1. Het is niet toegestaan een horecabedrijf te exploiteren zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester.

  2. Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 1:7 en 2:33, tweede lid van deze Verordening zich voordoen, kan de burgemeester een vergunning afgeven voor een proefperiode van ten hoogste één jaar (tijdelijke vergunning).

  3. Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede lid blijkt dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 1:7 en 2.33, tweede lid van deze Verordening zich voordoen, kan de burgemeester nadere voorschriften aan de vergunning verbinden of de tijdelijke vergunning intrekken.

  4. Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt de burgemeester de exploitant van het horecabedrijf schriftelijk mee dat de tijdelijke vergunning met ingang van een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als een vergunning als bedoeld in het eerste lid.

  5. De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent de gegevens en bescheiden die bij de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd.