast is het niet toegestaan om met een (plezier)vaartuigwrak, een wees(plezier)vaartuig of een wees (plezier)tuigwrak een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen of achter te laten in het openbare water, op of aan de weg of in een openbare plaats.

  3. Onder (plezier)vaartuigwrak wordt verstaan: een vaartuig dat in onvoldoende staat van onderhoud is, zoals het verkeren in een kennelijk verwaarloosde toestand of niet mee kan of mag worden gevaren.

  4. Onder wees (plezier)vaartuig wordt verstaan een vaartuig waarvan de eigenaar van het vaartuig niet achterhaald kan worden omdat de eigenaar geen ligplaatsvergunning heeft bij de gemeente Maassluis en de boot bij visuele inspectie buitenzijde geen duidelijk naar een eigenaar te achterhalen kenmerken/informatie bevat.

  5. Onder wees (plezier)vaartuig wrak wordt een combinatie van artikel 5:27, derde en vierde lid van deze Verordening verstaan.

  6. Onder een verwaarloosd (plezier)vaartuig wordt een (plezier)vaartuig verstaan waarbij sprake is van achterstallig onderhoud door onvoldoende onderhoudsmaatregelen onder andere ter bescherming water- en weersinvloeden en/of een gevaar is of binnen korte termijn een gevaar kan vormen.

  7. Het college kan beleidsregels handhaving opstellen ten aanzien van (plezier)vaartuigen die kunnen worden aangemerkt als verwaarloosd, als wrak, als wees en als weeswrak.

Artikel 5:28

Verbod beschadigen van waterstaatswerken en oevers

  1. Het is niet toegestaan schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbaar water, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterschapsverordening of de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 5:29

Reddingsmiddelen

Het is niet toegestaan een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30

Veiligheid zwemmen in openbaar water

  1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, niet toegestaan zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  2. Het is niet toegestaan te zwemmen in door het college aangewezen openbare wateren of gedeelten daarvan.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, het Wetboek van Strafrecht, de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 5:31

Overlast aan vaartuigen

  1. Het is niet toegestaan zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is niet toegestaan een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5:32

Crossterreinen

  1. Het is niet toegestaan op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties als de activiteit is toegelaten bij of krachtens de Omgevingswet, in het bijzonder afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving en binnen de in het omgevingsplan aangewezen terreinen voor zover die activiteit daarbij is toegelaten, of als sprake is van een situatie waarin wordt voorzien door de Zondagswet.

Artikel 5:33

Beperking verkeer in natuurgebieden

  1. Het is niet toegestaan binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en fietsers of voor berijders van paarden:

    1. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    2. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    3. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    4. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die zijn gelegen binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    5. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen;

    6. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    7. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die Verordening zijn aangewezen als `toestel';

    8. binnen de in het omgevingsplan aangewezen terreinen voor zover die activiteit daarbij is toegelaten.

  3. Bij het gestelde onder het tweede lid onder f geldt voor ruiters dat de paarden voorzien moeten zijn van een uitwerpselen-opvangzak.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 5:34

Verbod afvalstoffen te verbranden of anderszins vuur te stoken

  1. Het is niet toegestaan in de openlucht afvalstoffen te verbranden in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Zolang het geen gevaar, ernstige overlast of hinder voor de omgeving veroorzaakt, is het verbod niet van toepassing op:

    1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    2. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

    3. vuur voor koken, bakken en braden.

  3. Het college kan van het verbod uit het eerste lid een ontheffing verlenen.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna en ter bescherming van de woon- en leefomgeving.

  5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 5:35

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledenen of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36

Uitgesloten plaatsen verstrooiing van as

  1. Incidentele asverstrooiing is niet toegestaan op:

    1. verharde delen van de weg;

    2. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  2. Incidentele asverstrooiing is ook niet toegestaan op plaatsen als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

  3. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat ook op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

  4. Het college kan op verzoek van de nabestaande, die zorg draagt voor de asbus, op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2025