Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 13-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betogingen
Afdeling Verspreiding van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen, voorstellingen en dergelijke op een openbare plaats
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats
Afdeling Veiligheid van/op de openbare plaats
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen en terrassen
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Afdeling Toezicht Kansspelautomaten
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE e.d.
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK

OPENBARE ORDE

Artikel 2:1

Tegengaan van samenscholing bij dreiging ongeregeldheden

  1. In het belang van het voorkomen of tegengaan van onveilige situaties, is het bij dreiging van een onveilige situatie door het ontstaan van ongeregeldheden, niet toegestaan om op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing.

  2. Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij (een dreiging op) ongeregeldheden is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is niet toegestaan om zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:2

Aanwijzing overlastgebied

  1. De burgemeester is bevoegd om een overlastgebied aan te wijzen als er sprake is van overlast door een ernstige verstoring of bedreiging van de openbare orde.

  2. Deze aanwijzing kan bepaalde handelingen verbieden binnen het aangewezen gebied zoals een alcoholverbod of gericht zijn tot een specifieke persoon of (groep) personen die overlast veroorzaken, om een bepaalde periode in het aangewezen gebied te komen.

  3. De burgemeester trekt de aanwijzing in, zodra er sprake is van voldoende herstel van de openbare orde in het aangewezen gebied.

Artikel 2:3

Wijkverbod

  1. De burgemeester kan een persoon een wijkverbod opleggen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een verbod opleggen om zich te bevinden op in dat verbod aangewezen gebied gedurende een in het verbod neergelegde periode.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een wijkverbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een wijkverbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste 30 dagen te bevinden op in dat wijkverbod aangewezen gebied.

  3. Een wijkverbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder wijkverbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd.

  4. De burgemeester beperkt het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  5. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een wijkverbod.

  6. Het is niet toegestaan zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd wijkverbod.

  7. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over het gebruik van deze bevoegdheid.

Artikel 2:4

Veiligheidsrisicogebieden (preventief fouilleren)

De burgemeester kan, op grond en met inachtneming van de vereisten van artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij andere aanwijzingen voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. De Officier van Justitie kan binnen het veiligheidsrisicogebied een bevel tot preventief fouilleren geven.

Artikel 2:5

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. geluid- of geurhinder;

    2. hinder van dieren;

    3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    4. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    5. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

  3. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over het gebruik van deze bevoegdheid.

Artikel 2:6

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. Deze kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  4. De schriftelijke kennisgeving dient gedurende de werkweek te worden ingediend uiterlijk op vrijdag 12.00 uur tenzij die dag een algemeen erkende feestdag is. In dat geval moet de schriftelijke kennisgeving uiterlijk 12.00 uur zijn ingediend op de voorliggende werkdag.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn van 72 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2:7

Aanwijzing gebied met betrekking tot verbod aanbieden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  1. Het college kan specifieke gebieden binnen de openbare ruimte aanwijzen, waarbinnen het niet is toegestaan om gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden.

  2. Het college kan deze aanwijzing beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Het college kan binnen het aangewezen gebied een ontheffing verlenen.

Artikel 2:8

Straatartiest en andere voorstellingen

  1. Vertoningen, voorstellingen als optredens van straatartiesten en dergelijke zijn toegestaan op openbare plaatsen.

  2. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu openbare plaatsen aanwijzen, waarbinnen het niet is toegestaan om ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden.

  3. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  4. De burgemeester kan binnen het aangewezen gebied een ontheffing op het verbod uit het tweede lid van dit artikel verlenen.

Artikel 2:9

Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats

  1. Het is niet toegestaan om de weg of een weggedeelte van een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan zonder dat er hiervoor een vergunning van het college is afgegeven.

  2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:

    1. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken voor zover ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen;

    2. zonneschermen voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en elk onderdeel van het zonnescherm:

      • zich boven 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg bevindt; en

      • in welke stand het zonnescherm ook staat zich minstens 1 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de openbare plaats bevindt;

      • in welke stand het zonnescherm ook staat niet verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt

    3. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de openbare plaats gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare plaats verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan gereinigd is;

    4. voertuigen;

    5. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard;

    6. het innemen van een standplaats als bedoeld in artikel 5:20 van deze Verordening of een standplaats als bedoeld in de Markt Verordening gemeente Maassluis;

    7. containers voor de tijdelijke opslag van puin of van bouwmaterialen, bijbehorende keetwagens en toiletcabines, mits

      • ze niet langer dan 30 dagen op de weg zijn geplaatst.

      • ze geen hinder of gevaar voor het verkeer opleveren

      • de containers een lengte van maximaal 4,5 meter, een hoogte van maximaal 2,5 meter en een breedte van maximaal 2,5 meter bedragen

      • er per perceel niet meer dan twee containers, één keetwagen en één toiletcabine worden geplaatst;

    8. evenementen als bedoeld in artikel 2:21 van deze Verordening;

    9. nader door het college aan te wijzen voorwerpen of categorieën van voorwerpen;

    10. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgeving Verordening Zuid-Holland of Waterschapsverordening.

  3. Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels stellen voor de categorieën, bedoeld in het tweede lid, voor zover deze regels niet zien op een activiteit die de fysieke leefomgeving wijzigt, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit.

  4. Het is niet toegestaan aan, op, in of boven de openbare plaats voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening kan een vergunning, bedoeld in het eerste lid, worden geweigerd:

    1. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak;

    4. in het belang van de brandveiligheid, of;

    5. indien door plaatsing of aanwezigheid van het voorwerp er sprake is van het gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie of bestemming daarvan.

    6. als door het gebruik, bedoeld in het eerste lid, de fysieke leefomgeving wijzigt, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit.

    1. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland;

    2. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken;

    3. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2:10

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is niet toegestaan zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet¬ openbare ontsluitingswegen van gebouwen.

  3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland of Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg

  1. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. Bij de vergunningsaanvraag wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en eventueel een foto van de bestaande situatie overgelegd.

  3. Het bevoegd gezag stelt voorschriften aan de gewenste uitweg indien door het realiseren ervan:

    1. de bruikbaarheid van de weg en/of het veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt geschaad;

    2. het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt;

    3. de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt te worden geschaad.

  4. Het bevoegd gezag weigert de vergunning voor de aanleg van de uitweg als door de aanleg een ongewenste situatie ontstaat, die niet door het stellen van voorschriften kan worden voorkomen.

  5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgeving Verordening Zuid-Holland of Waterschapsverordening.

Artikel 2:12

Voorkomen achterlaten van winkelwagentjes

  1. De winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht om:

    1. de winkelwagentjes te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en

    2. maatregelen te treffen waarmee kan worden voorkomen dat de winkelwagentjes worden achtergelaten in de openbare ruimte, anders dan een daarvoor aangewezen verzamelplaats voor de winkelwagentjes;

    3. de door het publiek op de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van de winkel.

