1. Een door de burgemeester verleende exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid van deze Verordening, heeft een geldigheidsduur van onbepaalde tijd met uitzondering van een tijdelijk verleende exploitatievergunning.

  2. Bij het van kracht worden van een nieuwe exploitatievergunning vervalt de oude vergunning van rechtswege.

  3. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën horecabedrijven, bepaalde bedrijfsvormen of omstandigheden een andere geldigheidsduur vaststellen.

  4. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over het gebruik van deze bevoegdheid.