1. Het college kan een gebied aanwijzen zoals bedoeld in het tweede lid als in een gebied sprake is van ernstige overlast, veroorzaakt door de aanwezigheid van verslaafden en/of handelaren in harddrugs op de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw.

  2. Het is degene die in een door het college aangewezen gebied op de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw:

    1. harddrugs gebruikt of verhandelt of daartoe voorbereidingen worden genomen;

    2. messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, openlijk voorhanden heeft; of

    3. zich gedraagt in strijd met aanwijzing uit artikel 2:85 van deze Verordening

    verboden zich te bevinden in het door het college aangewezen gebied en in voor het publiek toegankelijke gebouwen die in dat gebied gelegen zijn, nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel tot verblijfsontzegging heeft gegeven.

  3. Het verbod van het tweede lid geldt gedurende het in het bevel van de burgemeester genoemd tijdvak van ten hoogste achtenveertig uur.

  4. Het is degene van wie in een door het college aangewezen gebied, als bedoeld in het tweede lid, na de oplegging van het in het derde lid bedoelde verbod opnieuw een orde verstorende gedraging als bedoeld in het eerste lid is geconstateerd, niet toegestaan zich te bevinden in het door het college aangewezen gebied en in de daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen, nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  5. Het verbod van het vierde lid geldt gedurende het in het bevel van de burgemeester genoemd tijdvak van ten hoogste drie maanden.

  6. Het bepaalde in het tweede en vierde lid geldt niet indien de belanghebbende in het door het college aangewezen gebied zijn woning heeft of zijn werk of beroep uitoefent.