Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 13-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betogingen
Afdeling Verspreiding van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen, voorstellingen en dergelijke op een openbare plaats
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats
Afdeling Veiligheid van/op de openbare plaats
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen en terrassen
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Afdeling Toezicht Kansspelautomaten
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE e.d.
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Afdeling

Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

Artikel 2:49

Begripsbepalingen

In de afdeling wordt verstaan onder:

  1. exploitant: natuurlijke persoon of de (vertegenwoordiging van) bestuurder van een rechtspersoon, onder wiens verantwoordelijkheid de bedrijfsmatige activiteiten wordt uitgeoefend;

  2. beheerder: de exploitant alsmede een andere natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld, die de feitelijke leiding heeft over de bedrijfsmatige activiteiten van het bedrijf;

  3. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

Artikel 2:50

Vergunning exploitatie bedrijf

  1. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het tweede lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat.

  2. Het is niet toegestaan om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    1. in een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    2. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  3. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    2. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    3. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    4. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    5. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    6. een verklaring omtrent gedrag (VOG)

    7. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  4. Indien de burgemeester dat noodzakelijk acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens en bescheiden worden overgelegd.

  5. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

Artikel 2:51

Weigerings- en intrekkingsgronden

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening weigeren:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    5. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens artikel 2:31, derde en vierde lid van deze Verordening gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    6. indien bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.

    7. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.

    8. indien een of meer exploitanten of beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening intrekken of wijzigen indien:

    1. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    2. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd;

    5. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    6. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

    7. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    8. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie;

    9. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;

    10. de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.

  3. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over de beoordeling van slecht levensgedrag.

Artikel 2:52

Tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan de sluiting van een gebouw, gedeelte van een gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend bevelen, als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met het verbod uit artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:51, tweede lid sub a tot en met i van deze Verordening van toepassing is.

  2. Het is een ieder niet toegestaan een overeenkomstig dit artikel gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien (later bekend geworden) feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

Artikel 2:53

Verantwoordelijkheden exploitant en beheerder

  1. Het is niet toegestaan een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat (een op de vergunning vermelde) exploitant of beheerder aanwezig is.

  2. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

  3. In afwijking van artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

  4. Op de vergunning als bedoeld in artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:54

Overgangsbepaling

Het bevel geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezighielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, wordt een overgangstermijn van drie maanden geboden, na het verstrijken waarvan het verbod uit artikel 2:50, tweede lid van deze Verordening van toepassing is.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2025