1. Het is niet toegestaan om de weg of een weggedeelte van een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan zonder dat er hiervoor een vergunning van het college is afgegeven.

  2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:

    1. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken voor zover ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen;

    2. zonneschermen voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en elk onderdeel van het zonnescherm:

      • zich boven 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg bevindt; en

      • in welke stand het zonnescherm ook staat zich minstens 1 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de openbare plaats bevindt;

      • in welke stand het zonnescherm ook staat niet verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt

    3. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de openbare plaats gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare plaats verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan gereinigd is;

    4. voertuigen;

    5. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard;

    6. het innemen van een standplaats als bedoeld in artikel 5:20 van deze Verordening of een standplaats als bedoeld in de Markt Verordening gemeente Maassluis;

    7. containers voor de tijdelijke opslag van puin of van bouwmaterialen, bijbehorende keetwagens en toiletcabines, mits

      • ze niet langer dan 30 dagen op de weg zijn geplaatst.

      • ze geen hinder of gevaar voor het verkeer opleveren

      • de containers een lengte van maximaal 4,5 meter, een hoogte van maximaal 2,5 meter en een breedte van maximaal 2,5 meter bedragen

      • er per perceel niet meer dan twee containers, één keetwagen en één toiletcabine worden geplaatst;

    8. evenementen als bedoeld in artikel 2:21 van deze Verordening;

    9. nader door het college aan te wijzen voorwerpen of categorieën van voorwerpen;

    10. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgeving Verordening Zuid-Holland of Waterschapsverordening.

  3. Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels stellen voor de categorieën, bedoeld in het tweede lid, voor zover deze regels niet zien op een activiteit die de fysieke leefomgeving wijzigt, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit.

  4. Het is niet toegestaan aan, op, in of boven de openbare plaats voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening kan een vergunning, bedoeld in het eerste lid, worden geweigerd:

    1. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak;

    4. in het belang van de brandveiligheid, of;

    5. indien door plaatsing of aanwezigheid van het voorwerp er sprake is van het gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie of bestemming daarvan.

    6. als door het gebruik, bedoeld in het eerste lid, de fysieke leefomgeving wijzigt, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit.

    1. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland;

    2. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken;

    3. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.