1. Als het gedrag van de hond gevaarlijk of hinderlijk wordt geacht, is de eigenaar verantwoordelijk om maatregelen te nemen, die voorkomen dat er schade aan anderen kan worden toegebracht.

  2. Voor zover een hond verblijft of loopt op een openbare plaats, het terrein van een ander, of een gemeenschappelijke ruimte zoals galerij, lift en portaal kan de burgemeester de eigenaar of houder van de hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen, als het gedrag van de hond gevaarlijk of hinderlijk wordt geacht.

  3. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn waarvan de lengte, gemeten van hand tot halsband, ten hoogste 1,50 meter is.

  4. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen dat de hond niet kan bijten,

    2. dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;

    3. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat losmaken van de riem zonder toedoen van de mens niet mogelijk is.

  5. Onverminderd artikel 2:70, vierde, aanhef en onder d van deze Verordening dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

  6. De eigenaar of houder van een hond draagt er zorg voor dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving en ook de nachtrust niet verstoort door aanhoudend geblaf of gejank.