1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:35 van deze Verordening kan de burgemeester een horecabedrijf – al dan niet voor een bepaalde duur – gesloten verklaren:

    1. indien dit horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    2. indien dit horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    3. indien de burgemeester oordeelt, dat een van de genoemde situaties in artikel 2:33, vierde lid van deze Verordening zich voordoet waarin intrekking van de vergunning mogelijk is.

  2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is aangebracht.

  3. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.