  2. Het is niet toegestaan een winkelwagentje na gebruik in de openbare ruimte achter te laten anders dan op de daarvoor door de eigenaar van de winkelwagentjes aangewezen verzamelplaats.

  3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:13

Verbod hinderen verkeer door beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is niet toegestaan beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:14

Verbod openen straatkolken en dergelijke

Het is degene die daartoe niet bevoegd is niet toegestaan een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:15

Gevaarlijke kelderingangen en dergelijke

  1. Om de weg veilig te kunnen gebruiken mogen kelderingangen, indiepingen als gaten, richels en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk geen gevaar voor de veiligheid van weggebruikers opleveren.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als er al in wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3 van het Wetboek van Strafrecht:

    • de eigenaar of gebruiker die ten opzichte van toegangen tot of openingen van kluizen, kelders, onderaardse lokalen en ruimten, waar die op de openbare weg uitkomen, niet de nodige voorzorgsmaatregelen neemt ten behoeve van de veiligheid van de voorbijgangers;

    • hij die bij een verrichting op of aan de openbare weg niet de nodige maatregelen neemt om voorbijgangers tegen mogelijk gevaar te waarschuwen.

Artikel 2:16

Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats

  1. Om het deel van de openbare plaats dat bestemd is voor gebruik voor voetgangers of (brom) fietsen veilig te kunnen gebruiken, is het niet toegestaan om op, aan of boven dat bestemde deel op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen te hebben hangen of aan te brengen lager dan 2,2 meter.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht tenzij door de specifieke situatie ter plaatse toch gevaar voor weggebruikers wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt.

  3. Het eerste en tweede lid is niet van toepassing als het om gevaarlijk rijgedrag dat strafbaar is gesteld in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW ‘94): het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Artikel 2:17

Vallende voorwerpen

Om veilig gebruik te kunnen maken van openbare plaatsen is het niet toegestaan om aan een openbare plaats of aan enig deel van een bouwwerk voorwerpen te plaatsen of te bevestigen die door een niet deugdelijke beveiliging van het voorwerp kunnen neervallen.

Artikel 2:18

Verbod dragen gevaarlijke voorwerpen

  1. Het is niet toegestaan op een openbare plaats, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, een mes, slagwapen, knuppel, katapult, pijl en boog of een ander voorwerp dat als wapen kan worden gebruikt, bij zich te dragen.

  2. Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn.

  3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:19

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk noodzakelijke voorwerpen, borden of voorzieningen in het belang van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

  3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien in hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:20

Verbod op slapen op of aan de weg

  1. Het is niet toegestaan om in de openlucht de weg als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of een ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.

  2. Het college kan een ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden ter voorkoming en beperking van hinder en overlast, het aanzien van de woon en werkomgeving, verontreiniging, verspreiding van besmettelijke ziekten en brandgevaar.

  3. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

Artikel 2:21

Begripsbepalingen

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoop- en theatervoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:20 van deze Verordening;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in een openbare inrichting, waarvoor een vergunning krachtens artikel 2:27 van deze Verordening geldt, mits de vergunning mede betrekking heeft op deze verrichting van vermaak;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten als bedoeld in artikel 2:8 van deze Verordening;

    7. sportwedstrijden die plaatsvinden in een openbare inrichting, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid;

    2. een braderie;

    3. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:6 van deze Verordening;

    4. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    5. een snuffelmarkt;

    6. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s;

    7. het maken van filmopnamen ten behoeve van commerciële, creatieve dan wel educatieve doeleinden.

  3. Evenementen zijn onderverdeeld in de volgende categorieën:

    1. 0-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 150 mensen;

    2. A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;

    3. B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer;

    4. C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer.

  4. Onder organisator wordt verstaan: degene voor wiens rekening en risico een evenement plaatsvindt.

  5. Onder evenementenoverzicht wordt verstaan: de door het college jaarlijks vastgestelde kalender met B- en C- evenementen voor het volgende – aankomende – evenementenjaar.

  6. Bij evenementen gelden de door de EU vastgestelde vereiste regels over het gebruik van plastic wegwerpmateriaal.

Artikel 2:22

Evenementenvergunning

  1. Het is niet toegestaan zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een A-, B- of C-evenement te organiseren, toe te laten of feitelijk te leiden.

  2. De vergunning geldt voor één evenement.

  3. De burgemeester kan de vergunningaanvraag voor een A-evenement buiten behandeling stellen indien de aanvraag niet ten minste acht weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd en volledig is;

  4. De burgemeester kan de vergunningaanvraag voor een B- of C- evenement buiten behandeling stellen indien:

    1. de aanvraag niet ten minste acht weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd en volledig is;

    2. de vooraankondiging van een B of C evenementen niet voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenementenoverzicht wordt vastgesteld, is ingediend.

  5. De burgemeester weigert de vergunning voor een B- en C-evenement indien de organisator:

    1. onder curatele staat;

    2. in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

    3. de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt.

  6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 van deze verordening kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel:

    1. dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid en/of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement;

    2. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd;

    3. de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd;

    4. het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat de activiteiten worden voortgezet;

    5. de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt nodig is;

    6. de vergunningvoorschriften niet worden nageleefd;

    7. de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet;

    8. tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke maatregel is genomen;

    9. de inhoud of uitstraling van het evenement niet past in het evenementenbeleid, het imago of de belangen van de stad Maassluis;

    10. ten behoeve van de vergunningverlening onvolledige of onjuiste gegevens zijn verstrekt.

  7. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter regulering van het evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op:

    1. de plaats en het tijdstip van het evenement;

    2. de benodigde technische voorzieningen;

    3. de inrichting van het evenemententerrein;

    4. het activiteitenprogramma;

    5. een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

    6. het verkeersplan.

  8. De aanvraag om een evenementenvergunning bevat ten minste:

    1. de plaats waar het evenement wordt gehouden;

    2. de datum en het tijdstip waarop het evenement wordt gehouden;

    3. een opgave van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers;

    4. de inrichting van het evenemententerrein;

    5. het activiteitenprogramma;

    6. de mogelijke risico’s voor verstoring van de openbare orde en veiligheid;

    7. het veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

    8. de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen.

  9. Risico verhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken, worden door de organisator onverwijld aan de burgemeester gemeld.

  10. Dit artikel is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg als dit niet toegestaan is in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994.

  11. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening van deze Verordening kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:21, tweede lid, aanhef en onder f van deze Verordening weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is.

  12. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over de beoordeling van slecht levensgedrag en het gebruik van deze bevoegdheid.

  13. De burgemeester kan ten behoeve van de viering van Koningsdag locaties en tijden aanwijzen waarbij het verbod van dit artikel niet van toepassing is voor de niet-commerciële verkoop van goederen door particulieren.

Artikel 2:23

0-evenementen

  1. Behoudens in door de burgemeester aangewezen gebieden, is het niet toegestaan zonder melding aan de burgemeester een 0-evenement te organiseren, toe te laten of feitelijk te leiden.

  2. Van een 0-evenement is sprake indien:

    1. het een evenement in de openlucht betreft, niet zijnde evenementen op eigen terrein;

    2. het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 150 personen;

    3. het een ééndaags evenement is dat plaatsvindt op maandag tot en met zaterdag tussen 9.00 en 23.00 uur of op een zon- of feestdag tussen 13.00 en 23.00 uur;

    4. het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A);

    5. het niet plaatsvindt op de rijbaan of een (brom)fietspad of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

    6. het geen extra politiecapaciteit vergt;

    7. slechts kleine objecten worden geplaatst met een totale oppervlakte van maximaal 25 m²;

    8. er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;

    9. er een organisator is.

  3. De organisator meldt het 0-evenement ten minste vijf werkdagen voordat het 0-evenement plaatsvindt, aan de burgemeester door middel van een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier.

  4. Toestemming voor het evenement is verleend indien:

    1. na ontvangst van het meldingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden, en

    2. de organisator een ontvangstbevestiging van het feit dat hij een melding heeft gedaan kan tonen.

  5. Indien naar het oordeel van de burgemeester uit nieuwe feiten of omstandigheden na de melding vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde kan de burgemeester alsnog bepalen dat het verbod ingevolge artikel 2.22, eerste lid van deze Verordening, onverkort geldt.

  6. Het eerste lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:21, tweede lid, aanhef en onder f van deze Verordening aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

  7. Op het verbod tot schenken, nuttigen en bij zich dragen van alcoholhoudende dranken is voor een 0-evenement in artikel 2:62, derde lid van deze Verordening is het verlenen van een ontheffing van de burgemeester mogelijk op basis van artikel 2:62, vijfde lid van deze Verordening.

  8. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen voor 0-evenementen.

Artikel 2:24

Ordeverstoring

  1. Het is de bezoeker niet toegestaan om in de aanloop naar, tijdens en na afloop in en om het evenement de orde te verstoren.

  2. Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van de autoriteiten in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.

  3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak of een herdenkingsplechtigheid.

Artikel 2.25

Openbare orde en veiligheid

  1. De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens, en na een evenement alle aanwijzingen geven die hij noodzakelijk acht ter handhaving van de openbare orde. De burgemeester bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie, brandweer en hulpverlening.

  2. De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop naar, tijdens, en na het evenement:

    1. alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde;

    2. het evenement onverwijld te beëindigen bij verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor; een aanwijzing van de burgemeester onverwijld op te volgen;

    3. ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde na een aanwijzing van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van politie, of brandweer geen publiek meer tot het evenement wordt toegelaten.

  3. Het is voor bezoekers van een evenement tijdens en na het evenement:

    1. niet toegestaan zich op het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde of veiligheid te verstoren of te bedreigen;

    2. niet toegestaan al dan niet op het evenemententerrein – op of aan de weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen - voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren;

    3. niet toegestaan zich op een evenemententerrein te begeven indien overeenkomstig het eerste, dan wel het tweede lid onder d opdracht is gegeven het evenemententerrein te verlaten;

    4. verplicht ter ordelijk verloop van een evenement of bij enig voorval waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, op een daartoe strekkende aanwijzing van een ambtenaar van de politie of brandweer, zijn weg te vervolgen of aanwijzingen van andere aard in het belang van de openbare orde of veiligheid van personen en goederen, dan wel ter beperking van gemeen gevaar, onverwijld en stipt op te volgen.

Artikel 2:26

Begripsbepalingen

  1. Onder horecabedrijf wordt in deze afdeling verstaan:

    1. Een voor het publiek toegankelijke openbare inrichting, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren en/of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel, motel, restaurant, pension, café, eetcafé, cafetaria, snackbar, bar, automatiek, croissanterie, crêperie, broodjeswinkel, afhaalzaak, shoarmazaak, koffiehuis, ijssalon, discotheek, buurthuis, sportkantine, clubhuis, de combinatie horecabedrijf met detailhandel en de bij het horecabedrijf behorende terrassen.

    2. Detailhandel ondersteunende horeca binnen een bedrijf dat in hoofdzaak bestemd is voor de uitoefening van detailhandel en waarin als ondergeschikte nevenactiviteit consumpties waaronder alcoholvrije drank kan worden verstrekt binnen de openingstijden van de detailhandel. Het college kan beleidsregels detailhandel ondersteunende horeca opstellen.

  2. Onder exploitant wordt in deze afdeling verstaan: degene die een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2:27 of 2:34 van deze Verordening.

  3. Onder leidinggevende wordt in deze afdeling verstaan: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een horecabedrijf.

  4. Onder paracommerciële rechtspersoon wordt in deze afdeling verstaan: het begrip paracommerciële instelling zoals gedefinieerd in de Alcoholwet.

  5. Onder een terras wordt verstaan: een ruimte, veelal op de openbare weg, buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel behorende bij een horeca-inrichting, waar sta- of zitgelegenheden zijn ingericht voor de directe consumptie ter plaatse van etenswaren en dranken die bedrijfsmatig worden verstrekt vanuit de inrichting.

  6. We onderscheiden de volgende soorten terrassen:

    1. gevelterras: terras dat direct tegen de buitengevel van het horecabedrijf is geplaatst. Een gevelterras, die rechtstreeks aan de inrichting grenst en andere aanhorigheden;

    2. terrasboot: een terras gesitueerd op het water, als in ieder geval een terras op een ponton, op een dekschuit of andersoortig vaartuig.

    3. eilandterras: een los van de gevel gelegen terras, voor of in de directe nabijheid van het horecabedrijf, met een afstand van meer dan 3,5 meter tussen de gevel van het horecabedrijf en het terras.

  7. Combinatie horecabedrijf met detailhandel: een levensmiddelenwinkel en een apart horecadeel met één ingang, waarbij bezoekers enkel via de winkel het horecadeel kunnen betreden.

  8. Deze afdeling verstaat niet onder bezoekers:

    1. de gezinsleden van de exploitant en leidinggevende, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

    2. meereizende echtgenoten, minderjarige kinderen of aan reisgezelschappen die gebruik maken van nachtverblijf bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;

    3. de personen wier aanwezigheid in het horecabedrijf wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:27

(Tijdelijke) Exploitatievergunning horecabedrijf

  1. Het is niet toegestaan een horecabedrijf te exploiteren zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester.

  2. Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 1:7 en 2:33, tweede lid van deze Verordening zich voordoen, kan de burgemeester een vergunning afgeven voor een proefperiode van ten hoogste één jaar (tijdelijke vergunning).

  3. Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede lid blijkt dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 1:7 en 2.33, tweede lid van deze Verordening zich voordoen, kan de burgemeester nadere voorschriften aan de vergunning verbinden of de tijdelijke vergunning intrekken.

  4. Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt de burgemeester de exploitant van het horecabedrijf schriftelijk mee dat de tijdelijke vergunning met ingang van een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als een vergunning als bedoeld in het eerste lid.

  5. De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent de gegevens en bescheiden die bij de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd.

Artikel 2:28

Vereisten terrasvergunning

  1. Het is niet toegestaan een terras te exploiteren zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester.

  2. Het college stelt nadere regels omtrent terrassen op.

  3. De aanvragen voor een terrasvergunning worden getoetst aan de geldende wetgeving, bestemmingsplannen en de nadere regels terrassen.

  4. Het gevelterras en andere aanhorigheden die rechtstreeks aan de horecagelegenheid grenst kunnen door de burgemeester worden verleend in de exploitatievergunning.

  5. Een terrasvergunning bij een openbare inrichting anders dan een gevelterras zoals bedoeld in het voorgaand lid kan worden verleend door de burgemeester.

  6. Bij detailhandel ondersteunende horeca is een terras niet toegestaan.

  7. Voor een combinatie van een horecabedrijf met detailhandel kan een terrasvergunning worden aangevraagd.

  8. Een terrasvergunning voor een eilandterras wordt voor 10 jaar verleend met een mogelijke jaarlijkse herverdeling indien er aan, in aanmerking komende nieuwe horecaondernemers, vergunningen worden vergund.

  9. Een terrasvergunning voor een terrasboot wordt voor 10 jaar verleend.

  10. Terrasvergunningen zijn gebonden aan een persoon en pand, en zijn niet overdraagbaar.

  11. Elke aanvraag voor een terrasboot wordt individueel getoetst op mate waarin de terrasboot passend wordt geacht binnen het beschermd stadsgezicht. De burgemeester kan desgewenst gemotiveerd afwijken van het maximaal aantal terrasboten.

  12. Het college kan plaatsen aanwijzen die niet of alleen voor een bepaalde periode kunnen worden geëxploiteerd als terras.

Artikel 2:29

Voorbehoud verlening en (gedeeltelijk) vervallen van terrasvergunning

  1. Een terrasvergunning wordt verleend onder het voorbehoud dat het terras, indien noodzakelijk, niet mag worden geplaatst dan wel moet worden verwijderd in geval van de volgende werkzaamheden:

    1. werkzaamheden van gemeentewege of ten behoeve van aanleg of onderhoud van kabels en leidingen van nutsvoorzieningen;

    2. een evenement als bedoeld in artikel 2:21 van deze Verordening op of in de directe nabijheid van de terraslocatie.

  2. Een evenement zoals bedoeld in het eerste lid onder b wordt zo spoedig mogelijk van tevoren gecommuniceerd aan horecazaken waarop dit betrekking heeft. Het niet mogen plaatsen of verwijderen van de terrassen geldt voor de duur die is vermeld in de evenementenvergunning.

  3. Een terrasvergunning kan worden ingetrokken als het terras in de periode van 1 april tot en met 1 november minder dan 3 aaneengesloten maanden in gebruik is.

Artikel 2:30

Vrijstelling vergunningplicht

  1. Geen vergunning is vereist voor de exploitatie van een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit;

  2. Voorts is geen vergunning vereist voor de exploitatie van een horecabedrijf, die zich bevindt in een:

    1. schoolkantine;

    2. bedrijfskantine of -restaurant, voor zover deze uitsluitend als zodanig in gebruik is;

    3. horecabedrijven als bedoeld in artikel 2:26, eerste lid onder a van deze Verordening, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden:

      • het horecagedeelte bevat maximaal 9 zitplaatsen;

      • het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale winkel;

      • in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt;

      • er zijn geen speelautomaten aanwezig;

      • er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt die in relatie staan tot het assortiment van de winkel (uitgezonderd grootwinkelbedrijven).

    4. horecabedrijven in musea, crematoria en rouwcentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden:

      • het horecagedeelte bevat maximaal 9 zitplaatsen;

      • het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale ruimte;

      • in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt;

      • er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt.

    5. horecabedrijven in bejaardentehuizen, ziekenhuizen en verpleegtehuizen, voor zover deze uitsluitend zijn gericht op de bewoners c.q. verzorgingsbehoeftigen/patiënten en hun bezoekers, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden;

      • het horecagedeelte bevat maximaal 12 zitplaatsen;

      • het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale ruimte;

      • in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt;

      • er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt;

      • er vinden geen paracommerciële activiteiten plaats.

    6. horecabedrijven waar kleinschalige niet commerciële activiteiten plaatsvinden, zoals verenigingen of stichtingen, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden;

      • de horeca-exploitatie is ondergeschikt aan de hoofddoelstelling en activiteiten;

      • er wordt geen levende muziek ten gehore gebracht;

      • er worden geen alcoholhoudende dranken verkocht en geschonken;

      • de ruimten worden niet gebruikt om feesten en partijen te geven;

      • er vindt geen zalenverhuur plaats;

      • er zijn geen speelautomaten aanwezig.

    7. terrassen bij de in het eerste lid bedoelde horecabedrijven zijn niet van vergunningplicht vrijgesteld.

  3. Voor deze horecabedrijven kan worden volstaan met een schriftelijke melding aan de burgemeester vóór aanvang van de exploitatie.

Artikel 2:31

Eisen exploitant en leidinggevende

  1. Het is niet toegestaan een horecabedrijf te exploiteren indien door de exploitant niet of niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 8, eerste en tweede lid van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen.

  2. De exploitant en de leidinggevende van een horecabedrijf voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, eerste en tweede lid van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen

Artikel 2:32

Beslistermijn

  1. De burgemeester beslist binnen acht weken na de datum waarop hij de aanvraag met bijbehorende gegevens en bescheiden heeft ontvangen.

  2. De beslissing kan gemotiveerd en met redenen omkleed eenmaal voor ten hoogste acht weken worden verdaagd.

Artikel 2:33

Weigerings- en intrekkingsgronden

  1. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:27 van deze Verordening indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het (tijdelijk)Omgevingsplan;

    2. niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2:31, eerste lid van deze Verordening gestelde eisen;

    3. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:27 van deze Verordening geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

  3. Bij de toepassing van een in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

    1. het karakter van de straat en van de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal komen te liggen;

    2. de aard van het horecabedrijf;

    3. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf;

    4. de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf in deze of in andere horecabedrijven.

  4. De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen:

    1. indien blijkt, dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend;

    2. indien de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf de bepalingen in deze paragraaf, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt;

    3. indien aannemelijk is, dat de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit het horecabedrijf, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf;

    4. indien de exploitant of leidinggevende strafbare feiten pleegt in het horecabedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn horecabedrijf strafbare feiten worden gepleegd;

    5. indien de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid;

    6. indien zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf;

    7. indien de exploitatie van het horecabedrijf voor een periode langer dan zes maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie, of een wijziging in de exploitant waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;

    8. indien op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;

    9. indien de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 2.31, eerste lid van deze Verordening gestelde eisen;

    10. indien het horecabedrijf wordt gebruikt voor andere doeleinden;

    11. er aanwijzingen zijn dat in het horecabedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:9 van deze Verordening beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende gevelterrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

  6. Onverminderd het gestelde in het tweede en derde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    3. indien dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien.

  7. Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 2:34

Opheffing vergunningplicht

  1. De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in artikel 2:27 van deze Verordening niet geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.

  2. De exploitatie van een horecabedrijf waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

Artikel 2:35

Sluitingstijden

  1. Het is de exploitant of leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:26, eerste lid, onder a van deze Verordening, niet toegestaan dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op zondag tot en met donderdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op vrijdag en zaterdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.

  2. Voor een bij een horecabedrijf behorend terras geldt een sluitingstijd van 01:00 uur.

  3. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden als bedoeld in het eerste of tweede lid vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf tot uiterlijk 04.00 uur.

  4. De burgemeester kan eenmaal per kalenderjaar een ontheffing verlenen van de in het eerste en derde lid genoemde sluitingstijden tot uiterlijk 04.00 en ten behoeve van oudejaarsnacht tot uiterlijk 05.00 uur (nacht van 31 december op 1 januari volgend daarop), waarbij het de exploitant of leidinggevende is toegestaan het horecabedrijf, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. Met deze ontheffing, het zogenaamde Verlaatje, kan maximum acht maal per jaar gebruik gemaakt worden van deze ontheffing mits de exploitant of leidinggevende uiterlijk drie werkdagen voor de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, van de festiviteit melding heeft gedaan bij de burgemeester.

  5. De burgemeester kan uitsluitend ontheffing als bedoeld in het vierde lid verlenen aan een horecabedrijf dat beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:27 van deze Verordening. Er wordt geen ontheffing verleend aan een horecabedrijf dat beschikt over een kortlopende exploitatievergunning en ook niet aan een horecabedrijf van een paracommerciëel rechtspersoon als bedoeld in de Alcoholwet.

  6. Bij de ontheffing als bedoeld in het vierde lid zijn de geluidsnormen als bedoeld bij of krachtens de Omgevingswet en artikel 4:4 van deze Verordening onverminderd van toepassing.

  7. De burgemeester kan de ontheffing als bedoeld in het vierde lid weigeren indien naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze door de afwijking van de sluitingstijden nadelig wordt beïnvloed.

  8. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door bij of krachtens de Omgevingswet.

  9. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over het gebruik van deze bevoegdheid.

Artikel 2:36

Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:35 van deze Verordening geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet, waarin wordt geregeld dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Artikel 2:37

Gesloten verklaren van een horecabedrijf

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:35 van deze Verordening kan de burgemeester een horecabedrijf – al dan niet voor een bepaalde duur – gesloten verklaren:

    1. indien dit horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    2. indien dit horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    3. indien de burgemeester oordeelt, dat een van de genoemde situaties in artikel 2:33, vierde lid van deze Verordening zich voordoet waarin intrekking van de vergunning mogelijk is.

  2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is aangebracht.

  3. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:38

Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf

  1. Het is bezoekers van een horecabedrijf niet toegestaan gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2:35 of ingevolge een op grond van artikel 2:36 of 2:37 van deze Verordening genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.

  2. Het is de exploitant of de leidinggevende van een horecabedrijf niet toegestaan na het van kracht worden van de sluiting bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot het horecabedrijf toe te laten of daarin te laten verblijven.

Artikel 2:39

Glazen drinkgerei

  1. De exploitant en leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:26, eerste lid, onder a van deze Verordening, zijn verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van hun horecabedrijf geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten het horecabedrijf brengen.

  2. Het is de exploitant en leidinggevende van een horecabedrijf dat is gelegen aan een door de burgemeester bij openbare kennisgeving aangewezen openbare plaats, niet toegestaan drank in drinkgerei van glas te verstrekken gedurende een door de burgemeester in die openbare kennisgeving aangegeven periode.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid genoemde verbod.

  4. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een ontheffing kan al dan niet tijdelijk worden ingetrokken of gewijzigd.

  5. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor restaurants.

Artikel 2:40

Handel in horecabedrijf

  1. De exploitant van een horecabedrijf staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt in en om de directe omgeving van de horecagelegenheid.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen.

Artikel 2:41

Voorkomen hinder in openbare ruimte door ordeverstoring in en om horeca

  1. Om ordeverstoring en daarmee gepaard gaande negatieve impact in en om de horeca gelegenheid waaronder de openbare ruimte rondom de horeca te voorkomen, treft de exploitant van het horecabedrijf voldoende maatregelen om ordeverstoring tegen te gaan c.q. te beperken.

  2. Het is de bezoeker niet toegestaan in en om de horecagelegenheid de orde te verstoren.

  3. Degene die naar het oordeel van de exploitant van het horecabedrijf, een daartoe aangewezen buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) of een ambtenaar van politie in strijd handelt met het bepaalde in het tweede lid is verplicht dat horecabedrijf op aanzegging van die exploitant of op bevel van die ambtenaar terstond te verlaten.

Artikel 2:42

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een horecabedrijf geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de 2:27 tot en met 2:36 van deze Verordening op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:43

Geldigheidsduur vergunning

  1. Een door de burgemeester verleende exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid van deze Verordening, heeft een geldigheidsduur van onbepaalde tijd met uitzondering van een tijdelijk verleende exploitatievergunning.

  2. Bij het van kracht worden van een nieuwe exploitatievergunning vervalt de oude vergunning van rechtswege.

  3. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën horecabedrijven, bepaalde bedrijfsvormen of omstandigheden een andere geldigheidsduur vaststellen.

  4. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over het gebruik van deze bevoegdheid.

Artikel 2:44

Beëindiging van de exploitatie

  1. De exploitatievergunning vervalt

    1. zodra de exploitant(en) de exploitatie van het horecabedrijf heeft/hebben beëindigd;

    2. indien het horecabedrijf om andere redenen dan een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes aaneengesloten maanden niet wordt geëxploiteerd;

    3. bij beëindiging van de onderneming.

  2. Uiterlijk binnen één week na beëindiging van de exploitatie door de exploitant(en) geeft/geven deze daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.

Artikel 2:45

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder;

  1. inrichting: elke al dan niet besloten ruimte dan wel stand of ligplaats waar, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

  2. houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.

Artikel 2:46

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:47

Nachtregister

De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden.

Artikel 2:48

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:49

Begripsbepalingen

In de afdeling wordt verstaan onder:

  1. exploitant: natuurlijke persoon of de (vertegenwoordiging van) bestuurder van een rechtspersoon, onder wiens verantwoordelijkheid de bedrijfsmatige activiteiten wordt uitgeoefend;

  2. beheerder: de exploitant alsmede een andere natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld, die de feitelijke leiding heeft over de bedrijfsmatige activiteiten van het bedrijf;

  3. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

Artikel 2:50

Vergunning exploitatie bedrijf

  1. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het tweede lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat.

  2. Het is niet toegestaan om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    1. in een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    2. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  3. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    2. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    3. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    4. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    5. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    6. een verklaring omtrent gedrag (VOG)

    7. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  4. Indien de burgemeester dat noodzakelijk acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens en bescheiden worden overgelegd.

  5. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

Artikel 2:51

Weigerings- en intrekkingsgronden

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening weigeren:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    5. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens artikel 2:31, derde en vierde lid van deze Verordening gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    6. indien bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.

    7. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.

    8. indien een of meer exploitanten of beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening intrekken of wijzigen indien:

    1. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    2. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd;

    5. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    6. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

    7. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    8. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie;

    9. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;

    10. de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.

  3. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over de beoordeling van slecht levensgedrag.

Artikel 2:52

Tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan de sluiting van een gebouw, gedeelte van een gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend bevelen, als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met het verbod uit artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:51, tweede lid sub a tot en met i van deze Verordening van toepassing is.

  2. Het is een ieder niet toegestaan een overeenkomstig dit artikel gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien (later bekend geworden) feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

Artikel 2:53

Verantwoordelijkheden exploitant en beheerder

  1. Het is niet toegestaan een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat (een op de vergunning vermelde) exploitant of beheerder aanwezig is.

  2. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

  3. In afwijking van artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

  4. Op de vergunning als bedoeld in artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:54

Overgangsbepaling

Het bevel geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezighielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, wordt een overgangstermijn van drie maanden geboden, na het verstrijken waarvan het verbod uit artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening van toepassing is.

Artikel 2:55

Verbod betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is niet toegestaan een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is niet toegestaan een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende redenen noodzakelijk is.

  4. De burgemeester is bevoegd van het in het eerste en tweede lid bedoelde niet toegestaan ontheffing te verlenen.

Artikel 2:56

Verbod tot plakken en kladden openbare plaatsen

  1. Het is niet toegestaan een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen plakken op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is niet toegestaan de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:57

Graffiti verwijderen

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:56, tweede lid van deze Verordening, is de rechthebbende op (een gedeelte van) een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is, verplicht om binnen zeven werkdagen na het aanbrengen van graffiti, de graffiti te (laten) verwijderen of anderszins aan het oog te onttrekken.

  2. De verplichting in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet.

Artikel 2:58

Verbod vervoeren van plakgereedschap en dergelijke

  1. Het is niet toegestaan tussen 22.00 en 06.00 uur op een openbare plaats of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als niet toegestaan in artikel 2:56 van deze Verordening.

Artikel 2:59

Verbod vervoeren inbrekerswerktuigen

  1. Het is niet toegestaan op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:60

Verbod hinderlijk gedrag op of aan een openbare plaats

  1. Het is niet toegestaan:

    1. op of aan een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. op of aan een openbare plaats, openbaar water of andere voor publiek toegankelijke plaatsen, zich op te houden op een wijze die voor omstanders, andere gebruikers of omwonenden aantoonbare en onnodige overlast of hinder veroorzaakt;

    3. zich zonder redelijk doel op een schoolplein of speelplek op te houden, zich onnodig hinderlijk te gedragen of goederen te beschadigen;

    4. op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.

Artikel 2:61

Verbod op overlast door sport- of balspel en dergelijke

Het is niet toegestaan ’s avonds na 22.00 uur deel te nemen aan een sport- of balspel en dergelijke na afloop overlast te veroorzaken, dat gehouden wordt op een door het college aangewezen locatie.

Artikel 2:62

Niet toegestaan drankgebruik

  1. Het is niet toegestaan op of aan een openbare plaats of op het openbaar water, dan wel in een voor het publiek toegankelijk gebouw, alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.

  2. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt niet toegestaan op een openbare plaats, die deel uitmaakt van de navolgende gebieden, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben met als doel om het te nuttigen op de volgende locaties:

    1. elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een station, bushalte of een taxistandplaats;

    2. winkelcentra, parkeergarages en overkappingen, alsmede het gebied dat om een dergelijk object is gelegen, te weten het gebied binnen een afstand van 100 meter van de buitenste grenzen van dat object;

    3. onder bruggen, viaducten en in tunnels, alsmede het gebied binnen een straal van 100 meter van de buitenste grenzen van dat object;

    4. andere door het college aangewezen gebieden.

  3. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt niet toegestaan alcoholhoudende drank te gebruiken of al dan niet aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben met als doel om het te nuttigen op schoolpleinen, kinderspeelplaatsen, speelvelden, delen van een openbare plaats waarop kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken, trapvelden en hangplekken, alsmede het gebied binnen een afstand van 100 meter van de buitenste grenzen van deze plaatsen en objecten.

  4. Het verbod tot nuttigen van alcohol op openbare plaatsen en het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor:

    1. een terras dat deel uit maakt van een horecabedrijf, als bedoeld de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

    2. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van Alcoholwet.

  5. De burgemeester kan in een vergunning als bedoeld in artikel 2:22, eerste lid van deze Verordening, onder door hem te stellen voorwaarden ontheffing verlenen van het in het tweede en het in het derde lid gestelde verbod conform artikel 223, zevende lid van deze Verordening.

Artikel 2:63

Verbod dragen van messen en andere voorwerpen als steekwapen op aangewezen plaats

  1. Het is niet toegestaan op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben ongeacht of en hoe ze zijn ingepakt.

  2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:64

Niet toegestaan gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is niet toegestaan:

    1. zich op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in een portiek of poort en daarbij overlast te veroorzaken;

    2. zich zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden en daarbij overlast te veroorzaken;

    3. onbevoegd een gebouw te beklimmen en zich op het dak te begeven.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, niet toegestaan zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.

Artikel 2:65

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Om hinder aan anderen te voorkomen is het niet toegestaan om zich op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden en daarbij overlast te veroorzaken in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:66

Hinderlijk neerzetten van fietsen en dergelijke

Om hinder aan anderen te voorkomen is het niet toegestaan om :

  1. op een openbare plaats een fiets, bromfiets of ander voorwerp te plaatsen, te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek, indien:

    1. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;

    2. daardoor de toegang naar de ingang versperd wordt.

  2. op of aan een openbare plaats een fiets of een bromfiets, dan wel een ander voorwerp te plaatsen, indien de openbare plaats zich bevindt voor een galerij, portiek, hal, trappenhuis of keldergang van een woongebouw.

Artikel 2:67

Verbod op (brom)fietsen op markt- en kermisterrein en dergelijke

Het is niet toegestaan om het door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, om zich met een fiets of bromfiets op de aangewezen uren en plaatsen te bevinden, mits dit verbod kenbaar is gemaakt aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:68

Verbod om anderen te bespieden en heimelijk fotograferen /filmen van personen

Om de persoonlijke levenssfeer te beschermen is het niet toegestaan om:

  1. zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip onnodig langere tijd op te houden met de kennelijke doel deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te observeren wanneer dit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert.

  2. door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument onnodig langere tijd op te houden met de kennelijke doel een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te observeren wanneer dit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert.

