Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 13-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betogingen
Afdeling Verspreiding van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen, voorstellingen en dergelijke op een openbare plaats
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats
Afdeling Veiligheid van/op de openbare plaats
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen en terrassen
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Afdeling Toezicht Kansspelautomaten
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE e.d.
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Afdeling

Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:55

Verbod betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is niet toegestaan een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is niet toegestaan een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende redenen noodzakelijk is.

  4. De burgemeester is bevoegd van het in het eerste en tweede lid bedoelde niet toegestaan ontheffing te verlenen.

Artikel 2:56

Verbod tot plakken en kladden openbare plaatsen

  1. Het is niet toegestaan een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen plakken op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is niet toegestaan de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:57

Graffiti verwijderen

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:56, tweede lid van deze Verordening, is de rechthebbende op (een gedeelte van) een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is, verplicht om binnen zeven werkdagen na het aanbrengen van graffiti, de graffiti te (laten) verwijderen of anderszins aan het oog te onttrekken.

  2. De verplichting in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet.

Artikel 2:58

Verbod vervoeren van plakgereedschap en dergelijke

  1. Het is niet toegestaan tussen 22.00 en 06.00 uur op een openbare plaats of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als niet toegestaan in artikel 2:56 van deze Verordening.

Artikel 2:59

Verbod vervoeren inbrekerswerktuigen

  1. Het is niet toegestaan op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:60

Verbod hinderlijk gedrag op of aan een openbare plaats

  1. Het is niet toegestaan:

    1. op of aan een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. op of aan een openbare plaats, openbaar water of andere voor publiek toegankelijke plaatsen, zich op te houden op een wijze die voor omstanders, andere gebruikers of omwonenden aantoonbare en onnodige overlast of hinder veroorzaakt;

    3. zich zonder redelijk doel op een schoolplein of speelplek op te houden, zich onnodig hinderlijk te gedragen of goederen te beschadigen;

    4. op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.

Artikel 2:61

Verbod op overlast door sport- of balspel en dergelijke

Het is niet toegestaan ’s avonds na 22.00 uur deel te nemen aan een sport- of balspel en dergelijke na afloop overlast te veroorzaken, dat gehouden wordt op een door het college aangewezen locatie.

Artikel 2:62

Niet toegestaan drankgebruik

  1. Het is niet toegestaan op of aan een openbare plaats of op het openbaar water, dan wel in een voor het publiek toegankelijk gebouw, alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.

  2. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt niet toegestaan op een openbare plaats, die deel uitmaakt van de navolgende gebieden, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben met als doel om het te nuttigen op de volgende locaties:

    1. elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een station, bushalte of een taxistandplaats;

    2. winkelcentra, parkeergarages en overkappingen, alsmede het gebied dat om een dergelijk object is gelegen, te weten het gebied binnen een afstand van 100 meter van de buitenste grenzen van dat object;

    3. onder bruggen, viaducten en in tunnels, alsmede het gebied binnen een straal van 100 meter van de buitenste grenzen van dat object;

    4. andere door het college aangewezen gebieden.

  3. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt niet toegestaan alcoholhoudende drank te gebruiken of al dan niet aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben met als doel om het te nuttigen op schoolpleinen, kinderspeelplaatsen, speelvelden, delen van een openbare plaats waarop kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken, trapvelden en hangplekken, alsmede het gebied binnen een afstand van 100 meter van de buitenste grenzen van deze plaatsen en objecten.

  4. Het verbod tot nuttigen van alcohol op openbare plaatsen en het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor:

    1. een terras dat deel uit maakt van een horecabedrijf, als bedoeld de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

    2. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van Alcoholwet.

  5. De burgemeester kan in een vergunning als bedoeld in artikel 2:22, eerste lid van deze Verordening, onder door hem te stellen voorwaarden ontheffing verlenen van het in het tweede en het in het derde lid gestelde verbod conform artikel 223, zevende lid van deze Verordening.

Artikel 2:63

Verbod dragen van messen en andere voorwerpen als steekwapen op aangewezen plaats

  1. Het is niet toegestaan op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben ongeacht of en hoe ze zijn ingepakt.

  2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:64

Niet toegestaan gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is niet toegestaan:

    1. zich op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in een portiek of poort en daarbij overlast te veroorzaken;

    2. zich zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden en daarbij overlast te veroorzaken;

    3. onbevoegd een gebouw te beklimmen en zich op het dak te begeven.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, niet toegestaan zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.

Artikel 2:65

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Om hinder aan anderen te voorkomen is het niet toegestaan om zich op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden en daarbij overlast te veroorzaken in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:66

Hinderlijk neerzetten van fietsen en dergelijke

Om hinder aan anderen te voorkomen is het niet toegestaan om :

  1. op een openbare plaats een fiets, bromfiets of ander voorwerp te plaatsen, te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek, indien:

    1. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;

    2. daardoor de toegang naar de ingang versperd wordt.

  2. op of aan een openbare plaats een fiets of een bromfiets, dan wel een ander voorwerp te plaatsen, indien de openbare plaats zich bevindt voor een galerij, portiek, hal, trappenhuis of keldergang van een woongebouw.

