1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening weigeren:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    5. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens artikel 2:31, derde en vierde lid van deze Verordening gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    6. indien bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.

    7. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.

    8. indien een of meer exploitanten of beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening intrekken of wijzigen indien:

    1. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    2. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd;

    5. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    6. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

    7. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    8. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie;

    9. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;

    10. de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.

  3. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over de beoordeling van slecht levensgedrag.