1. Om de weg veilig te kunnen gebruiken mogen kelderingangen, indiepingen als gaten, richels en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk geen gevaar voor de veiligheid van weggebruikers opleveren.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als er al in wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3 van het Wetboek van Strafrecht:

    • de eigenaar of gebruiker die ten opzichte van toegangen tot of openingen van kluizen, kelders, onderaardse lokalen en ruimten, waar die op de openbare weg uitkomen, niet de nodige voorzorgsmaatregelen neemt ten behoeve van de veiligheid van de voorbijgangers;

    • hij die bij een verrichting op of aan de openbare weg niet de nodige maatregelen neemt om voorbijgangers tegen mogelijk gevaar te waarschuwen.