Artikel 2:67

Verbod op (brom)fietsen op markt- en kermisterrein en dergelijke

Het is niet toegestaan om het door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, om zich met een fiets of bromfiets op de aangewezen uren en plaatsen te bevinden, mits dit verbod kenbaar is gemaakt aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:68

Verbod om anderen te bespieden en heimelijk fotograferen /filmen van personen

Om de persoonlijke levenssfeer te beschermen is het niet toegestaan om:

  1. zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip onnodig langere tijd op te houden met de kennelijke doel deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te observeren wanneer dit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert.

  2. door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument onnodig langere tijd op te houden met de kennelijke doel een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te observeren wanneer dit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert.

  3. op of aan de openbare weg dan wel in een voor publiek toegankelijke ruimte een persoon heimelijk te filmen of te fotograferen door middel van een technisch hulpmiddel wanneer dit een aantasting van de eerbaarheid of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert.

Artikel 2:69

Verbod op gebruikswijze bewakingsapparatuur

Het is niet toegestaan om zonder toestemming bewakingsapparatuur te gebruiken gericht op een aan een ander toebehorend gebouw, vaartuig, (besloten) erf of ruimte waardoor andere personen kunnen worden gadegeslagen.

Artikel 2:70

Beperking loslopen van honden

  1. In de navolgende artikelen wordt onder eigenaar van een hond begrepen: de eigenaar, de houder, de verzorger van een hond of degene die de hond feitelijk onder zijn hoede heeft.

  2. Het is de eigenaar of houder van een hond niet toegestaan om de hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. binnen de bebouwde kom op of aan de openbare weg als de hond niet is aangelijnd;

    2. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd

    3. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    4. op of aan de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  3. Het verbod in het tweede lid, aanhef en onder a is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  4. De niet toegestaan genoemd in het tweede lid onder a tot en met d gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:71

Voorkomen van overlast/verontreiniging door honden

  1. De eigenaar of houder van een hond die zich met die hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is een ieder die zich met een hond op een openbare plaats bevindt, verplicht een schepje of ander doeltreffend hulpmiddel dat is bestemd voor de onmiddellijke verwijdering van hondenuitwerpselen bij zich te hebben. De eigenaar of houder van een hond is verplicht dit hulpmiddel op de eerste vordering te tonen aan de met toezicht belaste ambtenaar.

  3. Onder een doeltreffend hulpmiddel ter bestrijding verontreiniging door honden wordt verstaan: Een ‘doeltreffend hulpmiddel’ wordt als doeltreffend beoordeeld als daarmee alle uitwerpselen van een hond onmiddellijk kunnen worden verwijderd.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  5. Het eerste tot en met het derde lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  6. De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat dit dier door aanhoudend geblaf of gejank niet hinderlijk is voor de omgeving waaronder verstoring van de nachtrust.

Artikel 2:72

Maatregelen bij gevaarlijke honden

  1. Als het gedrag van de hond gevaarlijk of hinderlijk wordt geacht, is de eigenaar verantwoordelijk om maatregelen te nemen, die voorkomen dat er schade aan anderen kan worden toegebracht.

  2. Voor zover een hond verblijft of loopt op een openbare plaats, het terrein van een ander, of een gemeenschappelijke ruimte zoals galerij, lift en portaal kan de burgemeester de eigenaar of houder van de hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen, als het gedrag van de hond gevaarlijk of hinderlijk wordt geacht.

  3. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn waarvan de lengte, gemeten van hand tot halsband, ten hoogste 1,50 meter is.

  4. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen dat de hond niet kan bijten,

    2. dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;

    3. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat losmaken van de riem zonder toedoen van de mens niet mogelijk is.

  5. Onverminderd artikel 2:70, vierde, aanhef en onder d van deze Verordening dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

  6. De eigenaar of houder van een hond draagt er zorg voor dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving en ook de nachtrust niet verstoort door aanhoudend geblaf of gejank.

Artikel 2:73

Maatregelen bij gevaarlijke honden op eigen terrein

  1. Als het gedrag van de hond gevaarlijk of hinderlijk wordt geacht, is de eigenaar verantwoordelijk om maatregelen te nemen op eigen terrein, die voorkomen dat er schade aan anderen kan worden toegebracht.

  2. Het is de eigenaar of houder van een hond niet toegestaan deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:72 van deze Verordening, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  3. Het in het tweede lid genoemde verbod geldt niet als:

    1. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    2. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en

    3. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:74

Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Degene die de zorg heeft voor een dier, moet zo goed als mogelijk voorkomen dat dit voor een omwonende en de omgeving waarin het dier zich beweegt hinder veroorzaakt.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Besluit activiteiten Leefomgeving of vergelijkbare regelgeving.

  3. Ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid is het, op de door het college aangewezen plaatsen, niet toegestaan om buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

    3. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven.

  4. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het derde lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer niet toegestaan als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:75

Verbod voeren van vogels openbare plaats.

Het is niet toegestaan kauwen, (stads)duiven of andere voor de omgeving overlast veroorzakende vogels te voeren of gelegenheid te bieden deze te voeren op een openbare plaats.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2025