Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 13-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betogingen
Afdeling Verspreiding van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen, voorstellingen en dergelijke op een openbare plaats
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats
Afdeling Veiligheid van/op de openbare plaats
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen en terrassen
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Afdeling Toezicht Kansspelautomaten
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE e.d.
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK

BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Artikel 4:1

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Bruidsschat Omgevingsplan: zoals met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (voorheen het Activiteitenbesluit milieubeheer);

  2. Bruidsschat: de Bruidsschat Omgevingsplan;

  3. activiteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikelen 22.1, 22.41, 22.51, 22.54, 22.55 en 22.56 van de Bruidsschat (voorheen de inrichting, bedrijf);

  4. normadressaat: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 22.43 van de Bruidsschat, te weten diegene die de activiteit verricht, diegene die draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit (voorheen de eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of drijver van de inrichting);

  5. festiviteit: een festiviteit op basis van artikel 22.73, eerste lid onder a, van de Bruidsschat (voorheen een ‘collectieve’ festiviteit);

  6. andere festiviteit: een festiviteit op basis van artikel 22.73, eerste lid onder b, van de Bruidsschat (voorheen een ‘incidentele’ festiviteit);

  7. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Bruidsschat;

  8. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Bruidsschat;

  9. geluidsgevoelige ruimten: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Bruidsschat;

  10. verblijfsruimten: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Bruidsschat;

  11. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijzing festiviteiten (krachtens artikel 22.73, eerste lid onder a, van de Bruidsschat)

  1. De waarden als bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.71 van de Bruidsschat en artikel 4:4 van deze Verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buiten- lucht als bedoeld in artikel 22.239, eerste lid, van de Bruidsschat gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer gebieden in de gemeente.

  4. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  5. Het college kan wanneer een festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een activiteit terstond als festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  6. Tijdens het van toepassing zijn van een festiviteit, mag het geluidniveau, veroorzaakt door de festiviteit, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel:

  7. De geluidsnorm, als bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  9. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte en niet voor de buitenruimte.

  10. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.71 van de Bruidsschat en artikel 4:4 van deze Verordening:

    1. uiterlijk om 01:00 uur beëindigd, indien de festiviteit zondag, maandag, dinsdag, woensdag of donderdag plaatsvindt;

    2. uiterlijk om 02:00 uur beëindigd, indien de festiviteit op vrijdag of zaterdag plaatsvindt.

Artikel 4:3

Kennisgeving andere festiviteiten (krachtens artikel 22.73, eerste lid onder b, van de Bruidsschat)

  1. Het is toegestaan maximaal vijf andere festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de waarden als bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.71 van de Bruidsschat en artikel 4:4 van deze Verordening niet van toepassing zijn mits de normadressaat tenminste 3 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  2. Het is de normadressaat toegestaan om tijdens maximaal vijf andere festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 22.239, eerste lid, van de Bruidsschat niet van toepassing is mits de normadressaat tenminste 3 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  3. Het college stelt nadere regels voor het doen van de kennisgeving.

  4. Tijdens het van toepassing zijn van een andere festiviteit, mag het geluidniveau, veroorzaakt door de festiviteit, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel:

  5. De geluidsnorm, bedoeld in het vierde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  6. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  7. De geluidsnorm, bedoeld in het vierde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte en niet voor de buitenruimte.

  8. De ontheffing van de geluidsnorm, bedoeld in het eerste lid, geldt ten hoogste 5 keer per jaar voor de buitenruimte van de inrichting, mits toestemming is verleend voor het houden van een evenement. In afwijking van het eerste en zesde lid gelden in dat geval de geluidsnormen en tijden zoals bepaald in de toestemming voor het evenement.

  9. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.71 van de Bruidsschat en artikel 4:4van deze Verordening:

    1. uiterlijk om 01:00 uur beëindigd, indien de festiviteit zondag, maandag, dinsdag, woensdag of donderdag plaatsvindt;

    2. uiterlijk om 02:00 uur beëindigd, indien de festiviteit op vrijdag of zaterdag plaatsvindt.

Artikel 4:4

Onversterkte muziek

  1. Gelet op artikel 22.70, eerste lid onder i, van de Bruidsschat wordt onversterkte muziek tussen 19.00 uur en 7.00 uur niet buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het geluidsniveau van een activiteit en zijn de artikelen 22.63 tot en met 22.69 en 22.71 van de Bruidsschat onverminderd van toepassing.

  2. Maximaal 2 uur per week, gedurende één avond, is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in het bebouwde deel tijdens de avondperiode (19.00 tot 23.00 uur) uitgezonderd van het gestelde in het eerste lid.

  3. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing.

  4. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  5. Het college kan voor het gestelde in het eerste lid ontheffing verlenen. Het college kan aan deze ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 4:5

Verbod geluidhinder in de openlucht

  1. Het is niet toegestaan om buiten de locatie van een activiteit in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voor- schriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

  4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

    1. het maximale geluidsniveau;

    2. de situering van geluidsbronnen;

    3. de frequentie en tijden van gebruik.

  5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 4:6

Geluidhinder door dieren

Degene die de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of anderen in de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

Artikel 4:7

Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is niet toegestaan zich met een motorvoertuig of een bromfiets op een wijze te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of anderen in de omgeving geluidhinder kan worden veroorzaakt.

Artikel 4:8

Routering

  1. Het is niet toegestaan met een vrachtauto als bedoeld in artikel 4:9 van deze Verordening, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het college aangewezen weg te rijden.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 4:9

Geluidhinder door handelingen bouwwerkzaamheden

  1. Het is niet toegestaan (voorbereidende) handelingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden en bouwactiviteiten te verrichten of te laten verrichten op het bouwterrein na 19.00 uur en vóór 07.00 uur.

  2. Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen.

Artikel 4:10

Overige geluidhinder

  1. Het is niet toegestaan op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten of te laten verrichten dat voor een omwonende of anderen in de omgeving geluidhinder wordt of kan worden veroorzaakt.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt Bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 4:11

Mosquito

  1. Onder mosquito wordt verstaan: een apparaat dat een vooral voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

  2. In afwijking van artikel 4:10 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

  3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

  4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

  5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.

Artikel 4:12

Verbod natuurlijke behoefte doen op openbare plaatsen

Het is niet toegestaan binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Hiervan uitgezonderd zijn situaties van overmacht zoals door ziekte of plotseling onwel worden anders dan door dronkenschap.

Artikel 4:13

Voorkomen ongewenste toestand van sloten, andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen

Het is niet toegestaan om sloten, andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen te (laten) vervuilen waardoor er een gevaarlijke situatie ontstaat voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:14

Verbod oplaten ballonnen

  1. Vanuit veiligheidsoverwegingen is het niet toegestaan ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht, dan wel door middel van helium of andere gassen op te laten stijgen.

  2. Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon, etc.

  3. Onder een ballon wordt in dit verband niet bedoeld een luchtballon bedoeld voor personenvervoer.

Artikel 4:15

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

  1. Het college kan in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid plaatsen aanwijzen buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet met betrekking tot opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

  2. Het is niet toegestaan om op deze aangewezen plaatsen in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:18 van deze Verordening of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  3. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 4:16

Reinigen van verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats

  1. Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden een openbare plaats wordt verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht, alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever verplicht:

    1. indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare plaats onmiddellijk na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of te doen reinigen;

    2. indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare plaats onmiddellijk na de beëindiging van de werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag duren, elke dag onmiddellijk na beëindiging van de werkzaamheden op die dag, te reinigen of te doen reinigen.

  2. Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor zover artikel 9, tweede lid, van het Rijkswegenreglement of de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland van toepassing is.

Artikel 4:17

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames

  1. Het is niet toegestaan op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar kan worden gebracht of ernstige hinder kan ontstaan voor de omgeving.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:18

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor (recreatief) nachtverblijf, zoals een caravan, woonwagen, kampeerwagen, camper, magazijnwagen, aanhangwagen of keetwagen.

Artikel 4:19

Verbod nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is niet toegestaan ten behoeve van nachtverblijf, waaronder ook recreatief verblijf, kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening van deze Verordening kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    1. de bescherming van natuur en landschap; of

    2. de bescherming van een stadsgezicht.

Artikel 4:20

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Het verbod van artikel 4:19, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij de duur bepalen van de periode waarin het verbod niet geldt.

  3. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:19, vierde lid, onder a en b.

Artikel 4:21

Begripsbepalingen

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. boom: een houtachtig, overblijvend gewas, dat:

      • één of meerstammig kan zijn, waarbij ingeval van meerstammigheid de stammen zich bovengronds vertakken;

      • een dwarsdoorsnede van de stam, of bij meerstammigheid de dwarsdoorsnede van de dikste stam, van minimaal 10 centimeter, gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld.

    2. houtopstand: één of meer bomen en/of knotbomen, hakhout of een houtwal;

    3. hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

    4. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand;

    5. knotboom: periodiek tot op de stam teruggezette boom;

    6. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.1 sub a. van de Wet natuurbescherming;

    7. boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse vereniging van taxateurs van bomen (NVTB).

    8. vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 30 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

    9. Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.

Artikel 4:22

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    1. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;

    2. het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    3. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.22d;

    4. achtertuinen niet groter dan 120 m2;

    5. voortuinen niet groter dan 20m2.

  3. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

Artikel 4:23

Aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

Artikel 4.24

Weigeringsgronden omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het bevoegd gezag kan de in artikel 4:22, eerste lid, bedoelde vergunning in ieder geval weigeren, dan wel onder voorwaarden verlenen, in het belang van:

    1. natuur- en milieuwaarden;

    2. landschappelijke waarden;

    3. cultuurhistorische waarden;

    4. waarden van stads- en dorpsschoon;

    5. waarden voor recreatie en leefbaarheid.

    Het bevoegd gezag kan hierbij de boomwaarde als criterium hanteren.

  2. Het bevoegd gezag kan de in artikel 4.22, eerste lid, bedoelde vergunning in ieder geval niet weigeren ingeval voldaan moet worden aan de verplichting ingevolge het bepaalde in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 4.25

Bijzondere vergunningsvoorschriften

  1. Tot aan de vergunning als bedoeld in artikel 4.22 eerste lid, te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien herplant niet mogelijk is, kan er door het bevoegd gezag een financiële compensatie worden opgelegd.

  2. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien de noodzaak voor de kap is aangetoond en/of andere vergunningen, ontheffingen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

Artikel 4.26

Herplant-/instandhoudingsplicht

  1. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning als bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn, dan wel een schadevergoeding opleggen, waarbij de boomwaarde als criterium wordt gehanteerd.

  2. Wordt een verplichting tot herbeplanting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

    1. overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen of;

    2. een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag;

  4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4.27

Schadevergoeding

Indien de gebruiker of eigenaar van een houtopstand tengevolge van een verbod tot vellen van een houtopstand of een weigering tot ontheffing van een verbod tot vellen van een houtopstand, schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te blijven, kan het college van burgemeester en wethouders hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekennen.

Artikel 4:28

Bestrijding ziekte houtopstanden

Indien zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van het college gevaar oplevert voor de verspreiding van een nader door het college aan te wijzen ziekte is de rechthebbende verplicht de in de aanschrijving van het college maatregelen te treffen binnen de daarbij aangegeven termijn.

Artikel 4:29

Afstand tot de erfgrens

Voor bomen, heesters en heggen op een openbare weg of langs openbaar water wordt de afstand tot de grenslijn van een anders erf, in afwijking van de afstanden genoemd in artikel 5:42 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, voor bomen vastgesteld op 0,5 meter en voor heesters en heggen op nihil.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2025