1. Het is niet toegestaan op of aan een openbare plaats of op het openbaar water, dan wel in een voor het publiek toegankelijk gebouw, alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.

  2. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt niet toegestaan op een openbare plaats, die deel uitmaakt van de navolgende gebieden, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben met als doel om het te nuttigen op de volgende locaties:

    1. elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een station, bushalte of een taxistandplaats;

    2. winkelcentra, parkeergarages en overkappingen, alsmede het gebied dat om een dergelijk object is gelegen, te weten het gebied binnen een afstand van 100 meter van de buitenste grenzen van dat object;

    3. onder bruggen, viaducten en in tunnels, alsmede het gebied binnen een straal van 100 meter van de buitenste grenzen van dat object;

    4. andere door het college aangewezen gebieden.

  3. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt niet toegestaan alcoholhoudende drank te gebruiken of al dan niet aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben met als doel om het te nuttigen op schoolpleinen, kinderspeelplaatsen, speelvelden, delen van een openbare plaats waarop kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken, trapvelden en hangplekken, alsmede het gebied binnen een afstand van 100 meter van de buitenste grenzen van deze plaatsen en objecten.

  4. Het verbod tot nuttigen van alcohol op openbare plaatsen en het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor:

    1. een terras dat deel uit maakt van een horecabedrijf, als bedoeld de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

    2. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van Alcoholwet.

  5. De burgemeester kan in een vergunning als bedoeld in artikel 2:22, eerste lid van deze Verordening, onder door hem te stellen voorwaarden ontheffing verlenen van het in het tweede en het in het derde lid gestelde verbod conform artikel 223, zevende lid van deze Verordening.