1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

    1. de openbare orde/overlast;

    2. de openbare veiligheid;

    3. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;

    4. de volksgezondheid;

    5. de bescherming van het milieu;

    6. de zedelijkheid.

  2. In aanvulling op de in het eerste lid genoemde algemene weigeringsgronden kunnen per artikel bijzondere weigeringsgronden worden genoemd.

  3. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan zes weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

  4. Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen, kan de in het derde lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken.