1. De burgemeester kan een persoon een wijkverbod opleggen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een verbod opleggen om zich te bevinden op in dat verbod aangewezen gebied gedurende een in het verbod neergelegde periode.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een wijkverbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een wijkverbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste 30 dagen te bevinden op in dat wijkverbod aangewezen gebied.

  3. Een wijkverbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder wijkverbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd.

  4. De burgemeester beperkt het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  5. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een wijkverbod.

  6. Het is niet toegestaan zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd wijkverbod.

  7. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over het gebruik van deze bevoegdheid.