  3. op of aan de openbare weg dan wel in een voor publiek toegankelijke ruimte een persoon heimelijk te filmen of te fotograferen door middel van een technisch hulpmiddel wanneer dit een aantasting van de eerbaarheid of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert.

Artikel 2:69

Verbod op gebruikswijze bewakingsapparatuur

Het is niet toegestaan om zonder toestemming bewakingsapparatuur te gebruiken gericht op een aan een ander toebehorend gebouw, vaartuig, (besloten) erf of ruimte waardoor andere personen kunnen worden gadegeslagen.

Artikel 2:70

Beperking loslopen van honden

  1. In de navolgende artikelen wordt onder eigenaar van een hond begrepen: de eigenaar, de houder, de verzorger van een hond of degene die de hond feitelijk onder zijn hoede heeft.

  2. Het is de eigenaar of houder van een hond niet toegestaan om de hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. binnen de bebouwde kom op of aan de openbare weg als de hond niet is aangelijnd;

    2. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd

    3. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    4. op of aan de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  3. Het verbod in het tweede lid, aanhef en onder a is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  4. De niet toegestaan genoemd in het tweede lid onder a tot en met d gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:71

Voorkomen van overlast/verontreiniging door honden

  1. De eigenaar of houder van een hond die zich met die hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is een ieder die zich met een hond op een openbare plaats bevindt, verplicht een schepje of ander doeltreffend hulpmiddel dat is bestemd voor de onmiddellijke verwijdering van hondenuitwerpselen bij zich te hebben. De eigenaar of houder van een hond is verplicht dit hulpmiddel op de eerste vordering te tonen aan de met toezicht belaste ambtenaar.

  3. Onder een doeltreffend hulpmiddel ter bestrijding verontreiniging door honden wordt verstaan: Een ‘doeltreffend hulpmiddel’ wordt als doeltreffend beoordeeld als daarmee alle uitwerpselen van een hond onmiddellijk kunnen worden verwijderd.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  5. Het eerste tot en met het derde lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  6. De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat dit dier door aanhoudend geblaf of gejank niet hinderlijk is voor de omgeving waaronder verstoring van de nachtrust.

Artikel 2:72

Maatregelen bij gevaarlijke honden

  1. Als het gedrag van de hond gevaarlijk of hinderlijk wordt geacht, is de eigenaar verantwoordelijk om maatregelen te nemen, die voorkomen dat er schade aan anderen kan worden toegebracht.

  2. Voor zover een hond verblijft of loopt op een openbare plaats, het terrein van een ander, of een gemeenschappelijke ruimte zoals galerij, lift en portaal kan de burgemeester de eigenaar of houder van de hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen, als het gedrag van de hond gevaarlijk of hinderlijk wordt geacht.

  3. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn waarvan de lengte, gemeten van hand tot halsband, ten hoogste 1,50 meter is.

  4. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen dat de hond niet kan bijten,

    2. dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;

    3. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat losmaken van de riem zonder toedoen van de mens niet mogelijk is.

  5. Onverminderd artikel 2:70, vierde, aanhef en onder d van deze Verordening dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

  6. De eigenaar of houder van een hond draagt er zorg voor dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving en ook de nachtrust niet verstoort door aanhoudend geblaf of gejank.

Artikel 2:73

Maatregelen bij gevaarlijke honden op eigen terrein

  1. Als het gedrag van de hond gevaarlijk of hinderlijk wordt geacht, is de eigenaar verantwoordelijk om maatregelen te nemen op eigen terrein, die voorkomen dat er schade aan anderen kan worden toegebracht.

  2. Het is de eigenaar of houder van een hond niet toegestaan deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:72 van deze Verordening, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  3. Het in het tweede lid genoemde verbod geldt niet als:

    1. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    2. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en

    3. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:74

Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Degene die de zorg heeft voor een dier, moet zo goed als mogelijk voorkomen dat dit voor een omwonende en de omgeving waarin het dier zich beweegt hinder veroorzaakt.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Besluit activiteiten Leefomgeving of vergelijkbare regelgeving.

  3. Ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid is het, op de door het college aangewezen plaatsen, niet toegestaan om buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

    3. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven.

  4. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het derde lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer niet toegestaan als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:75

Verbod voeren van vogels openbare plaats.

Het is niet toegestaan kauwen, (stads)duiven of andere voor de omgeving overlast veroorzakende vogels te voeren of gelegenheid te bieden deze te voeren op een openbare plaats.

Artikel 2:76

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Handelaar: opkoper en handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen, metalen als ook legeringen en metalloïden, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie;

  2. Verkoopregister: aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.

Artikel 2:77

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door de burgemeester gewaarmerkt register en daarin onverwijld op te nemen:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen voor zover dat mogelijk is soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

Artikel 2:78

Voorschriften handelaar

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester of de door hem aangewezen ambtenaar binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    • dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    • van een verandering van de onder 1 bedoelde adressen;

    • dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    • dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

  2. de burgemeester of de door hem aangewezen ambtenaar op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:79

Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon niet toegestaan enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.

Artikel 2:80

Begripsbepaling

Consumentenvuurwerk is conform het Vuurwerkbesluit: vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik die zeer weinig gevaar en een te verwaarlozen laag geluidsniveau opleveren en bestemd is voor gebruik in een besloten ruimte, inclusief vuurwerk dat bestemd is voor gebruik binnenshuis en/of bestemd voor gebruik buitenshuis in een afgebakende plaats conform artikel 2.1.1. van het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2:81

Verbod ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Het is niet toegestaan in de uitoefening van een (te vestigen) bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.

Artikel 2:82

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is niet toegestaan consumentenvuurwerk op of aan een openbare plaats of op een voor publiek toegankelijke plaats te gebruiken indien dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  2. Op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats, is het niet toegestaan consumentenvuurwerk bij zich te hebben en af te steken.

  3. Het college kan ontheffing verlenen op de aangewezen plaats van het aanwijzingsbesluit.

Artikel 2:83

Verbod op carbidschieten

  1. Het is niet toegestaan om carbid te schieten in de open lucht.

  2. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus/container/opslagvat/gasfles op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.

Artikel 2:84

Drugshandel op een openbare plaats

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het niet toegestaan op of aan een openbare plaats binnen of buiten de bebouwde kom zich te bevinden en/of zich daar heen en weer te bewegen met of zonder voertuig, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden, te verwerven of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:85

Verzamelingen van personen in verband met openlijke drugshandel

  1. Het is niet toegestaan op of aan een openbare plaats, die door de burgemeester zijn aangewezen indien de openbare orde dat in verband met het openlijk gebruik van en/of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen.

  2. Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2:86

Verbod openlijk drugsgebruik

  1. Het is niet toegestaan op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben, indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.

  2. Het is niet toegestaan op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw dat deel uitmaakt van de navolgende gebieden, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben:

    1. het gebied binnen een straal van 100 meter rond een station, bushalte of een taxistandplaats;

    2. bij winkelcentra, parkeergarages en overkappingen, alsmede het gebied dat om een dergelijk object is gelegen, te weten het gebied binnen een afstand van 50 meter van de buitenste grenzen van dat object;

    3. onder bruggen, viaducten en in tunnels, alsmede het gebied binnen een straal van 10 meter van de buitenste grenzen van dat object.

Artikel 2:87

Weggooien van spuiten en dergelijke

Om anderen niet bloot te stellen aan gezondheidsnadelen die opgelopen kunnen worden van injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers en dergelijke of daarop gelijkende voorwerpen op een openbare plaats dan wel in afvalbakken, is het niet toegestaan om deze in openbare ruimte te laten liggen of achter te laten met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.

Artikel 2:88

Verblijfsontzeggingen in verband met gebruik en handel harddrugs

  1. Het college kan een gebied aanwijzen zoals bedoeld in het tweede lid als in een gebied sprake is van ernstige overlast, veroorzaakt door de aanwezigheid van verslaafden en/of handelaren in harddrugs op de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw.

  2. Het is degene die in een door het college aangewezen gebied op de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw:

    1. harddrugs gebruikt of verhandelt of daartoe voorbereidingen worden genomen;

    2. messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, openlijk voorhanden heeft; of

    3. zich gedraagt in strijd met aanwijzing uit artikel 2:85 van deze Verordening

    verboden zich te bevinden in het door het college aangewezen gebied en in voor het publiek toegankelijke gebouwen die in dat gebied gelegen zijn, nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel tot verblijfsontzegging heeft gegeven.

  3. Het verbod van het tweede lid geldt gedurende het in het bevel van de burgemeester genoemd tijdvak van ten hoogste achtenveertig uur.

  4. Het is degene van wie in een door het college aangewezen gebied, als bedoeld in het tweede lid, na de oplegging van het in het derde lid bedoelde verbod opnieuw een orde verstorende gedraging als bedoeld in het eerste lid is geconstateerd, niet toegestaan zich te bevinden in het door het college aangewezen gebied en in de daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen, nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  5. Het verbod van het vierde lid geldt gedurende het in het bevel van de burgemeester genoemd tijdvak van ten hoogste drie maanden.

  6. Het bepaalde in het tweede en vierde lid geldt niet indien de belanghebbende in het door het college aangewezen gebied zijn woning heeft of zijn werk of beroep uitoefent.

Artikel 2:89

Verblijfsverbod dealers

  1. De burgemeester kan degene die in een op grond van artikel 2:2 van deze Verordening aangewezen overlastgebied zich op of aan de weg ophoudt waarbij aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen, als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, te verkopen of te koop aan te bieden en die antecedenten heeft op het gebied van het verkopen of te koop aanbieden van drugs of daarop gelijkende waar, middels een verblijfsverbod bevelen om zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar voor de duur van drie maanden niet meer te bevinden.

  2. De burgemeester kan aan degene, aan wie eerder een bevel middels een verblijfsverbod als bedoeld in het eerste lid is gegeven en die binnen een periode van een jaar opnieuw de in dat lid genoemde bepalingen overtreedt, bevelen om zich onmiddellijk uit dat veiligheidsrisicogebied te verwijderen en zich daar gedurende een periode van maximaal zes maanden niet meer te bevinden.

  3. Degene die een bevel heeft gekregen als bedoeld in het eerste of tweede lid is verplicht hieraan onmiddellijk te voldoen.

Artikel 2:90

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor eenieder toegankelijke plaatsen, te weten – niet limitatief – parkeerterreinen, winkelcentra, stations, stations terreinen.

  3. De burgemeester kan beleidsregels opstellen ten aanzien van het gebruik van cameratoezicht op openbare plaatsen.

Artikel 2:91

Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen, bijbehorende percelen en erf

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceel gedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:37 eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

  3. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf, het perceel of perceel gedeelte of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  4. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw, erf, perceel of perceel gedeelte of de ruimte waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, niet toegestaan daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.

  6. Het is een ieder niet toegestaan een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw, erf, perceel of perceel gedeelte of enige andere ruimte te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  7. Op aanvraag van een belanghebbende kan:

    1. een sluiting voor onbepaalde duur door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden;

    2. een sluiting door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:92

Begripsbepalingen

  1. Wet: de Wet op de Kansspelen;

    kansspelautomaat: een speelautomaat, die geen behendigheidsautomaat is als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet. Onder behendigheidsautomaat wordt verstaan een speelautomaat waarvan het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen en het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de spelduur verlengd of het recht op gratis spelen verkregen wordt.

  2. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

    • waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

    • waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

  3. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is.

Artikel 2:93

Aanwezigheidsvergunning

  1. Ingevolge artikel 30b van de Wet is het niet toegestaan zonder vergunning van de burgemeester een of meer kansspelautomaten aanwezig te hebben:

    1. op of aan de openbare weg;

    2. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

    3. in niet voor het publiek toegankelijke inrichtingen, waarvoor een vergunning ingevolge artikel 3, eerste lid onder a of c van de Alcoholwet is vereist.

  2. Ingevolge artikel 30c, eerste lid onder b, van de Wet kan de burgemeester vergunning verlenen voor de plaatsing van twee kansspelautomaten in een hoogdrempelige inrichting.

  3. Ingevolge artikel 30c, eerste lid onder b, van de Wet kan de burgemeester geen vergunning verlenen voor de plaatsing van kansspelautomaten in laagdrempelige inrichtingen.

Artikel 2:94

Speelautomatenhal

Speelautomatenhallen zijn niet toegestaan.

Artikel 2:95

Voorschriften

Aan de te verlenen vergunningen zoals genoemd in artikel 2:93 van deze Verordening worden de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:

  1. In de inrichting mogen alleen kansspelautomaten worden opgesteld welke in eigendom toebehoren aan personen die in het bezit zijn van de in artikel 30h, eerste lid, bedoelde vergunning verleend door de Kansspelautoriteit. Bij de aanvraag voor het verkrijgen van een vergunning genoemd in artikel 2:93 van deze Verordening dient de aanvrager dan ook een bewijs hiervan te overleggen;

  2. de vergunninghouder mag op geen enkele wijze door middel van reclame of enig andere vorm van werving het aanwezig hebben van (een) kansspelautoma(a)t(en) kenbaar maken;

  3. de vergunning is slechts van toepassing op toegelaten kansspelautomaten;

  4. de vergunning wordt verleend voor een periode van 3 jaar;

  5. de vergunning kan te allen tijde worden ingetrokken, indien de bepalingen van de Wet en de aan de vergunning verbonden voorschriften worden overtreden;

  6. de vergunninghouder wordt geacht de aan de vergunning verbonden voorwaarden te hebben aanvaard;

  7. de vergunning dient in de inrichting aanwezig te zijn;

  8. de vergunninghouder draagt zorg voor beleid ter voorkoming van kansspelverslaving;

  9. de vergunninghouder zorgt dat de kansspelautomaten zodanig zijn opgesteld dat het personeel er te allen tijde goed zicht op heeft.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2025